Aantekeningen bij de brief aan de Galaten

Aantekeningen van mijn colleges aan de ETS

Aanhef

 

Prachtige aanhef: 1:3-4.

Om ons te trekken uit de tegenwoordige boze aioon.

Begrensd tijdperk: van Noach tot aan de wederkomst (Luk.20:35).

De duivel wordt de overste van deze aioon genoemd (Joh.16:11, Ef.2:2).

Christus heeft Zichzelf gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit…

Het gaat niet alleen om verzoening van onze zonden of verlossing van de toekomende toorn. 1Th.1:10.

Het gaat ook om – nu al – trekken uit deze wereld. Rom.12:1-2. Kol.3:1.

Deze wereld is geen fijne plaats voor een christen. Het is niet ons thuis. We zijn hier vreemdelingen. We leven in een spanningsveld.

 

Spanningsveld in die tijd: religieuze valstrik

 

Wet en Evangelie

Het theologische spanningsveld in die tijd werd grotendeels bepaald door het verschil tussen de visie van Paulus en die van de Joden die hun houvast bleven zoeken in de Wet.

Eén van de grote thema’s binnen het boek Handelingen.

Nieuwe situaties roepen nieuwe vragen op.

 

Wetticisme is een serieus item.

1:6-7 ‘Overgegaan naar een ander Evangelie.’

 

Wetticisme geeft niet alleen persoonlijke schade (klein leven), maar heeft ook een uitstraling naar buiten toe.

Voorbeeld 2:11-15

Paulus’ heftige reactie tegenover Petrus.

Wetticisme is geen onschuldige bezigheid.

Het schept verwarring bij de gelovigen.

 

Het is geen eenduidige houding van de gelovige zelf. Al wat niet uit het geloof is, dat is zonde (Rom.14:23).

 

Wet en Evangelie: beroemd thema binnen de christelijke kerken

Wet en Evangelie moeten in de nodiging centraal staan. Sommige predikers zijn zelfs beroemd geworden om het evenwicht tussen beide in hun preken.

Gal.3:24-25. De Wet als pedagoog tot Christus.

De Wet ontdekt ons aan onze zonden en drijft ons uit naar Christus. De genade maakt ons vrij.

 

Niet meer onder de Wet

Joh.1:17. In een christenleven moeten Wet en genade gescheiden worden. De Wet is niet meer onze ‘meester’, maar Christus. Door Christus leren we om Gods wil te doen. Galaten 5:22-23; 6:1-2. Buiten Christus is de Wet tegen ons. In-Hem niet.

 

Ingrediënten van het toenmalige spanningsveld

 

Doelgroep van de brief

2:15 Joodse christenen die wonen in Galatië (het huidige Zuid-Turkije).

Veel Joden die daarheen gegaan of gevlucht waren. Paulus kende hen goed vanuit zijn eerste zendingsreis.

We merken ook in de brief dat Paulus schrijft aan mensen met een Joodse achtergrond. Paulus haalt Abraham, Sara en Hagar erbij. Terug naar het begin van de Wet, bij Sinaï.

Mensen met wortels in de Wet, de periode van de Wet. Ze moesten een enorme switch maken.

 

Wat was het kenmerkende van Paulus’ boodschap

Christus als enige weg. Paulus’ evangelie als enige evangelie. Niets ernaast.

2:15-3:14 Een hartstochtelijk appél.

Rechtvaardigheid door geloof alleen.

Deze passage lijkt te wringen met wat Jacobus in zijn brief schrijft.

 

Begrippen:

Geloof in Jezus Christus als grond voor rechtvaardiging

Niet de wet als grond daarvoor.

Aan de wet gestorven.

Nieuwe mens geworden.

 

Galaten versus Romeinen

De brief aan de Galaten kunnen we zien als een soort 'kleine Romeinenbrief'. Dat wil zeggen: Veel van wat Paulus later in de Romeinenbrief (het jaar 58) schrijft, vinden we in beginsel al terug in de Galatenbrief. Daarbij denken we vooral aan het verschil tussen het leven uit de Geest en het leven uit het vlees.

 

Het Judaïsme binnen het Christendom

Judaïsme wordt over het algemeen gelijk gesteld met Jodendom, de eenheid van religie en cultuur waardoor de Joden gekenmerkt werden en worden. Het Judaïsme is ouder dan het christendom.

Feitelijk bezien was het Joodse geloof een nationale godsdienst, bestemd voor hen die door natuurlijke geboorte afstamden van Abraham. Om erbij te horen was geen nieuwe geboorte nodig. Het beloofde leven op aarde, met zegeningen op aarde aan hen die wandelden in overeenstemming met de geboden. Dit godsdienstige systeem had als centrum de tempel in Jeruzalem. Hierin werden door de priesters op stoffelijke altaren de stoffelijke offers gebracht. De dienst van God was een uiterlijke dienst die gepaard ging met uitgebreide ceremoniën, volgens een voorgeschreven ritueel.

 

Als voorbereidende godsdienst was het Judaïsme te vergelijken met het voorhangel, wat God voor mensenogen verborg. Eén maal per jaar mocht de hogepriester achter het voorhangsel komen om verzoening te doen voor zichzelf en de zonden van het volk. Toen Christus stierf, scheurde het voorhangel van boven naar beneden. De weg tot het heilige der heiligen was open voor iedere zondaar. Het was een nieuwe en levende weg (10:20). Vanaf dat ogenblik werden alle Joodse gebruiken struikelblokken.

 

Joodse christenen

De christelijke gemeenschap was in de begintijd nog sterk Joods gekleurd (zie Jacobus-brief: groot accent op het houden van de Wet (2:8, 10). Veel Joodse christenen hielden er tijdens de Handelingen-periode een soort mengvorm op na (vgl. Hand.21:18-24).

 

Paulus noemt als voorbeelden van wetticisme:

4:8-11 ‘wereldgeesten’ = elementen van de kosmos.

5:2 Besnijdenis 6:12

3:3 In de Geest begonnen, in het vlees volmaakt worden.

 

Dwaling

Het verscherpen van het wets-accent leidde uiteindelijk tot een serieuze dwaling, waarbij gelovigen weer het juk van de Wet werd opgelegd; een leven wat gevuld was met het naleven van allerlei regeltjes en uiterlijk vertoon (zie o.a. Kol.2 (geschreven na het jaar 60), waarin Paulus een mengvorm van Judaïsme en Grieks denken aan de kaak stelt als dwaalleer).

 

Paulus’ onderwijs over de Wet

 

Het gebruik van het woord ’wet’

Als Paulus het in de Galatenbrief over ‘wet’ heeft, bedoelt hij allereerst de periode van de wet (zie ook Rom.2:12; 5:13, 20).

 

In 3:15-4:7 geeft hij onderwijs over de Wet.

3:17 De Wet is niet de hoofdlijn, maar de belofte.

3:19 De Wet is erbij gekomen om de overtreding te doen blijken.

 

Judaïsten beriepen zich op Abraham, maar Abraham zou hun principe nooit hebben kunnen steunen, want hij leefde niet onder de wet (3:29).

Wie in Christus is, die is het ware zaad van Abraham.

Het verbond van God met Abraham heeft een verdere reikwijdte dan de periode van de Wet.

Je kunt je beter op Abraham beroepen dan op Mozes.

 

Toepassing

 

Waarom was er die terugval op de Wet?

Vanwege vervolging: zie ook 5:11; 6:12.

4:17 Er zijn personen die de Galaten willen losmaken van Paulus. 1:7; 5:12

Het gaat dus niet alleen om een dwaling die haar gang gaat, maar ook om boze opzet.

Paulus begint dan ook de brief om zijn positie te onderstrepen. 1:1

 

Waarom vallen mensen (nu nog steeds) terug in wetticisme?

Brief met een echt Joods probleem. Toch kunnen ook wij er dingen in herkennen.

Moeilijk om alleen van genade te leven? Wet kruipt altijd tussen de genade in.

De Wet geeft je wat in handen om te doen.

 

Concreet: toch weer de Wet willen behagen

Dat we door het dienen van de Wet niet zalig kunnen worden, weten we best.

Maar dat er ook nog zoiets bestaat als het (ongewild) behagen van de Wet weten velen niet.

Gal.3:3. In de Geest begonnen. In het vlees volmaakt worden.

Probleem: je best doen om niet naar de oude mens te leven.

Verbetering van de oude mens heeft voor God geen waarde, maar alleen het leven uit de nieuwe mens.

2Kor.5:17. Een nieuwe schepping. Het oude is voorbij en het nieuwe is gekomen.

 

Zie 6:12. Het systeem (eigene van het Evangelie) aanpassen om maar geen kleur te hoeven bekennen.

 

Overige punten

 

Uniek historische materiaal in hoofdstuk 1

1:11-24

Terugblik naar de tijd kort na Paulus’ bekering.

Er worden dingen genoemd die niet in Handelingen genoemd worden. Hand.9:30-11:25

 

Opvallend:

Paulus is direct na zijn bekering niet te rade gegaan bij vlees en bloed

Zijn Evangelie is ook niet naar de mens

Het behaagde God Zijn Zoon in Paulus te openbaren.

Later onder de mensen verheerlijkten zij God in hem.

Wat een groei in zo’n korte tijd.

Waarom beschrijft Paulus zijn eigen snelle-groei-verhaal?

- hij wil de authenticiteit van zijn apostelschap onderstrepen.

- voorbeeld van hoe fanatisme kan leiden tot vervolging en naast de waarheid zitten.

 

Galaten 2:1-10, belangrijk voor de tijdbalk en de datering van de brief

De vraag is wanneer dit gesprek van Paulus in Jeruzalem plaats vindt.

Samengevat:

 

Optie 1: Hand.15:1-29 = Gal.2:1-10

Optie 2: Hand.18:21-22 = Gal.2:1-10

Beschrijvingen corresponderen op veel punten.

In de beschrijvingen ontbreken overeenkomsten.

Beschrijvingen sluiten elkaar niet uit.

Beschrijvingen sluiten elkaar niet uit.

Probleem: hoe moet je de 14 jaren van Gal.2:1 interpreteren (extra bezoek Hand.11:30)?

Het probleem van Gal.2:1 is hiermee opgelost.

Gebeurtenissen lijken qua tijd goed aan te sluiten bij het verloop van Handelingen in het begin.

Probleem: de vijf jaren versus Hand.1-9.

Barnabas en Paulus werkten nog samen.

Mogelijk was Barnabas er niet bij.

 

Het probleem van de 14 jaren

In Hand.11:29-30 …12:25 lezen we dat hij samen met Barnabas heen en weer naar Jeruzalem is geweest voor het overhandigen van een gift. Je zou dit kunnen oplossen door het ‘na 14 jaren wederom’ uit Gal.2:1 niet te interpreteren als dat Paulus 14 jaar lang niet in Jeruzalem geweest zou zijn. De vraag die dan blijft is: waarom zegt hij dat er dan bij? Wat ook zou kunnen is, dat dit tussentijdse bezoek een kort bezoek was, waarin geen gesprekken hebben plaats gevonden met de apostelen over de missie van Paulus.

 

Als je de oplossing voor het probleem van de 14 jaren acceptabel noemt, dan blijft optie 1 de beste optie. Het probleem van de vijf jaren kun je niet zomaar bagatelliseren (zie artikel Tijdlijn van het leven van Paulus).

 

Datering van de brief

Datering: tijdens 3e reis (omstreeks 57, vanuit Efeze).

Sommigen dateren de Galatenbrief in het jaar 48-49 (eerste reis). Er van uitgaande dat Hand.15 en Gal.2 samenvallen, is dit niet voor de hand liggend, omdat de beschrijving van Paulus in Gal.2:1-10 de indruk wekt dat hetgeen wat hij beschrijft al enige tijd geleden gebeurd is. Ook bereikte het Judaïsme, waartegen hij in deze brief zo ageert, pas in de laatste jaren van de Handelingen-periode haar hoogtepunt. Een datering op een later tijdstip zou dus beter passen.

 

Het geloof ván Christus (hfst.2)

We komen deze uitdrukking tegen in Rom.3:22; 3:26; Gal.2:16; 3:22

De grondtekst is hier niet anders te vertalen dan ‘het geloof van Jezus Christus’ (SV). Als je spreekt over het geloof van Jezus zelf; dan gaat het om de trouw die Hij beoefende tot in de dood. Ten diepste is Jezus de Rechtvaardigheid die door Zijn geloof (Zijn trouw) zal leven (Hab.2:4); Hij is opgestaan; Hij leeft!

 

Een merkwaardig voorbeeld van Paulus’ exegese; Hagar en Sara (hftst.4)

Paulus gebruikt een historisch gegeven om er een geestelijke principe mee uit te leggen. Dit is dus bijbelse typologie. Het is interessant om te bekijken waar in de Bijbel dit nog meer voorkomt en wat de grenzen zijn van een dergelijk schriftgebruik. Wat is het verschil tussen bijbelse allegorie en het extreme vergeestelijken wat we in de christelijke traditie tegenkomen?

 

In Gal.4:23 benoemt Paulus het verschil tussen de verwekking van Ismaël en Izak: de eerste is naar het vlees verwekt en de tweede naar de belofte. Een vergelijk met Rom.9:6-8 (in dezelfde tijd geschreven) maakt duidelijk wat Paulus’ visie hierover is: Ismaël is uit het vlees (het mogelijke) geboren, terwijl Izak uit de belofte (het onmogelijke – een onvruchtbare vrouw) geboren is. Hagar staat in Gal.4 voor hen die onder de wet willen leven (Gal.4:12 – [de gelovigen in] Jeruzalem en het beeld van Sara slaat op de vrijheid in Christus die gelovigen hebben ontvangen.

 

Paulus gebruikt in de brief aan de Galaten deze tegenstelling om er een geestelijk principe mee te illustreren (wet tegenover genade). In deze context bezien komt Abrams huwelijk met Hagar en de geboorte van Ismaël in een negatief daglicht te staan. We moeten wel oppassen om het beeld uit Galaten te projecteren op het verhaal in Genesis. De ‘optie Hagar’ was in die tijd een gebruikelijke; Ismaël is ook geen vervloekt kind.

 

Van de genade vervallen (hfst.5:4)

Beter vertaald is: buiten de genade staan. Dit wijst op het feit dat je met wetticisme op terrein komt waar de genade niet werkzaam is (5:6).