Achtergrondinformatie over Abraham

Genesis

 

Genesis = wording. Het boek wordt gewoonlijk op twee manieren ingedeeld. De ene verdeling wordt gemaakt door de scheiding te leggen bij Gen.2:4 (schepping – verdere generaties) en een andere verdeling legt de scheiding bij Gen.12 (hfst.1-11 tot aan Abram en hfst.12-50 vanaf Abram). Voor beide indelingen valt wat te zeggen. Genesis beschrijft de wording van twee belangrijke items in het plan van God: de aardbol waarop wij wonen en daarnaast ook die van het volk Israël, wat begint bij Abram.

 

Enkele jaartallen

 

Het verhaal van Abraham speelt zich af zo’n 350 jaar na de zondvloed. In deze tijd waren de nakomelingen van Sem, Cham en Jafeth nog volop bezig om zich over de hele aarde te verspreiden. Het vertrek van Abram uit Mesopotamië wordt gedateerd op ca. 1925 voor Chr.; de geboorte van Izak op ca. 1900.

Vanuit de geslachtslijn van Sem (Gen.11:10 e.v.) is af te leiden dat Abram 292 jaar na de zondvloed geboren wordt. Betrekken we ook Gen.10:28-29 erbij, dan zien we dat Noach stierf toen Abram 58 jaar oud was. Abram is overleefd door drie van zijn voorouders: door Sem met 35 jaar, door Selech met 3 jaar en door Eber met 64 jaar.

 

De Vruchtbare Halve Maan

 

Zowel Terach als Abram woonden en reisden binnen het gebied wat toen bekend stond als de Vruchtbare Halve Maan. De VHM begon in het oosten bij de Perzische golf, boog om de Arabische woestijn heen en kwam uit bij de Nijldelta. Tegenwoordig wordt dit gebied ingenomen door Irak, Syrië, Jordanië en Israël. Dit gebied was laag gelegen, werd doorsneden door twee grote rivieren, de Eufraat (westelijk) en de Tigris (oostelijk), en was daardoor erg vruchtbaar.

 

De Sumeriërs

 

Het grote Mesopotamië (nu Irak) was verdeeld in een zuid- en een noordrijk. In het zuiden overheersten de Sumeriërs en in het midden en het noorden de Akkadiërs (Sargon van Akkad). Later werden het zuidrijk en het noordrijk bijeen gevoegd tot een groot Babylonisch-Assyrisch rijk.

Het culturele en religieuze centrum van het zuidrijk was de stad Ur (bijnaam Ur der Chaldeeën, vanwege de eerste bewoners). De Sumeriërs hadden een hoge cultuur. In de tijd van Abram werden de Sumeriërs overwoekerd door Amorieten (Semitische migranten, die vanuit het westen kwamen). Het resultaat daarvan was dat omstreeks 2000 de Sumerische cultuur was opgegaan in de Amoritische. De Amorieten breidden later hun gezag uit naar het noorden en maakten van Babel hun hoofdstad. Daar werd later door koning Hammurabi (omstreeks 1750) de Eerste Babylonische Dynastie gevestigd. De Amorieten breidden hun gezag ook uit richting Palestina (Gen.14:7). Ze integreerden daar met de Kanaänieten (Gen.15:16; Joz.24:15,18).

 

De godsdienst in Ur

 

De Sumeriërs uit Abrams tijd waren polytheïstisch ingesteld (zie ook Joz.24:2). Eén van hun belangrijkste goden was Bel, die ook wel Marduk of Merodach genoemd wordt. De belangrijkste god in heel Mesopotamië was Nannar-Sin, de maangodin. De maancultus was bijna geheel verweven met het dagelijkse leven. Overal, met name op centrale plaatsen langs de handelsroutes, waren heiligdommen, die door de vele reizigers en karavaandrijvers bezocht werden. De maan was voor de karavaandrijvers erg belangrijk, omdat ze meestal ’s nachts reisden, om zo de hitte van overdag te vermijden. Ze maakten gebruik van het schijnsel van de maan, wat alleen naar waarde geschat kan worden door hen die in het Oosten wonen. Ook in Ur en Haran was een groot heiligdom voor de maangodin aanwezig.

 

Kanaän in Abrams tijd

 

De grenzen van Kanaän zijn in Abrams tijd: van Gaza tot Sidon en van de heuvels van Syrië tot aan de Jordaanvallei. In verband met de inbezitneming van het land Kanaän door de Israëlieten werden de grenzen later preciezer gedefinieerd.

In Kanaän woonden oorspronkelijk de nakomelingen van Cham. Door de invasie van de Amorieten werd de bevolking van Kanaän een mengelmoes van Chamieten en Semieten. De goden van de Kanaänieten waren de Baäls en de Astartes. Ook daar waren vele heilige plaatsen voor ingericht. Sichem, de plaats waar Abram voor het eerst een offer brengt aan Jaweh, is in die tijd een belangrijk politiek en religieus centrum. De speciale god van Sichem was Baäl-Berith.

 

De reis van Terach en Abram

 

Uit Gen.11 en Hand.7 blijkt dat de reis van Abram in twee fasen is verlopen. Samen met zijn vader Terach reist hij naar Haran en later gaat hij zonder zijn vader verder naar Kanaän. Om van Ur in Haran te komen waren twee routes voorhanden, een langs de Eufraat en een langs de Tigris. Waarschijnlijk heeft Terach de westelijke route genomen (langs de Eufraat), omdat die langs Mari gaat, waar waarschijnlijk ook een heiligdom voor de maangodin stond. De Bijbel zegt dat (de familie van) Terach meerdere goden diende en het is heel waarschijnlijk dat hij ook de Maangodin diende. De trek van Terach naar Haran (zo’n 1000 km.) zou in verband gebracht kunnen worden met de volksverhuizing die op dat moment gaande was. Velen uit het zuiden zochten het hogerop. Herdersstammen, zoals die van Terach, moesten wel helemaal naar het noorden gaan, waar ook Haran lag, zodat ze regelmatig met hun enorme kudden over de Eufraat konden gaan om nieuwe weidegronden te zoeken.

Als Abram vanuit Haran naar Kanaän trekt (een reis van zo’n 750 km.), is hij hoogstwaarschijnlijk langs Aleppo en Katna getrokken, waar ook heiligdommen voor Sin waren. Ook zou hij langs Damascus gekomen kunnen zijn, want later (Gen.24) wordt gesproken van zijn knecht Eliëzer, die afkomstig is uit Damascus. Bovendien was Damascus in die tijd een ‘noodzakelijke pleisterplaats’.

Uiteindelijk komt Abram aan in Sichem, bij de heilige boom More. En bij dat heiligdom bouwt hij in Kanaän het eerste altaar voor Jaweh. Uit het verloop van Abrams trektochten blijkt dat hij nog vaker altaren voor Jahweh heeft gemaakt bij heidense heiligdommen.