Aantekeningen bij de brief van Paulus aan Filippi

Tijdlijn

A.     Band tussen Paulus en Filippi ontstaat in Hand.16:12-40 tijdens de tweede zendingsreis.

Eerste plaats op het Europese vasteland waar Paulus een gemeente stichtte.

-          Paulus en Silas (wsch. met Lukas)

-          Bekering van Lydia

-          Conflict vanwege genezing van waarzeggende slavin (Python-geestDelphi).

-          In de gevangenis – aardbeving – bekering gevangenbewaarder

-          Excuus stadsbestuur

-          Vertrek van Paulus en Silas. Mogelijk is Lukas daar een poos gebleven. Aangenomen wordt dat de 2Korinthe-brief geschreven is vanuit Filippi.

 

Er blijft contact tussen Paulus en de gemeente van Filippi.

Filippi is enige gemeente die Paulus al die tijd financieel heeft gesteund (4:15). Gemeenten in Macedonië waren overigens arm, maar vrijgevig (2Kor.8:2). Tussen Paulus en de Filippenzen was een innige band ontstaan (1:7)

 

B.     Waarschijnlijk is Paulus er tijdens zijn derde zendingsreis nog een keer geweest (Hand.20:6).

 

Paulus zit twee jaar lang gevangen in Rome (Hand.28:30) en schrijft van daaruit o.m. de brief aan Filippi. Paulus' gevangenschap is geen belemmering voor de verspreiding van het evangelie. Hij ontvangt mensen en schrijft brieven (Hand.28:31; Fil.1:12-14).

Waarschijnlijk is deze brief geschreven aan het einde van de gevangenschap (2:24). Paulus verwacht een beslissing.

 

C.     Gemeente Filippi zendt gave aan Paulus via Epafroditus (4:10-18) Zijn naam betekent ‘behorend aan Aphrodite

D.     Epafroditus is ernstig ziek geworden (2:27)

Zijn gemeente thuis hoort hiervan en is diep bezorgd

E.      Epafroditus gaat weer terug (2:25-30) + brief

F.      Paulus wil Timotheüs zenden (2:19-23) Doel: Paulus informeren over de omstandigheden in Filippi

G.     Paulus wil zelf naar Filippi gaan 2:24

 

De stad Filippi

Filippi lag in de Romeinse provincie Macedonië (het huidige Griekenland), op ongeveer 13 kilometer afstand van de Middellandse Zee in een vruchtbaar gebied dat bekend stond om zijn

zoetwaterbronnen en goudmijnen. Filippi (heette eerst Dathos) werd rond 360 voor Christus gesticht door Filips II, de koning van Macedonië, zodat hij het goud kon winnen om zijn leger te kunnen financieren. De stad werd naar hem genoemd. Filips was de vader van Alexander de Grote. Als gevolg van de militaire veroveringen van Rome kwam Filippi in 168 voor Christus onder Romeins bestuur. De stad werd enigszins belangrijk vanwege haar strategische ligging aan de Via Egnatia, de grote weg die Rome verbond met het Oosten.

Maar de stad werd later pas echt belangrijk als gevolg van twee gevechten. In 42 voor Christus versloegen de keizerlijke troepen van Antonius en Octavian op de velden van Filippi de republikeinse troepen die geleid werden door Brutus en Cassius, de moordenaars van Julius Caesar. Een aantal van de soldaten uit het overwinnende leger vestigde zich daar. Een paar jaar later, in 31 voor Christus, vochten de twee voormalige bondgenoten tegen elkaar bij Actium. Octavian kwam als overwinnaar uit de strijd tegen de troepen van Antonius en de Egyptische koningin Cleopatra. Octavian werd later Keizer Augustus.

Na dit tweede gevecht vestigden zich nog meer veteranen in Filippi en werd het een Romeinse kolonie. Dit betekende dat wonen in Filippi hetzelfde was als wonen in Rome. Men had alle rechten en privileges die de mensen in de hoofdstad ook hadden. De burgers van Filippi werden beschouwd als Romeinse burgers. De regeringsstructuur was geënt op die van Rome. De burgers waren vrijgesteld van grondbelasting en hoofdelijke belasting. In de tijd van Paulus waren de burgers van Filippi, voor het grootste deel Romeinen (hoewel er ook enkele Grieken en Joden woonden), heel trots op hun stad en haar speciale band met Rome.

In de vroege Middeleeuwen was Filippi nog de hoofdplaats van een aartsbisdom. Herhaaldelijk werd de stad geteisterd door grote branden. Ook vonden er dikwijls aardbevingen plaats. Nu is er van de stad weinig of niets meer over.

 

De Filippenzenbrief en die aan Efeze en Kolosse

De leerstellige delen van de brief hebben een nauwe relatie met de brieven aan Efeze en Kolosse. Voorbeelden:

·         Fil.3:20 + Ef.2:12,19. Burgerschap

·         Fil.2:5-11 + Ef.1:20-23 en Kol.1:15-20. Heerlijkheid van Christus door lijden heen.

·         Fil.3:20 + Kol.3:1-2. Wandel in de hemelen.

 

Deze drie brieven ontstonden gelijktijdig en werden vanuit dezelfde achtergrond geschreven.

In de brieven aan Efeze en Kolosse gaat het vooral om Christus en de positie die we in Christus hebben. In de Filippenzenbrief gaat het vooral om het léven in deze tijd.

De brieven aan Efeze en Kolosse zijn meer leerstelling; in de brief aan Filippi gaat het vooral om de praktijk van het leven van de gelovige, die deel uitmaakt van het Lichaam van Christus.

 

Indeling brief

A. 1:1-2            Briefstijl en groet. Genade zij u.

B. 1:3-26          Paulus’ verlangen naar en bezorgdheid over de Filippenzen

C. 1:27-2:18      Aansporing en het voorbeeld van Christus

D. 2:19-24        Het voorbeeld van Timotheüs

D. 2:25-30        Het voorbeeld van Epafroditus

C. 3:1-4:9         Aansporing en het voorbeeld van Paulus

B. 4:10-19         Het verlangen naar en de bezorgdheid om Paulus

A. 4:21-23         Briefstijl en lofzegging. Genade zij u.

 

We zien in deze brief een spiegelbeeldconstructie. Thema’s keren terug.

 

Kernteksten per hoofdstuk

Niet Paulus, maar Christus staat centraal in deze brief. Christus, de Hoop der heerlijkheid (Kol.1:27).

 

1:21

Want het leven is mij Christus en het sterven is voor mij winst

 

2:5

Want dat gevoelen zij in u, wat ook in Christus Jezus was… Dit is de KERN van de brief.

(Nu) het lijden en (straks) de heerlijkheid

 

3:8

Gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus mijn Heere

 

4:13

Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.

 

Paulus gebruikt aansprekende beelden

 

Burgerschap

De Romeinse officieren gingen er prat op dat zij het Romeinse burgerrecht bezaten.   Zij pochten: ‘Ons burgerrecht (politeuma - politiek) is vastgelegd in Rome!’

Paulus schrijft echter: ‘Ons burgerrecht (politeuma) is in de hemel’ (3:20). Wij zijn burgers van een ander Rijk!

 

Paardenrennen en wedstrijden

De naam Filippi betekent ‘paardenliefhebber’ (hippo-fiel).

In het theater van Filippi werden deze wedstrijden gehouden. De burgers waren bekend met het fenomeen wedstrijden (3:14).

 

Onderwijs

Voordat we de brief napluizen op toepasselijke lessen, is het goed om onszelf te realiseren dat dit allereerst een persoonlijke brief van Paulus aan Filippi is, waarin hij hen bedankt voor de gaven die hij van hen ontvangen heeft en hen versterkt in hun geloof.

 

Met het oog op de toekomst

1:9-11 Meer liefde, beproeven, vol worden met de vruchten van de gerechtigheid (vgl. met 4:19 en 2:9).

 

Dwaalleer en onchristelijke wandel

1:28-30 Volharding in tegenstand en lijden

3:2 Judaïsme. Paulus legt zijn eigen leven ernaast (3:3-16)

3:18-19 Vast zitten aan de wereld

 

Het omgaan met elkaar

1:27 Waardigheid en eenheid

2:1-4 Wandelen zoals Jezus (2:5-11…)

 

Houding

2:14 Gewilligheid

4:5 Bescheidenheid, vriendelijkheid, inschikkelijkheid

 

Respect en behulpzaamheid

2:29-30 Het ontvangen van Epafroditus

4:3 Euodia (= goede reis), Syntyche (= gelukkig samenzijn), Clemens (= toegevend, genadig), de andere mede-arbeiders

 

Blijdschap

Brief van blijdschap, ondanks de omstandigheden. Paulus gaf zelf al in Hand.16 het voorbeeld.

14x komt het woord ‘blijdschap’ in de brief voor.

 

·         Blijdschap in en over het lijden - zie hoofdstuk 1, 2:17-18

·         Blijdschap in het geloof – 1:25, 3:1, 4:4

·         Blijdschap vanwege het geven – 4:10

·         Blijdschap in het bidden – 1:4

·         Blijdschap vanwege geloofsgroei – 2:2, 4:1

·         Blijdschap in het weerzien en ontvangen van elkaar – 2:28-29

·         Blijdschap om de voortgang van het getuigenis – 1:18

 

Het grondwoord voor blijdschap (chairo) is afgeleid van genade (charis).

Deze blijdschap is gekoppeld aan en vloeit voort uit genade (1:2; 4:23).

Niet ons gevoel, maar Gods genade is de basis van onze blijdschap!

Het deelachtig zijn aan de genade van Paulus (1:7) krijgt zo meer inhoud (2:18).

Als het genade is om niet alleen te geloven in Christus, maar ook voor Hem te lijden (1:29), dan begrijpen we ook 4:4 beter.

 

Blijdschap staat in deze brief tegenover het wenen om degenen die anders wandelen (3:18) en bezorgdheid (4:6).

 

Paulus navolgen

3:17, 4:9

Maar hij had ook zelf een doel 3:12-14.

Elke herder moet ook schaap zijn.

 

Gebeden

4:6-7 Niet bezorgd, bidden, danken, vrede. Voorbeeld 1:3-4.

 

Het normale christelijke leven 3:17 – 4:9

3:17      Navolgen

3:20      Burgerschap

3:20      Verwachten

4:1        Vaststaan

4:2        Eensgezind

4:4        Blijdschap

 

Extra uitleg bij enkele teksten

 

1:15-18

Er zijn broeders die de gevangenschap van Paulus uitbuiten om zichzelf te promoten en het woord minder helder uit te dragen. Waarschijnlijk bedoelt Paulus hiermee de Joden die met Judaïstische trekken besmet waren. Deze broeders zagen mogelijk in Paulus’ gevangenschap een aanleiding om te denken dat dit zijn verdiende loon was op zijn eigenzinnigheid en betweterij’. Het zit Paulus niet dwars. Hij kan er in zijn positie (gevangene) op dat moment ook weinig aan doen. In ieder geval wordt Christus verkondigd, ook al is de prediking dan niet even rijk als bij Paulus zelf (de openbaring van het geheimenis ontbreekt erin).

 

1:28 + 3:18

Hiermee bedoelt Paulus andere mensen als in 1:15-18. De mensen die daar anders prediken als Paulus zou doen, worden broeders genoemd (1:14-15). Over de mensen waarover hij in 3:18 schrijft, weent hij.

Meestal wordt gezegd dat het hier over ongelovigen gaat. In 1:28 is geen verwijzing naar broeders, maar in 3:18 kunnen we dat niet helemaal uitsluiten. In 3:18 staat dat het einde (opbrengst, het laatste) van hun leven (het) verderf (apoleia) is. ‘Verderf’ kan slaan op de eeuwige straf, maar dat is niet de voorkeursvertaling. In Matth.26:8 wordt ‘apoleia’ vertaald met ‘verkwisting’; in 2Petr.2:3 duidt het op een proces van verderving wat zich al tijdens het leven afspeelt (daar gaat het overigens absoluut niet over broeders). Als we kijken naar het gebruik van ‘apoleia’, dan kan dus ook het resultaat bedoeld worden van een bepaalde levenshouding, in die zin dat het leven niets opbrengt (vgl. met 1Kor.3:12 e.v.). Als we 3:17-20 goed lezen, zien we dat Paulus allen die zo wandelen als hijzelf, tot voorbeeld stelt voor de broeders. Er zijn echter goede en foute voorbeelden. De foute voorbeelden zijn de mensen die vijanden van het kruis van Christus zijn. Hiermee kan bedoeld worden dat ze alleen de mooie kanten van het geloof verwelkomen, maar niet het lijden accepteren (1:29) en dus zodanig leven dat ze dit ontlopen (1Kor.2:17; Gal.6:12). We kunnen ook denken aan mensen die de boodschap van het Kruis, zoals verwoord in Rom.6 en Gal.2 niet toepassen op hun leven. Ze leven niet als gekruisigde (gestorven) mensen en leven naar het vlees. Alles wat ‘op de akker van het vlees gezaaid wordt’, houdt echter geen stand (Rom.8:8+13; Gal.6:7-8). Deze mensen zijn bezig met het aardse, in plaats van met de ‘dingen van boven’ (Kol3:1-2). Ons burgerschap is echter in de hemelen (3:20). Daarnaar moeten wij onszelf richten.

Het plaatst ons voor veel minder vragen als we er gewoon van uitgaan dat het hier om ongelovigen gaat. Paulus zou deze gelovigen in Filippi (1:3-7) echter niet hoeven te waarschuwen als het over mensen ging die toch al buiten de christelijke gemeenschap stonden (heidenen). Kunnen echte kinderen van God dan zó afkeurenswaardig leven? Als we de appéllerende woorden uit de brieven serieus nemen, dan zou je zeggen van wel. Anderzijds zegt de Bijbel ook dat het nieuwe leven, hoe dan ook, openbaar zal worden in een gelovige (Rom.8:5+11; 2Kor.5:17). Een spanningsveld tussen de menselijke praktijk en Gods ‘theorie’.

 

1:19 + 2:12-13

Tegenover het leven met als resultaat ‘verderf’, stelt Paulus een leven wat uitloopt op de behoudenis (soteria).*

Vers 19: ‘Ik weet dat dit (alles wat hij moet verdragen) tot heil zal strekken’. Het behoud waarover hij hier spreekt, heeft alles te maken met volharding (3:10 e.v.; 2:12). Het staat buiten discussie dat onze redding niet uit verdienste is (Ef.2:8; Tit.3:5). De zaligheid die hier echter bedoeld wordt, is de zaligheid die je nu moet verdienen. Hoe kan dat? Door de weg te gaan die ook Jezus ging (2:5 e.v.), de weg van lijden en volharding. De heerlijkheid die je straks krijgt, is de heerlijkheid die je nu verzamelt.

‘Met vreze en beven’ (2:12). Je moet eraan werken; er is een prijs te behalen; het is een wedloop (3:14). Het is een opdracht die we serieus moeten nemen, wetend wat er vanaf hangt.

Vaak wordt 2:12 uitgelegd, als zou het ‘vrezen en beven’ een (gebeds)houding aanduiden van het gebed waarvan 2:13 dan het resultaat is. Men kiest voor deze uitleg omdat men niet het ‘werken’ op zichzelf durft laten staan, uit angst dat men dan ‘gaat werken voor genade bij God.’ De Bijbel onderscheidt deze zaken echter helder en daarom kunnen ook wij dat doen en moeten we dat hier zelfs doen, omdat we anders niet oppikken wat Paulus hier bedoelt. Het is zaak om ernst te maken van je zaligheid, juist omdat God in jou zowel het willen als het werken werkt (let op het voegwoord ‘want’ in vers 13). We kunnen onszelf aangaande de heiliging niet verschuilen achter onze onmacht. We hebben de potentie om te groeien in heiliging, omdat dit de eigenschap is van het nieuwe leven wat God zelf in ons gelegd heeft (Rom.6:14; 8:11).

 

* Het begrip ‘behoudenis’

Paulus sluit met deze invulling van het begrip ‘behoudenis’ aan bij de uitleg die ook op andere plaatsen in het NT gegeven wordt.

Behoudenis is zowel een feit als een proces.

Jezus Christus kwam om mensen te behouden (Joh.3:17). Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld (Joh.3:18). Behoudenis is een feit (Joh.3:36).

De Bijbel spreekt ook over behoudenis als een proces; het is een feit wat tot stand gebracht zal moeten worden (Rom.5:9-10).

Verzoening wordt in Rom.5:9-10 gekoppeld aan Christus ‘ dood.

Behoudenis [van de toorn] wordt gekoppeld aan Christus’ leven. Wij hoeven straks niet meer de toorn van God te ondergaan (1Th.1:10), maar het hoeft ook niet nodig te zijn dat God tijdens ons leven in toorn (is ook een emotie) op ons (vanwege zonde) neer ziet.

In Romeinen 5:9-10, maar ook in 6:1-14 wordt duidelijk dat het reddingswerk van Jezus bestaat uit twee componenten, die gericht zijn op het tweeledige probleem van de mens: door te sterven (een proces t/m de opstanding) rekende Jezus af met de schuld en door op te staan en verder te leven reikt Hij ons de hand bij het overwinnen van de zonde (de verslaving). Deze twee componenten kunnen niet gescheiden worden, maar het is wel goed om ze te onderscheiden; veel mensen geloven namelijk wel in de voldoening van de schuld, maar niet in het kunnen overwinnen van de macht van de zonde.

Ook de profeten hebben over de behoudenis gesproken: Jes.45:22; 53:11; Ezech.18:27. Behoudenis als feit en hoop. Hd.2:40; 1Petr.1:5, 9-10; Rom.13:11.

 

3:2

Het kan niet anders, of Paulus doelt hier op Judaïsten, die een groot gevaar vormden voor het christelijk geloof. Hij maakt hier een woordspeling op de besnijdenis (Gen.17:9-11); verminking. De Judaïsten konden besnijden wat ze wilden, maar het gebruik wat slechts nog een symbool, een lege huls. Dat gold eveneens van hun aanzet tot gehoorzaamheid aan de wet. Niet meer de wet, maar alleen het bloed van Christus is de poort tot zaligheid (zie de Galatenbrief).

Zij die God in de Geest dienen, zijn de besnijding, d.w.z. degenen die ware kinderen van Abraham zijn, met hem verbonden door geloof (Rom.4:11-12). Paulus legt zijn leven er naast om aan te tonen dat je met wetbetrachting alleen nergens komt.

 

3:8-11

We kunnen de opmerkingen van Paulus in deze verzen die het proces aanduiden waarin hij zit, begrijpen vanuit de toelichting op het begrip ‘behoudenis’. Christus winnen = niet meer investeren in het vlees, maar investeren in het nieuwe leven. Zo’n leven resulteert in het kennen van Christus, het kennen van de kracht van Zijn opstanding, het in praktijk brengen van de gehoorzaamheid van Christus die in 2:5-8 beschreven wordt, het komen tot de uit-opstanding der doden (letterlijk: opstanding van tussen de doden uit). Deze levenshouding staat in schril contrast met de houding van ‘Als ik maar gered ben…’

 

4:4-6

Met dankzegging… Dat wil zoveel zeggen als: blijf danken (1Th.5:16-18; Kol.2:2)! Als je alleen maar op nood en strijd zou reageren met bidden (wat op zich natuurlijk goed is), dan is een bijverschijnsel dat je jezelf erg gaat concentreren op het probleem. Door te danken houd je het perspectief in het oog.