Het gezicht van Daniël 10 en 11

Aantekeningen bij bijbelstudie 7 over het boek Daniël; Lunteren seizoen 2006-2007

 

Inleiding

In hoofdstuk 10-12 krijgen we nog meer gedetailleerde informatie aangereikt over de gebeurtenissen die zich zullen afspelen in de eindtijd en dan met name met betrekking tot het volk Israël. We zagen de contouren van dit eindtijdscenario al ontstaan in hoofdstuk 7 en 8. In de volgende paragraaf daarom eerst even een opfrissing van de conclusies vanuit deze hoofdstukken.

 

Terugblik naar hoofdstuk 7 en 8

Bij de bespreking van hoofdstuk 7 en 8 kwam ik tot de volgende conclusies:

·         In hoofdstuk 7 hebben we niet te maken met een meer gedetailleerde omschrijving van het beeld in hoofdstuk 2, maar met de koningen (mogelijk rijken) van het vijfde rijk, het rijk van de voeten van ijzer en leem. Er zal een overeenkomst zijn tussen de machthebbers van het vijfde rijk en de wereldrijken die de geschiedenis vanaf Daniël gedomineerd hebben.

·         Deze vier koningen / rijken zullen tegelijkertijd bestaan en het oordeel ten tijde van de wederkomst van Christus meemaken. De profetie van Daniël 7 zal dus in vervulling gaan in de aioon waarin wij nu leven (Luk.20:34-35; Gal.1:4: Ef.1:21).

·         De overeenkomst tussen de machthebber van de kleine horen in hoofdstuk 8 en de historische koning Antiochus Epiphanus is treffend. Er zijn echter te veel verschillen om aan te nemen dat deze koning de letterlijke vervulling is geweest van deze profetie. We kunnen in de gebeurtenissen ten tijde van Antiochus een voorafschaduwing zien van de gruwelijke dingen die er vlak voor de komst van Jezus in heerlijkheid staan te gebeuren. Alle informatie die betrekking heeft op de tijd daarvoor (8:1-8 en 20-22) zou nog historisch geduid kunnen worden. In dat geval hebben we in hoofdstuk 8 dus te maken met een breukprofetie. Ook hoofdstuk 8 wacht dus nog op een (gedeeltelijke) vervulling in de eindtijd.

·         Hoewel het toekomstbeeld zo nog spannender (minder voorstelbaar) wordt, hoef je de Bijbel toch in minder bochten te wringen. Nog veel meer dan in hoofdstuk 7 het geval is, krijgen we in hoofdstuk 8 een vooruitzicht over dat wat er in de eindtijd zal gebeuren.

 

Hoofdstuk 10 t/m 12 één geheel

De hoofdstukken 10-12 beschrijven één gezicht. Hoofdstuk 11 vers 1 geeft geen nieuwe tijdsaanduiding voor dat wat daarna beschreven wordt, maar is een aanvulling op 10:21. Zoals de vorst Michaël de spreker bij staat, stond de spreker ook destijds Darius de Meder bij in diens eerste regeringsjaar. Zie voor de toelichting van deze uitleg verderop in dit stuk.

 

Binnen het geheel van hoofdstuk 10-12 kunnen we hoofdstuk 10 zien als de inleiding en hoofdstuk 11-12 als de voorzegging. In 11:2 wordt de profetie die in hoofdstuk 10:14 aangekondigd wordt, vervolgd. Ik wil hieronder eerst één en ander toelichten over hoofdstuk 10.

 

Hoofdstuk 10

 

Het moment van de openbaring

Daniël ontvangt de openbaring van hoofdstuk 10-12 twee jaar later dan die in hoofdstuk 9. Het was het derde jaar van Kores. Dit is de laatste datum die in het boek Daniël genoemd wordt. Hij was toen al oud.

Daniël ontvangt het gezicht op de 24ste van de eerste maand (= Abib, ongeveer april). Hij is op dat moment bij de Tigris (= Hiddékel), in gezelschap van anderen (vers 7).

 

De drie weken

Daniël heeft net drie weken van vasten achter de rug. Drie weken lang was hij treurig. Oorzaken hiervan kunnen zijn:

-          Dat veel ballingen niet terug gingen naar Israël. Daniël vastte en treurde en vernederde zich daarvoor (10:12). Ook in 9:3 gaan vasten en verootmoediging samen.

-          In dezelfde drie weken speelt zich ‘op hoger niveau’ een strijd af met de vorst van Perzië (12-13). Het kan zijn dat Daniël dit gevoeld heeft.

 

De man met linnen bekleed

Daniël ziet een Man met linnen bekleed.

-          Zijn lendenen waren omgord met fijn goud van Ufaz

-          Zijn lichaam was gelijk een turkoois

-          Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems

-          Zijn ogen gelijk vurige fakkelen

-          Zijn armen en Zijn voeten gelijk de kleur van gepolijst koper

-          De stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte.

 

Wie is deze Man?

Naar alle waarschijnlijkheid is dit Christus voor Zijn menswording.

-          Nergens anders in de Schrift wordt op deze manier over engelen gesproken.

-          Daniël noemt dit gezicht ‘een groot gezicht’ (8), waarmee hij onderscheid aangeeft tussen dit gezicht en de andere.

-          Johannes zag op Patmos dergelijke verschijning en daar wordt zonder twijfel de verheerlijkte Christus bedoeld (Op.1:13-18).

-          In hoofdstuk 12 verschijnt de Man weer (12:7) en is hij onderscheiden van Michaël (12:1).

 

Wat betekent de omschrijving van deze Man?

-          Het met linnen bekleed zijn, wijst op hogepriesterlijke waardigheid (Ex. 28:4; 29:5).

-          De met goud omgorde lendenen wijzen op zijn koningschap.

-          In Op.1:13 zijn de borsten omgord. Dit wijst wellicht op het volbrachte werk.

-          De omgorde lendenen wijzen op het gereed zijn om uit te trekken. Met Ufaz wordt mogelijk Ofer gedoeld (Afir, Afrika).

-          Het lichaam gelijk een turkoois. Turkoois is een glanzend groene steen, waarover ook gesproken wordt in Ex.28:20; 39:13; Ezech.1:16; 10:9; 28:13; Hooglied 5:14.

-          Zijn aangezicht is als de bliksem (Matth. 24:27).

-          De ogen die lijken op brandende fakkels wijzen op Zijn alles doorziende blik.

-          De als gepolijst koper zijnde armen en voeten wijzen op grote massieve kracht.

-          De stem van Zijn woorden als de stem ener menigte wijst op Zijn alles overstemmend geluid, dat Hij kan voortbrengen en dat alles overstemmen kan. De Heere zal eenmaal brullen uit Sion (Am.1:2).

 

Hier staat vóór Daniël de Koning-Priester van de toekomende eeuw, Die Zich nu al in Zijn macht openbaart. Mogelijk heeft Daniël deze Man ook al gezien in het gezicht van hoofdstuk 8 (8:15), maar daar wordt er verder niet over uitgeweid.

 

Daniëls reactie bij het zien van de Man

De mannen die bij Daniël zijn vluchten en Daniël zelf wordt grauw van schrik en valt in een diepe slaap, met zijn gezicht op de grond. Je kunt dit benoemen als een extreme vorm van flauw vallen.

Let op: hij toont deze reactie bij het horen van de stem van de Man. Dit is dus een andere stem als die tot hem spreekt in vers 11.

 

Door wie wordt Daniël aangeraakt?

Daniël wordt aangeraakt en iemand begint tegen hem te praten (vers 11).

Vaak wordt gedacht dat dit de Man met linnen bekleed is (SV: ‘Hij’), maar toch denk ik dat het waarschijnlijker is dat het één van Zijn dienaren is.

-          Het is niet aannemelijk dat de Man met linnen (Christus) hulp nodig had van Michaël om stand te houden tegen de Vorst van Perzië (vers13).

-          Er wordt niet gezegd: ‘Zijn hand roerde mij aan’, maar: ‘een hand’.

-          In vers 11 staat dat de persoon gezonden is. Hij heeft dus een Zender; waarschijnlijk de Man.

 

Degene die Daniël aanraakt, is mogelijk Gabriël geweest

-          Dit is af te leiden uit het: ‘Daniël, zeer gewenste man’, wat ook in hoofdstuk 9:23 voorkomt en daar door Gabriël uitgesproken wordt.

-          Ook de woorden: ‘Nu ben ik uitgegaan’ (9:22), lijken op wat hier staat: ‘Ik ben alsnu tot u gezonden’.

 

Bovenaardse vorsten in gevecht

Daniël hoort dat al vanaf de eerste dag van zijn verootmoediging, dus 3 weken geleden, de engel naar Daniël was gestuurd.

Hij was echter 21 dagen opgehouden door de Vorst van Perzië en was nog geholpen door Michaël, een van de eerste vorsten.


Met de vorst van Perzië wordt waarschijnlijk geen aardse vorst bedoeld, ook al was Kores op dat moment de machthebber van de Meden en de Perzen. Een aardse koning zou een engel niet tegen kunnen houden en de engel had gewoon naar Daniël kunnen komen.

We moeten hier denken aan een boze, satanische macht, want ook Michaël strijdt mee tegen hem. Het is een hoge macht, want hij wordt net als Michaël ‘vorst’ genoemd.

Vanuit Kol.1:16 weten we dat er tronen, heerschappijen, overheden, machten zijn in de onzichtbare wereld van de hemelen.

 

De aardse vorsten worden geleid door hemelvorsten en daar waar de wereld in de Boze ligt, door boze hemelvorsten. Zo bestuurt de satan als overste van de macht der lucht (Ef.2:2) én overste van deze wereld (Joh.12:31, 14:30, 16:11) het gebeuren op aarde.

Tegenover deze boze vorsten heeft God andere hemelvorsten staan, zoals Michaël.

Michaël is een van de eerste vorsten. Hij is dus niet Christus Zelf, waarvoor men hem vaak houdt. Anders moest hij heten: de eerste Vorst. Nu staat er: een van de eerste vorsten, er zijn dus nog andere eerste vorsten.

Blijkbaar stond een boze hemelse macht Gabriël tegen om tot Daniël te komen. Gabriël ontving eindelijk steun van Michaël (Israëls Vorst, Dan.12:1) en brak door.

Met de woorden: ‘Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzië’ kan bedoeld worden: ‘Ik heb hem daar alleen gelaten’, of ook: ‘Zodat ik mij handhaafde bij de koningen van Perzië’ (d.w.z. dat hij de boze macht terugdrong).

 

Een boodschap voor de laatste dagen

Gabriël heeft een boodschap die gaat over Daniëls volk in de laatste dagen (10:14). Er wordt dus verwezen naar de toekomst. Het zal nog lang duren voor dit gezicht vervuld zal worden. We moeten er dus voor oppassen om het gezicht te betrekken op een eerdere tijd, bijvoorbeeld in de tijd van Antiochus Epiphanes.

 

Daniëls reactie

Als Daniël deze woorden van Gabriël hoort, wordt hij stom en slaat voorover neer.

Hij wordt daarop door iemand aangeraakt die lijkt op een mens. Daniël zegt in vers 16 ‘Mijn Heere’, wat doet vermoeden dat hij hier aangeraakt wordt door de Man zelf. Het woord ‘heer’ is echter een titel en hoeft niet persé God of Christus aan te duiden. Dat het ook hier weer niet de Man zelf is, blijkt uit Daniëls vraag: ‘Hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met mijn Heere?’ In Daniël is geen kracht over; hij vraagt zich verwonderd af, hoe Gabriël (de knecht van deze mijn heer) kan spreken tot de Man (die mijn heer). Opnieuw wordt hij aangeraakt en versterkt en Gabriël gaat verder om tegen Daniël te spreken (vers 20-21).

 

De strijd om Gods volk

Gabriël zegt, dat hij nog meer zal moeten strijden tegen de Vorst van Perzië. De opzet van deze satanische vorst is mogelijk om de terugkeer van het volk van Daniël naar hun land te verhinderen. Na deze strijd komt de Vorst van Griekenland, ook een hemelmacht, die Alexander en de verdere Griekse wereldmacht beheerst. Ook dan zal Gabriël beschermend moeten optreden. Alleen in verbinding met Michaël, zal hij het tegen de Vorst van Griekenland, wellicht nog geduchter dan die van Perzië, moeten opnemen.

 

We zien hier iets van de strijd die er is om Israël en in het verlengstuk daarvan om de Zoon van God, die uit dit volk geboren zal worden. Daniël bidt waarschijnlijk voor de terugkeer van zijn volk, maar boze machten proberen dit te verhinderen.

Al de vorsten van satan werken tegen. Ze werken zelfs elkaar tegen (Mark.3:24). Satan probeert het eerst via de vorst van Perzië en daarna weer via de vorst van Griekenland.

 

Hoofdstuk 11

 

De ik-persoon in hoofdstuk 11:1

‘Ik nu stond in het eerste jaar van Darius de Meder om hem te versterken en te stijven’. Omdat deze zin het vervolg is van 10:21, kan de ik-persoon niemand anders zijn dan degene die ook in hoofdstuk 10 aan het woord was, namelijk Gabriël. Zoals Michaël Gabriël later steunde tegen de vorst van Perzië, zo steunde hij destijds – in het eerste jaar van Darius de MederMichaël. Hoofdstuk 11:1 is dus een tussenvers waarin we horen wat de spreker twee jaar te voren gedaan heeft.

 

Van historie naar toekomst

Vanaf hoofdstuk 11:2 maken we kennis met de boodschap die Daniël bij dit gezicht ontvangt (10:14). Net als bij hoofdstuk 7 en 8 krijgen we hier te maken met feiten die in de historie vervuld zijn en zaken die nog vervuld moeten worden. Het gaat dus over een tijdperk met een enorme spanwijdte, beginnend bij de koningen van Perzië en Griekenland (11:2) en eindigend bij de eindtijd en de opstanding der doden (11:40, 12:2). Vrijwel alle bijbeluitleggers zijn het hier over eens.

De verschillen in uitleg concentreren zich rondom de breuk in deze profetie. Het is namelijk onmogelijk om deze passage geheel als vervulde profetie (historie) te zien, maar het eveneens onmogelijk om de overeenkomsten met de historie te verloochenen. Er moet dus ergens een breuklijn zitten. Maar waar? Sommigen trekken de scheidslijn tussen vers 4 en 5 (na de Diadochen); anderen doen dat tussen vers 35-36 en weer anderen tussen vers 20-21. Ik wil hier verderop op terugkomen.

 

Historische lijnen

Iedere kenner van de geschiedenis zal in de profetie van hoofdstuk 11 een groot stuk historie herkennen. Het begint met de oorlogen tussen de Perzen en de Grieken. In vers 2-5 gaat het onmiskenbaar over de periode vanaf Kores tot aan de Diadochen, die het rijk van Alexander de Grote onder zich verdeelden. Ook in hoofdstuk 8:20-22 lazen we al over deze periode.

 

Naar mijn mening geven de geschiedenisboeken voldoende grond om de historische lijn in hoofdstuk 11 door te trekken tot aan vers 20. We lezen hier over de strijd tussen de koningen van het noorden en het zuiden. De benamingen ‘zuiden’ en ‘noorden’ moeten gezien worden vanuit Palestina. De eerste koning van het zuiden is die van Egypte. Hiermee wordt Ptolemeüs bedoeld, één van de vier Diadochen, die zijn rijk vestigde vanuit Egypte. De eerste koning vanuit het noorden is dan Seleucus Nikator, de grondlegger van het Syrische rijk, ten noorden van Palestina. Seleuces breidde zijn heerschappij enorm uit. Hij voegde Babel en Medië bij Syrië. Door de oorlogen tussen de Ptolemeeën en de Seleuciden hebben de Joden veel moeten lijden. Ze waren nu eens aan Egypte, dan weer aan Syrië onderhorig. Wie het sterkst was, bezat Kanaän. Het volk Israël is, hoewel in vers 2-20 niet genoemd, dus nauw bij deze gebeurtenissen betrokken.

Wie alle details van vers 2-20 minutieus vertaald wil hebben in historische gegevens, kan het beste zelf een naslagwerk raadplegen. Dat zou ik eveneens moeten doen. De koning waarover in 11:19 gesproken wordt is Seleucus Filopater koning van Syrië. Hij is de zoon van Antiochus de Grote en de broer van Antiochus Epiphanes. Seleuces liet Heliodorus, een geldeiser, door zijn rijk trekken. Seleuces werd vergiftigd en zijn broer Antiochus werd koning in zijn plaats. Deze Antiochus kreeg de bijnaam ‘Epiphanes’, de Schitterende.

 


Waar ligt de scheidslijn?

Zoals ik al eerder zie wordt de historische waarheid van een groot deel van hoofdstuk 11 erkend door geschiedkundigen. Velen vinden het ontzagwekkend dat Daniël dit zo letterlijk heeft kunnen voorzeggen. Ergens in hoofdstuk 11 stopt echter de overeenkomst met de historie. Omdat deze profetie inderdaad een breukprofetie is, moeten we op zoek naar de scheidslijn tussen historie (vervulde profetie) en toekomst (onvervulde profetie).

 

Veel uitleggers kiezen ervoor om de scheiding te leggen tussen vers 35 en 36. Ze zien in de machthebber waarover gesproken wordt in vers 21-35 Antiochus Epiphanes, maar kunnen er niet omheen dat de koning waarover in 11:36 gesproken wordt iemand moet zijn die in de eindtijd zal voorkomen (11:40). Zij die voor deze uitleg kiezen, betrekken doorgaans ook de informatie over de ‘kleine horen’ uit hoofdstuk 8 letterlijk op Antiochus. Met de verachte man uit vers 21 zou Antiochus Epiphanes bedoeld worden, die in de troon beklom na Heliodorus verjaagd te hebben. Hij was veracht, omdat men de troon niet voor hem, maar voor zijn broer Demetrius had bestemd.

 

Ik deel deze visie echter niet, omdat er te veel gegevens zijn die niet letterlijk van toepassing kunnen zijn op Antiochus.

 

In hoofdstuk 8 zijn dat:

·         Antiochus heeft niet de confrontatie met de Vorst de vorsten meegemaakt (8:25). Zijn daden komen ook niet letterlijk overeen met de ambities van deze laatste vorst, wiens macht veel groter en wiens voorkomen veel demonischer zal zijn. Ook in Jes.14 en Ezech.28 zie je iets vergelijkbaars als het gaat over de satan die vergeleken wordt met een historische koning.

·         Volgens geschiedschrijver Flavius Josephus duurde de ontwijding van de tempel door Antiochus 1090 dagen, dus veel korter dan de 2300 dagen waarover in 8:14 gesproken wordt. Het kan hier dus niet over dezelfde tijd gaan, ook niet als we de tijd erbij nemen van de schoonmaak en vernieuwde wijding door de Makkabeeën.

·         Jezus voorzegt in Matth.24:15 dat de ‘gruwel der verwoesting op de heilige plaats zal staan’. Hier kan niet de ontwijding van de tempel door Antiochus mee bedoeld zijn, die al veel eerder plaats vond, maar er wordt gedoeld op iets wat in de toekomst staat te gebeuren. Een duidelijke beschrijving van deze periode vinden we in 2Thess.2:1-14.

·         Opvallend is ook de overeenkomst tussen de ontheiliging van het heiligdom, zoals beschreven in 8:11-14 en 12:11. Het zou merkwaardig zijn als alleen hoofdstuk 8, te midden van profetische boodschappen over de eindtijd, betrekking zou hebben op een periode die al zo lang voorbij is.

·         Zowel in 8:17; 11:35+40; 12:4+9 wordt gesproken over de ‘eindtijd’. Waarom zouden we de eerste aanduiding niet letterlijk nemen en de laatste niet? Laten we bij het uitleggen consequent blijven!

 

In hoofdstuk 11 zijn dat:

·         In vers 21 staat dat deze koning het koninkrijk door vleierijen zal bemachtigen. Dit is niet op Antiochus van toepassing, die door juist op brute wijze de volken zijn wil heeft opgelegd.

·         Uit vers 31 blijkt, dat de verachte het gedurig offer zal wegnemen en de verwoestende gruwel zal oprichten. De gruwel der verwoesting moet volgens Matth.24:15-16 nog geplaatst worden.

·         De vorst des verbonds waarover in vers 22 gesproken wordt, is niet aan te wijzen in de rij van historische koningen

·         Het ‘met stilheid’ (11:24) lijkt te corresponderen met de ‘stille rust (8:25) waarmee de machthebber van de ‘kleine horen’ te werk zal gaan.

 

Net als in hoofdstuk 8 moeten we hier tot de conclusie komen dat we in Antiochus Epiphanes wel een sterke voorafschaduwing kunnen zien van een machthebber die in de laatste dagen zal optreden. Uitleggers die dit alles letterlijk op Antiochus betrekken, zeggen vaak dat Daniël hier heeft nagelaten om voldoende feiten te geven die de historische uitleg bevestigen, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat het hier niet over historie gaat. Op zich is dit een goed argument, ware het niet dat Daniël in de rest van zijn toekomstbeschrijvingen uiterst nauwkeurig te werk gaat. En waarom zou dat juist op dit punt dan niet het geval zijn? Trouwens: hoe kun je ooit uitleggen dat het t/m vers 35 over Antiochus gaat en dan in vers 36 opeens over iemand die in de eindtijd zal optreden? De samenhang tussen vers 21-35 en vers 35 en verder is overduidelijk.

 

Andere uitleggers trekken de scheidslijn al tussen vers 4 en 5. Ze erkennen dat het vanaf vers 21 niet letterlijk over Antiochus kan gaan en geven daarmee dus toe dat het daar over toekomstige zaken gaat. Omdat er tot in de eindtijd (11:40) nog steeds over de oorlogen tussen de koningen van het noorden en zuiden geschreven wordt, zien ze alles vanaf 11:5 als één geheel. Op zich is dit een veel consequentere benadering dan de eerstgenoemde.

 

Er is nog een derde uitleg; eigenlijk een variant op de tweede. De historische lijn wordt iets verder doorgetrokken, tot aan vers 20 en pas vanaf vers 21 gaat het letterlijk over de toekomst. Zelf voel ik voor deze uitleg het meeste. De overeenkomsten tussen vers 5-20 en de historie zijn te duidelijk om te negeren.

 

De koning uit 21-45

Als we hoofdstuk 11 vanaf vers 20 betrekken op de toekomst, zijn we de historische onjuistheden met betrekking tot Antiochus kwijt en vinden we aansluiting bij vele passages die gaan over de eindtijd. We hebben het dan over het Beest en de periode van de Grote Verdrukking.

Dit sluit nauw aan bij de uitspraak van Gabriël (10:14) dat hij gekomen is om Daniël mee te delen wat in het laatste der dagen gebeuren zal.

 

De verachte man, die koning zal worden (11:21), zal in eerste instantie zijn macht vestigen en vele volken veroveren, maar later (vanaf 11:30) zich ook richten tegenover het heilig verbond, het dagelijks offer en uiteindelijk ook tegen de God der goden. Als een verachte komt hij op, als eigenwillige koning doet hij naar zijn welgevallen, als staande tegen de Vorst der vorsten wordt hij verbroken.

 

Wie is deze koning?

Ik kies ervoor om vers 21-45 niet als losstaand geheel in detail uit te werken. Ik acht het gevaar groot dat we dan van exegese vervallen in fantasie. Het lijkt me veel beter om vanuit heldere passages die over de eindtijd gaan naar dit stuk te kijken. Puur exegetisch gezien kan dit niet, want ik ga nu uit van de aanname dat bepaalde passages corresponderen met dit moeilijke stuk uit Daniël 11. Ik doe dit op basis van wat ik al eerder ontdekt heb over de eindtijd. Kort gezegd komt het hierop neer dat ik het verhaal uit Dan.11:21-45 kan plaatsen binnen dat wat ik in andere passages heb gelezen. Laat een ieder zelf beoordelen zelf of dit gevoelen juist is.

 

Hieronder zet ik wat gegevens op een rij uit Openbaringen, 2 Thessalonicenzen 2, Mattheüs 24 en de eerste brief van Johannes. Naar mijn overtuiging heeft dit alles te maken met de koning waar we naar op zoek zijn.

 

Openbaringen 12 t/m 20

 

De draak

12:3                        Een draak in de hemelen: 7 hoofden, 10 horens, 7 hoeden op de hoofden

12:9+13                  De draak wordt op de aarde geworpen, met zijn engelen

12:912                    De draak is de duivel zelf

12:13+17                De draak vervolgt de vrouw en haar nakomelingen

 

Het beest uit de zee

13:1                        Een beest komt op uit de zee: 7 hoofden, 10 horens, 10 hoeden op de horens

13:2+4                    Het beest is niet de draak zelf

13:4                        De draak geeft het beest macht

13:1, 5-6                 Een eigenschap van dit beest: lastering

13:7-8                     Wereldwijde macht een heerschappij

 

Het beest uit de aarde / de valse profeet

13:11-12                 Een beest komt op uit de aarde; stimuleert dienstbaarheid aan het eerste beest

16:13                      Wordt hier de valse profeet genoemd. Vergelijk 19:20 met 13:13+16

 

Wie is het beest uit de zee?

17:11-13                 Relatie tussen dit beest een aardse machthebbers. Zie ook 19:19

17:11                      Dit beest is een koning, de achtste koning.

17:12                      Ten tijde van hem zullen er 10 andere koningen zijn

17:13                      Hij zal een wereldleider zijn

17:14                      Het beest en de andere koningen zullen strijden tegen het Lam en Zijn heiligen

 

Bij de eindstrijd

19:16                      Het Lam zal komen om te strijden. Zie ook de omschrijving bij 17:14

19:14                      Het Lam zal komen met Zijn hemelse legers

19:19                      Het beest en de koningen der aarde voeren oorlog tegen het Lam en Zijn leger

19:20                      Het beest en de valse profeet worden gegrepen en in de poel van vuur gegooid

20:1-3                     De draak wordt gegrepen en voor 1000 jaren gebonden

 

2 Thessalonicenzen 2:1-12

Vers 3                    De dag des Heeren komt na de afval en de openbaring van de zoon der verderfs

Vers 4                    Kenmerken van de zoon des verderfs: verheffen, in tempel zitten

Vers 6-7                 De zoon des verderfs wordt nu nog weerhouden. Reden: Op.12:9

Vers 8                    De zoon des verderfs zal bij de verschijning van Christus’ komst verdwijnen

Vers 9                    Zijn werk is naar de werking van de satan Het beest

Vers 10-11             Mensen zullen de leugens geloven door de kracht van een dwaling De profeet

 

Mattheüs 24

Vers 3+14              De zaken die gaan over de toekomst en het einde

Vers 15                  De gruwel der verwoesting op de heilige plaats, door Daniël voorzegd

Vers 21                  Een grote verdrukking, zoals er nog nooit geweest is

Vers 24                  Valse christussen en valse profeten zullen de gelovigen willen verleiden (24:5+11)

Vers 29-30             Na die verdrukking zullen er krachten zijn en dan komt de Zoon des mensen

 

1 Johannes

2:18                        ‘Het is de laatste ure’; De antichrist en de antichristen;

4:1                          De valse profeten

 

Daniël

3:6                          Voorafschaduwing van de grote verdrukking

11:31; 12:11           De gruwel in plaats van het dagelijks offer

 

Ook in hoofdstuk 7 en 8 kwamen we deze machthebber al tegen:

 

De machthebber van de ‘kleine horen’ in hoofdstuk 7 zal:

- een mond vol grootspraak hebben tegen de Allerhoogste (8, 20, 25)

- strijd voeren tegen de heiligen en sterker zijn dan zij (21, 25)

- tijden en wet veranderen (25)

 

De machthebber van de ‘kleine horen’ in hoofdstuk 8 zal:

- macht hebben die reikt tot aan het heer van de hemel (10)

- er van het heer van de hemel (de sterren) ter aarde doen vallen en vertrappen (10)

- zich groot maken tegen de Vorst van het hemelse heer (11)

- het dagelijkse offer van de Vorst afnemen (11)

- de heilige woning van de Vorst neerwerpen (11)

- een eredienst instellen tegenover het dagelijkse offer (12)

- de waarheid ter aarde werpen (12)

 

Terug naar hoofdstuk 11 van Daniël

Leggen we deze gegevens naast bijvoorbeeld de verzen 28, 31 en 36, dan lijken er overeenkomsten te zijn. Naar mijn mening is de koning uit Dan.11 dezelfde als het beest uit Openbaringen en de zoon des verderfs of de wetteloze uit 2Thess.2 en de antichrist waarover Johannes spreekt in zijn eerste brief.

De verschillende manieren waarop er over deze koning wordt gesproken hebben te maken met het punt (perspectief) wat in de betreffende passage belicht wordt.

·         In Dan.11 is het beest de veroveraar, die steeds verder gaat in zijn ambities en uiteindelijk zijn handen zal slaan aan het heilige zaken.

·         In Openbaringen is het beest een wereldleider, die namens de duivel op aarde opereert en lijnrecht staat tegenover de gelovigen.

·         In 2Thess. en 1Joh. Is het beest de verleider.

·         In Matth.24 wordt ons de grote verdrukking beschreven in relatie tot het volk Israël.

 

Afronding

De aantekeningen bij deze studie zijn niet zo compleet als bij andere studies wel het geval is. Het laatste stuk van hoofdstuk 11 verdient een grondiger uitwerking. Het incomplete resultaat heeft allereerst te maken met mijn voorzichtigheid om te veel dingen in de tekst te leggen die er wellicht niet in liggen.

 

Laat ik als klein voorbeeldje voor mijn voorzichtigheid het begin van hoofdstuk 12 noemen. Daar wordt gesproken over een (één?!) opstanding. In 1Kor.15, 1Thess.4 en Op.19-20 vinden we echter aanwijzingen voor niet één, maar minstens twee opstandingen…

 

Op dit moment heb ik niet meer ‘licht’ over deze zaken. Ik heb vaak gemerkt dat na verdere studie in andere bijbelgedeelten later het inzicht gegroeid kan zijn in bepaalde materie. Ik sluit niet uit dat dit ook hierin het geval zal zijn. We blijven leren!

Op dit moment laat mijn agenda het me ook niet toe om er meer tijd in te stoppen. Andere thema’s vragen mijn aandacht.

 

< Wordt (waarschijnlijk dus een keer) vervolgd >