|
De gezichten van Daniël 7 en 8 Aantekeningen bij
bijbelstudie 6 over het boek Daniël; Lunteren
seizoen 2006-2007 |
|||||
|
|
|||||
|
Index 1. De traditionele uitleg getoetst 1.1.
Overeenkomsten tussen hoofdstuk 2 en 7 1.2. Geen
vier, maar vijf rijken 1.3.
Verschillen tussen hoofdstuk 2 en 7 1.4. De keus
voor een uitleg en de gevolgen 2. Hoofdstuk 7 2.1.
Overeenkomsten met de historische lijn 2.2.
Vragen bij de historische lijn 3. Hoofdstuk 8 3.1.
Overeenkomsten tussen hoofdstuk 7 en 8 3.2.
Overeenkomsten met de historische lijn 3.3.
Vragen bij de historische lijn 1. De
traditionele uitleg getoetst Zowel in hoofdstuk 2 als in
hoofdstuk 7 vinden we een profetie over de wereldrijken. Doorgaans worden
deze profetieën bij de uitleg over elkaar heen gelegd en wordt de profetie in
hoofdstuk 7 gezien als een meer gedetailleerde herhaling van de profetie in
hoofdstuk 2. Er zijn inderdaad goede redenen om deze hoofdstukken zo te
lezen. ·
In beide
hoofdstukken lijkt het te gaan over vier rijken, de ene keer gesymboliseerd
door lichaamsdelen van een mens en de andere keer door dierlijke wezens. ·
In beide
gevallen vindt tijdens het laatste rijk de confrontatie met het rijk van
Christus plaats. ·
Treffend zijn
ook de overeenkomsten tussen voorzegging van de rijken in hoofdstuk 7 en het
verloop van de historie. 1.1. Overeenkomsten tussen hoofdstuk 2 en 7 Een
en ander bij elkaar voegend komen we dan tot het volgende overzicht: |
|||||
|
Hoofdstuk 2 |
|
Hoofdstuk 7 |
|||
|
Een
groot beeld |
|
Vier
dieren |
|||
|
Hoofd
van goud |
Het
rijk van Nebukadnezar: Babel |
De
leeuw met adelaarsvleugels |
|||
|
Borst
en armen van zilver |
Het
rijk van de Meden en Perzen |
De
beer met drie ribben tussen zijn tanden |
|||
|
Buik
en dijen van koper |
Het
rijk van de Grieken |
Het luipaard met de vier koppen |
|||
|
Benen
van ijzer en voeten van ijzer en leem |
Het
rijk van de Romeinen |
Het
gruwelijke dier |
|||
|
De
steen die de rijken zal verbrijzelen. |
Het
eeuwige rijk van Christus wat zal opgericht worden |
Het
gericht van de Allerhoogste en het eeuwige rijk wat opgericht zal worden |
|||
|
Overige
punten van vergelijking, die het verband tussen de hoofdstukken onderstrepen,
zijn: ·
Zowel
Nebukadnezar als Daniël ontvangen dit gezicht op
bed. ·
Eerst de droom
in beelden, daarna de uitleg. ·
Nebukadnezar
ziet de vier rijken in hun grootheid en uiterlijke verschijning, zoals de mens
ze ziet. Daniël ziet de vier rijken naar hun karakter, zoals God ze ziet. ·
Nebukadnezar
ziet de afnemende glorie van de rijken; Daniël ziet de toename in geweld en
kracht van de rijken. ·
In hoofdstuk 2
ligt het accent op het eerste rijk en de vernietiging van de rijken in de
tijd van het vierde; in hoofdstuk 7 ligt het accent op het laatste rijk. 1.2. Geen vier, maar vijf rijken Bij
het bestuderen van het boek Daniël heb ik lange tijd de bovenstaande uitleg
gevolgd, maar omdat er te veel vragen overbleven en ik ook allerlei
uitlegkundige bochten moest gaan maken om de lijn tot het einde toe te kunnen
volhouden, ben ik blijven zoeken naar een betere uitleg. Uiteindelijk kwam ik
die op het spoor nadat ik geconstateerd had dat ik bij de bijbelstudie over Nebukadnezar
(bijbelstudie 3 van deze serie) geen goede studie van de profetie over het
beeld (hoofdstuk 2) gemaakt had. Conform alle bijbelverhalen en preken die ik
altijd gehoord had, nam ik tot nog toe steeds aan dat het beeld vier
opeenvolgende rijken uitbeeldde. Er worden echter geen vier, maar vijf rijken
beschreven. ·
Het rijk van het hoofd van goud,
waarmee het koninkrijk van Nebukadnezar bedoeld wordt. ·
Het volgende
rijk, uitgebeeld door de borst en armen van zilver. ·
Het volgende
rijk, uitgebeeld door de buik en dijen van koper. ·
Het volgende
rijk, uitgebeeld door de benen van ijzer. ·
Het laatste
rijk, uitgebeeld door de voeten van ijzer en leem. Vaak wordt gezegd dat het
rijk van de voeten behoort tot het rijk van de benen. Het ‘dit’ in 2:41 slaat
echter op het rijk wat in dit vers besproken wordt en niet dat waarover het
in vers 40 ging. Ik ben de gedachte van de
vijf rijken al eerder tegengekomen bij degenen die de gedachte aanhangen dat
het laatste rijk, als geestelijke voortzetting van de macht van Rome, het
‘rijk’ van de paus is, waaruit dan voorvloeit dat de paus de antichrist zal
zijn. De onderbouwing van deze visie heeft me toen niet kunnen overtuigen en
ik heb daarmee ook de optie van vijf rijken uit mijn hoofd gezet. Nu kom ik
toch weer op de vijf rijken terug en wil ik vanuit dit standpunt de andere
profetieën in het boek Daniël blijven benaderen. 1.3.
Verschillen tussen hoofdstuk 2 en 7 Ik zal eerst –
vooruitlopend op de nadere uitleg – nog een aantal redenen noemen waarom de
traditionele uitleg mank gaat. ·
Het beeld wat
in hoofdstuk 2 beschreven wordt, wordt uiteindelijk helemaal door de steen
vermalen (2:35). In 2:43-44 staat dat God in de dagen van het laatste
koninkrijk een eeuwig koninkrijk zal oprichten, wat al de genoemde
koninkrijken zal verbrijzelen. Er wordt dus gesproken over opeenvolgende
koninkrijken, maar in de toekomst zullen ze tegelijk ‘vermalen
worden’. Daniël openbaarde aan Nebukadnezar de opeenvolging en stelde vast
dat de rijken in de toekomst weer gelijktijdig aanwezig zouden zijn, maar
ontving geen details over die slotfase. ·
In Dan.7:17
wordt gesproken over rijken die zullen
opkomen. Daniël krijgt dit gezicht in het eerste jaar van Belsazar,
tien jaar voor de val van Babel. Hoe kan het eerste rijk wat hier genoemd
wordt het Babel zijn uit Daniël tijd, als op dat moment het hoogtepunt van
Babel al lang voorbij is en ook Nebukadnezar al lang overleden is. In het
beeld van hoofdstuk 2 is Nebukadnezar echter het gouden hoofd (2:37-38) en
wordt dus over het Babel van die tijd gesproken. ·
Tijdens het
laatste dier zal de confrontatie met het koninkrijk van God plaatsvinden. De
feiten die we over dit koninkrijk lezen (2:44; 7:13-14; 27) wijzen allemaal
naar de oprichting van het Messiaanse rijk, waarover de Bijbel veelvuldig
spreekt. Toen Christus echter kwam – als Lijdende Knecht – was er wel het
Romeinse rijk, maar vestigde Hij niet dat koninkrijk. ·
Daniël verstond
de droom die Nebukadnezar kreeg (2:19-23) omdat God het hem openbaarde, maar
bij het zien van het gezicht van hoofdstuk 7 weet hij niet waar het over gaat
en heeft hij uitleg nodig (7:16; 8:15). Dit wijst erop dat het in hoofdstuk 7
over een nieuwe openbaring gaat en niet over een herhaling van het gezicht
van hoofdstuk 2. ·
De rijken die
in hoofdstuk 2 beschreven worden, bestaan na elkaar, maar in hoofdstuk 7
wordt gesproken over vier dieren die gelijktijdig uit de zee opkomen en
blijkbaar ook gelijktijdig bestaan. Het vierde dier vertreedt de overige (vers 7). Ook bij het oordeel zijn ook alle
dieren aanwezig (7:11-12), hoewel de straf van het vierde dier in het
bijzonder genoemd wordt. 1.4. De
keus voor een uitleg en de gevolgen Bij de bespreking van de
hoofdstukken 7 t/m 12 zal ik de bovenstaande argumenten verder uitwerken. Samengevat
komt het hier op neer dat het in hoofdstuk 7 niet gaat om de zelfde rijken en
hun historische verloop, zoals al in hoofdstuk 2 wordt beschreven. In hoofdstuk 2 vinden we
het hele panorama geschilderd van het verloop van de geschiedenis vanaf Daniël
tot aan de oprichting van het rijk van Christus. Omdat het Romeinse rijk al
verleden tijd is, zal het vijfde rijk wel het rijk móeten zijn wat bestaat
bij de komst van Christus op de wolken (7:13). Naar mijn mening gaat het in
hoofdstuk 7 over deze laatste (vijfde) periode, waarin nog heel wat staat te
gebeuren. Ook in hoofdstuk 8 en 10-12 vinden we een uitwerking van deze
periode. Als ik kies voor de
traditionele uitleg, blijf ik met een aantal vragen zitten; bijvoorbeeld: ·
Als het
Romeinse rijk dan het vierde en laatste rijk moet zijn, wie zijn dan die tien
koningen waarover in hoofdstuk 7 gesproken wordt? ·
Als het
Romeinse rijk dan het vierde en laatste rijk moet zijn, waarom werd dan bij
de komst van Christus op aarde het Messiaanse koninkrijk dan niet gevestigd? ·
Als het in
hoofdstuk 7 gaat over opeenvolgende rijken, hoe verklaar ik dan het feit dat
alle rijken aanwezig zullen zijn bij de komst van Christus op de wolken? Als ik kies voor de – voor
mij – ‘nieuwe’ uitleg, worden ook niet alle vragen opgelost. De gezichten die
in de hoofdstukken 7 t/m 12 beschreven worden passen wel veel beter in
elkaar. Omdat ik de vervulling van deze gezichten niet meer in het verleden
situeer, ben ik bijvoorbeeld het vraagstuk kwijt rondom de persoon van Antiochus Epiphanes. Een enorm
pré voor de traditionele uitleg is dat de gezichten van hoofdstuk 7 en 8 vrij
goed matchen met de historische gebeurtenissen rondom de Perzen en Grieken.
Het boek Daniël geeft veel aanleiding tot schriftkritiek, maar hier moeten
historici toch toegeven ‘dat hij het bij het goede eind had met zijn
profetieën’. Omdat ik echter geloof dat het hier gaat over – nog steeds
– toekomstige rijken, moet ik
uitleggen hoe het komt dat gebeurtenissen die in de toekomst nog plaats
moeten vinden, zo veel lijken op gebeurtenissen die in het verleden gebeurd
zijn. Daarbij komt dat ik veel dingen niet concreet zal kunnen maken, omdat
ze nog moeten gebeuren. 2. Hoofdstuk 7 2.1. Overeenkomsten met de historische lijn De
gebeurtenissen die in dit hoofdstuk voorzegd worden, vertonen treffende
overeenkomsten met het verloop van de geschiedenis vanaf Daniël. Er lijkt
gesproken te worden over de vier opeenvolgende wereldrijken: Babel, het Medo-Perzische rijk, het Griekse rijk en het Romeinse
rijk. De vier koningen (vers 17) zijn dan de vier hoofdvorsten van ieder
rijk: Nebukadnezar, Darius de Grote, Alexander de
Grote en keizer Augustus. ·
Het
Babylonische rijk bestond van het jaar 606 tot 538 voor Christus. ·
Het Medo-Perzische rijk bestond van 538 tot 331 voor Christus. ·
Het Griekse of
Macedonische wereldrijk duurde van 331 tot 168 v. Christus. ·
Het Romeinse
rijk bestond van 168 v. Chr. tot 476 na Christus. Het eerste rijk, wat wordt
voorgesteld door een leeuw met adelaarsvleugels, zou Babel kunnen zijn. De leeuw
beeldt macht, majesteit en snelheid uit. Wat het goud onder de metalen is, is
de leeuw onder de dieren, namelijk de koning der dieren. Net als de leeuw,
blijkt ook het machtige Babylonische rijk niet onaantastbaar. De vleugels
worden uitgerukt. Het dierenhart maakt plaats voor een mensenhart, wat wijst op het verkrijgen van inzicht in bestuur en
regering. De leeuw was een geliefd
beeld in het oude Babel. Je ziet dat bijvoorbeeld terug bij de
processiestraat van Babel in het Berlijns Museum,
waar niet minder dan 120 leeuwengestalten te zien zijn. Het tweede rijk, wat wordt
voorgesteld door een beer die zich op één zijde opricht, zou het Medo-Perzische rijk kunnen zijn. Eerst heersen de Meders over dit rijk, maar later werd de macht
overgenomen door de Perzen. Het Perzische deel verhief zich boven het
Medische deel van het rijk. Dit rijk gedroeg zich wreder dan Babel. Met de
drie ribben in de muil van de beer kunnen de veroveringen van Lydië, Babel en Egypte bedoeld zijn. Het derde rijk zou het rijk
van de Grieken kunnen zijn. Het wordt uitgebeeld door een panter met vier
vogelvleugels. De panter behoort tot de snelste roofdieren, een panter met
vogelvleugels op de rug moet dus uiterste snelheid voorstellen. De snelheid
waarmee het Griekse rijk zich vestigde en uitbreidde, is in de geschiedenis
inderdaad ongeëvenaard. In een periode van ruim tien jaar strekte het zich
uit tot de Indus in het oosten en tot over de Nijl in het zuiden. De grootste koning van dit rijk is
zonder twijfel Alexander de Grote geweest. De panter heeft vier
koppen. Dit zou kunnen duiden op de dood van Alexander de Grote, die
opgevolgd wordt door zijn vier generaals, die het rijk onderling verdelen. Het vierde rijk wordt
voorgesteld door een gruwelijk dier. De wreedheid, vernielzucht en roofzucht
ervan zijn onvoorstelbaar. Hiermee lijkt het Romeinse rijk ten voeten uit
getekend. De bloeddorst van de Romeinen werd niet alleen zichtbaar in hun
oorlogen, maar ook de volksvermaken (in de arena’s) dropen van het bloed. Dit
rijk was het meest heerszuchtige wereldrijk. Zelfs tot op heden hebben de
ijzeren wetten van de Romeinen nog hun invloed (denk bijvoorbeeld aan de
rechtspraak). Samenvattend
kan gezegd worden dat er verschillende elementen zijn die pleiten voor een
historische lezing van dit hoofdstuk. 2.2. Vragen bij de historische lijn Ondanks
de overeenkomsten met de rijken in het verleden, blijken er ook veel vragen
over te blijven. 1.
De vier dieren komen tegelijk op uit de zee (vers 2-3). Hoe moeten we
dit rijmen met de vier historische rijken, die elkaar binnen een tijd van pakweg 500 jaar opvolgden en opslokten. Er waren momenten
dat twee rijken om de alleenheerschappij vochten, maar nooit is er één moment
geweest waarin er meer dan twee van deze rijken tegelijk bestonden. 2.
Het tegelijk bestaan van de rijken komt opnieuw terug in vers 7 en 11-12, waar gezegd wordt dat het vierde dier de overige drie zal vertreden en daarna dat van alle vier
de dieren de heerschappij weggenomen wordt. Opnieuw een aanwijzing dat we het
‘tegelijk opkomen van de dieren uit de zee’ niets anders kunnen opvatten dan
het tegelijktijdig bestaan
van deze vier dieren c.q. koningen. 3. Hoe kan met het eerste dier het rijk van Babel
bedoeld worden, als op dat moment het hoogtepunt van Babel al lang voorbij is
en ook Nebukadnezar al lang overleden is? In Dan.7:17 wordt gesproken over
koningen die zullen opkomen. Daniël
krijgt dit gezicht in het eerste jaar van Belsazar,
tien jaar voor de val van Babel. In het beeld van hoofdstuk 2 is Nebukadnezar
echter het gouden hoofd (2:37-38) en wordt dus wel over het Babel van die
tijd gesproken. Het rijk van de leeuw met arendsvleugelen kan echter niet het
Babel van die tijd zijn. 4.
Deze profetie reikt duidelijk tot aan de komst van het Messiaanse
koninkrijk, de periode van de regering van Christus op aarde, samen met de
heiligen. Ook de gebeurtenissen rondom het laatste dier wijzen daarop. In het verleden heeft het Romeinse rijk weliswaar
ook op wrede wijze christenen vervolgd, maar wat hier aan vervolgingen
beschreven wordt, ziet onmiskenbaar op de eindtijd. Als met het vierde dier het Romeinse rijk bedoeld zou worden, dan zou
het rijk van Christus al lang gekomen moeten zijn. Het Romeinse rijk bestaat
echter niet meer en de profetieën over het Messiaanse rijk wachten nog steeds
op hun vervulling. Sommigen lossen dit probleem op door erop te wijzen dat
het Romeinse rijk in de eindtijd weer hersteld zal worden. In de eenwording
van Europa met de landen in het Midden-Oosten (via Turkije) ziet men dit
herstel werkelijkheid worden. 5.
Als het we het laatste dier vertalen met het Romeinse rijk, komen we in
de problemen met de tien koningen die uit dit rijk zullen opstaan, opgevolgd
door de ‘kleine horen’ die in plaats van drie van de
tien koningen zal komen. Het is nog nooit iemand gelukt om een historisch
overzicht te maken van tien – zelfs elf – opeenvolgende Romeinse heersers,
vanaf het Griekse rijk tot aan de komst van Jezus Christus op aarde. 6.
Er wordt in hoofdstuk 7 gesproken over dieren die koningen voorstellen
(vers 17), maar nergens wordt de naam van een rijk genoemd. In hoofdstuk 8
wordt wel duidelijk dat het gaat over de rijken van de Meden-Perzen
en Grieken. Het is goed mogelijk dat
met de vier koningen uit hoofdstuk 7:17 de vier belangrijkste vorsten van
ieder rijk bedoeld worden; zij die de rijken tot bloei brengen of regeren op
het hoogtepunt van een rijk. 7.
Ter verdediging
van de visie dat het vierde dier wel het Romeinse rijk moet zijn, wordt wel
aangevoerd dat de tien horens overeenkomen met de ‘tien tenen’ van het beeld
uit hoofdstuk 2. In hoofdstuk 2 wordt echter niet gesproken over ‘tien tenen’
afzonderlijk, maar gewoon over de voeten van het beeld. Bovendien wordt bij
het vierde dier niet gesproken over 10, maar over 11 vorsten. Ook hier gaat
de overeenkomst dus mank. Als
ik het bovenstaande samenvoeg, kom ik tot de volgende conclusies: ·
De vier dieren stellen vier koningen (mogelijk rijken) voor, die
tegelijkertijd zullen bestaan. ·
Deze rijken zullen bestaan ten tijde van de wederkomst van Christus en
zij zullen dan het oordeel ondergaan. ·
Als we ervan uitgaan dat de rijken van het beeld in hoofdstuk 2 de hele
geschiedenis vanaf Nebukadnezar tot op het aanbreken van het Messiaanse rijk
bestrijken, moet met de dieren van hoofdstuk 7 wel het vijfde rijk bedoeld
zijn, het rijk van de voeten van ijzer en leem. De macht van dit laatste rijk
krijgt gestalte ná het verdwijnen van het Romeinse rijk en vóor het aanbreken van het Messiaanse rijk. De profetie van Daniël 7 zal dus in vervulling gaan in de aioon
waarin wij nu leven (Luk.20:34-35; Gal.1:4: Ef.1:21). Zowel
de zee als de vier winden hebben een symbolische betekenis. Dat blijkt al uit het feit dat de dieren die niet
letterlijk uit het water klimmen. De vier dieren komen op uit
de grote zee. In Palestina werd onder de grote zee de Middellandse Zee
verstaan. Het zal dus waarschijnlijk gaan om rijken, die hun macht uitoefenen
rondom het gebied van de Middellandse Zee. Met ‘zee’ kan ook de ‘volkerenzee’
in het algemeen bedoeld zijn (vergelijk met Jes.17:12; 57:20; 60:5; Jer.51:42;
Ezech.26:3; Op.17:15). Het accent in hoofdstuk 7
ligt op het vierde dier en dan met name op de
machthebber van de elfde horen. Daniël vraagt hier specifiek naar. Deze horen
wordt gekenmerkt door ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak. Door een horen wordt een
koning of regeerder wordt voorgesteld. Deze machthebber zal dus blijkbaar
inzicht (mensenogen) combineren met hoogmoed (een mond vol grootspraak). Een bijzonder kenmerk van
het vierde dier is dat het onder leiding van de elfde horen de strijd
aanbindt tegen de heiligen en hen overwint. Bij de vorige drie dieren lazen
we daarvan niets! De laatste machthebber
gebruikt de macht dus niet alleen om gebiedsuitbreiding te krijgen, maar
keert zich ten slotte tegen God en vervolgt het volk van God. Alles wijst
erop dat het hier gaat om zaken die in de eindtijd zullen gebeuren. De machthebber die wordt
voorgesteld door de elfde horen, zal de heiligen
vervolgen. Verder staat er van hem dat hij er op uit zal zijn tijden en wet
te veranderen en dat zij in zijn macht gegeven zullen worden voor ‘een tijd,
tijden en een halve tijd’. We komen deze omschrijving ook tegen in hoofdstuk
12:7. In het boek Daniël vinden we meerdere keren een beschrijving van de
zaken die zullen vooraf gaan aan de komst van de Messias. In Dan.9:27 wordt
gesproken over een halve week, waarin de offerdienst zal stilgelegd worden
door een ‘hij’ die voortkomt uit een volk van vorsten (9:26). Ook in Op.12:14
en 13:5 lezen we (naar mijn mening) over zaken die in deze periode zullen
gebeuren. De ‘tijd, tijden en een halve tijd’, waarin de vrouw (Israël) en de
heiligen door de draak vervolgd worden, worden daar gelijkgesteld aan 42
maanden. Een periode van 42 maanden is dan gelijk aan ‘een
tijd, tijden en een halve tijd’, wat betekent dat het hier gaat over een
periode van 1260 dagen ofwel 3 ½ jaar. Met de ‘weken’ uit Dan.9 worden
geen weken van zeven dagen bedoeld, maar weken van zeven jaren; jaarweken. In
Dan.10:2-3 (SV) gaat het wel letterlijk over ‘weken der dagen’ (= weken die
uit dagen bestaan). In de laatste bijbelstudie kom ik op deze jaarweken
terug. Het machtsblok in de
eindtijd gaat ten onder door het gericht wat God er over brengt. Hij die eenmaal alle gezag in handen van Nebukadnezar legde
(Dan. 2:37, 38), zal dit gezag van de mens terugeisen en in handen leggen van
Jezus Christus, de Mensenzoon. Dit zal gebeuren als ‘de vierschaar zich zal nederzetten’. Dit
oordeel zal plaatsvinden bij de komst van Jezus in heerlijkheid. Daarna zal
het rijk van Christus worden opgericht. Uit dit gedeelte blijkt
duidelijk dat het rijk van Christus niet in het verleden is opgericht, maar
zal gevestigd worden bij zijn verschijning in heerlijkheid (bij de laatste
bazuin – Op.10:7, 11:15, 12:10). Dit rijk zal duren tot in
eeuwigheid, letterlijk: ‘tot in de aioon’. Met het woord ‘eeuwig’ wordt hier
dus niet bedoeld dat dit rijk oneindig zal zijn, maar dat het er zal zijn in
een bepaalde periode (zie ook Luk.20:34-35 en Ef.1:21). Hier zien we een goed
voorbeeld van breukprofetie. Vanuit het profetieën van het Oude Testament
lijkt het doorgaans alsof er maar één komst van de Messias zal zijn. De komst
van de Lijdende Knecht en die van de Verheerlijkte Koning worden niet
onderscheiden. De heerschappij van ‘het
rijk van de Steen’ zoals beschreven in hoofdstuk 2, is nog steeds onvervulde
profetie. Het gaat hier niet om het Koninkrijk (Kol.1:13) waartoe iedereen
behoort die gelooft, maar om de zichtbare aanwezigheid van het Messiaanse
rijk op aarde. De
eindtijdgebeurtenissen die in hoofdstuk 7, maar ook in hoofdstuk 8 beschreven
worden, komen overeen met vele Bijbelpassages. Vooral de verdrukking die het
volk Israël in die tijd zal moeten meemaken krijgt in de Bijbel veel
aandacht. Denk aan Zach.9-14 of aan Matth.24-25. Ook de christelijke gemeente wordt erover ingelicht (1Joh.2:18;
2Thess.2:1-14). Tot slot geeft ook het boek Openbaringen hier veel
informatie over. Moeilijker wordt het als we
onszelf proberen voor te stellen hoe al die aardse machthebbers er in de
laatste dagen tegelijk zullen zijn. Vanuit Daniël 7 wordt duidelijk dat het
zal gaan om een manifestatie van allerlei machthebbers in het Midden-Oosten,
waarschijnlijk in de geest van alle vier de rijken die in hoofdstuk 2 genoemd
worden. Hoe kan dat gebeuren? Laat ik slechts wijzen op het feit dat in
Openbaringen steeds gesproken wordt over Babel als tegenhanger van God
(Op.17-18). ‘Babel’ heeft in ieder geval een geestelijke betekenis als het
gaat om het wereldsysteem van de eindtijd. Door de eeuwen heen zijn er ‘Babelse invloeden’ geweest in allerlei culturen en
rijken. ‘Babel’ staat dan voor zaken als goddeloosheid, opstand tegen God
(vgl. Gen.11), religieuze corruptie, macht en wellust, rijkdom ten koste
van... enzovoort. Ook in de eindtijd zullen deze zaken openbaar worden. Maar
het is ook niet uitgesloten dat Babel ook weer letterlijk een rol zal gaan
spelen binnen het machtsblok in het Midden-Oosten. Hoe makkelijk
een oude natie kan herleven, hebben we kunnen zien in Irak, waar Saddam Hoessein zichzelf zag als nieuwe Nebukadnezar en
hij zelfs de oude stad Babel heeft laten herbouwen. In hoofdstuk 8 zien we
iets vergelijkbaars, als het gaat over de Meden-Perzen
en Grieken…in de eindtijd. Bij
het beeld in hoofdstuk 2 is Babel het hoofd, het besturingssysteem van het
hele lichaam. De machthebbers van het vijfde rijk, voorgesteld door de vier
dieren uit hoofdstuk 7, regeren ogenschijnlijk ten koste van elkaar, maar zullen
één zijn in hun doel: het opbouwen van de rebellie tegen de Allerhoogste.
Hier zien we de betekenis van de voeten van ijzer en leem terug: de hardheid
waarmee de macht gemanifesteerd wordt en de verdeeldheid van de onderlinge
machtsstrijd. Het vijfde rijk zal regeren in de geest van Babel. Niemand zal
kunnen ontkennen dat de geest van Babel steeds meer grip krijgt op deze
wereld. Maar wie herkent het? 3. Hoofdstuk 8 3.1. Overeenkomsten tussen
hoofdstuk 7 en 8 De
gezichten in hoofdstuk 7 en 8 horen bij elkaar. ·
Beide gezichten worden door Daniël ontvangen tijdens de regering van Belsazar. ·
Daniël legt zelf een koppeling naar het gezicht van hoofdstuk 7 (8:1). ·
Ook qua opbouw en inhoud zijner grote overeenkomsten tussen beide
hoofdstukken. |
|||||
|
Hoofdstuk 7 |
Hoofdstuk 8 |
||||
|
|
Plaats waar het gezicht ontvangen wordt |
|
Plaats waar het gezicht ontvangen wordt |
||
|
|
Beschrijving van het
gezicht |
|
Beschrijving van het
gezicht |
||
|
15-16 |
Terug naar Daniël die
uitleg krijgt |
15-19 |
Terug naar Daniël die
uitleg krijgt |
||
|
|
Uitleg door dienaar van
Oude van Dagen. Daniël vraagt zelf om uitleg. |
|
Uitleg door dienaar van
Oude van Dagen. Uitleg aangeboden. |
||
|
|
Uitleg van het gezicht |
|
Uitleg van het gezicht |
||
|
28 |
Reactie van Daniël (zie ook
vers 15) |
27 |
Reactie van Daniël |
||
|
In beide hoofdstukken ligt
het accent op de laatste machthebber, wiens regeringsperiode gekenmerkt wordt
door opstand tegen God en andere extremiteiten. In beide hoofdstukken vinden
we ook een tijdsaanduiding voor het verwoestende werk van deze machthebber
(7:25; 8:14). 3.2. Overeenkomsten met de historische lijn De
profetie van hoofdstuk 8 geeft nog meer aanleiding dan die van hoofdstuk 7 om
een koppeling te leggen met de historische gebeurtenissen rondom het Medo-Perzische en Griekse rijk. Menige
uitlegger ziet in hoofdstuk 8 een herhaling van de profetie over het tweede
en derde rijk van hoofdstuk 7 en een uitwerking van het Griekse rijk. Inderdaad
kunnen we 8:20-21 niet negeren. Met de ram wordt volgens
vers 20 het Medo-Perzische rijk bedoeld, wat een
tijd lang de heerschappij voerde, maar uiteindelijk toch ook weer overwonnen
werd. De twee horens van ongelijke hoogte benadrukken wat ook al te zien was
bij het tweede dier in hoofdstuk 7 (de beer): uiteindelijk namen de Perzen de
regering over van de Meden. De geitenbok uit het westen
is volgens vers 21 de koning van Griekenland en met de grote horen tussen
zijn ogen wordt dan de meest succesvolle koning van dit rijk uitgebeeld:
Alexander de Grote. Onder leiding van deze jonge koning werden de Meden en
Perzen verslagen (333 en 331 voor Chr.). Na de dood van Alexander
(32 jaar oud) namen vier generaals de macht over (Ptolomeus,
Kassander, Lysimachus en Seleukes – ook wel de diadochen
genoemd) en werd het rijk (innerlijk) verdeeld. De Ptolemeën
(zuiden-zuidwesten)en Seleuciden
(noorden-oosten) kregen de meeste macht en hadden
beiden lange tijd de touwtjes in handen. Uit één van de vier
koninkrijken komt een koning voort die veel macht krijgt. De geschiedenis
vertelt ons dat hiermee Antiochus Epiphanus bedoeld wordt. Hij was een Seleucidische
heerser, die regeerde van 175-164. We lezen in vers 9-14 en 23-25 niet alleen
van de machtsuitbreiding van deze koning, maar ook van zijn opstand tegen de
Vorst en de verderving van het heiligdom. Door zijn toedoen wordt het
offer weggenomen en het heiligdom verwoest. We weten dat deze Antiochus het altaar van de Griekse god Zeus in de tempel van Jeruzalem heeft laten zetten en in
de tempel ook zwijnen heeft laten offeren. Hij liet ook duizenden Joden
ombrengen. Net als Alexander de Grote, sterft ook Antiochus
aan een ziekte. ‘Zonder hand’ (25) wordt zijn macht verbroken. 3.3. Vragen bij de historische lijn Kunnen we tegen deze uitleg
iets inbrengen? Aanvankelijk heb ik de zaken ook zo gezien. Er was echter één
punt waarop ik vast liep. En dat was de invulling van de laatste Griekse
machthebber. De overeenkomst met Antiochus Epiphanes is zo groot, maar gaat toch niet op alle
fronten op. ·
Antiochus heeft niet de
confrontatie met de Vorst de vorsten meegemaakt (8:25). Zijn daden komen ook
niet letterlijk overeen met de ambities van deze laatste vorst, wiens macht
veel groter en wiens voorkomen veel demonischer zal
zijn. Ook in Jes.14
en Ezech.28 zie je iets vergelijkbaars als het gaat
over de satan die vergeleken wordt met een historische koning. ·
Volgens
geschiedschrijver Flavius Josephus
duurde de ontwijding van de tempel door Antiochus
1090 dagen, dus veel korter dan de 2300 dagen waarover in 8:14 gesproken
wordt. Het kan hier dus niet over dezelfde tijd gaan, ook niet als we de tijd
erbij nemen van de schoonmaak en vernieuwde wijding door de Makkabeeën. ·
Jezus voorzegt in Matth.24:15 dat de ‘gruwel der
verwoesting op de heilige plaats zal staan’. Hier kan niet de ontwijding van
de tempel door Antiochus mee bedoeld zijn, die al
veel eerder plaats vond, maar er wordt gedoeld op iets wat in de toekomst
staat te gebeuren. Een duidelijke beschrijving van deze periode vinden we in
2Thess.2:1-14. ·
Opvallend is
ook de overeenkomst tussen de ontheiliging van het heiligdom, zoals
beschreven in 8:11-14 en 12:11. Het zou merkwaardig zijn als alleen hoofdstuk
8, te midden van profetische boodschappen over de eindtijd, betrekking zou
hebben op een periode die al zo lang voorbij is. ·
Zowel in 8:17;
11:35+40; 12:4+9 wordt gesproken over de ‘eindtijd’. Waarom zouden we de
eerste aanduiding niet letterlijk nemen en de laatste niet? Laten we bij het
uitleggen consequent blijven! Hoe kunnen we dan de
treffende overeenkomst tussen hoofdstuk 8 en de historie verklaren? 1. We kunnen in de gebeurtenissen ten tijde van Antiochus een voorafschaduwing zien van de gruwelijke
dingen die er vlak voor de komst van Jezus in heerlijkheid staan te gebeuren.
In dat geval is dit deel van de profetie een beeldspraak van de letterlijke
vervulling die nog op zich laat wachten. We zien dit veel vaker in de Bijbel
voorkomen. 2. We kunnen de gebeurtenissen die in hoofdstuk 8
beschreven worden, net als die van hoofdstuk 7, letterlijk betrekken – ook nu
nog – op de toekomst. In dat geval zal er in de eindtijd een herleving moeten
zijn van de macht van het Medo-Perzische en Griekse
rijk. Gezien de conclusies die ik getrokken heb bij hoofdstuk 7, is dit een reële
mogelijkheid. Als het met Babel kan; waarom dan niet met deze twee rijken?
Het bestaan van een groot machtsblok in de eindtijd laat ruimte voor de ‘kleine horen’ van hoofdstuk 7 en die van hoofdstuk 8.
Het gaat hier duidelijk om twee verschillende machthebbers, die wel beiden in
opstand komen tegen de Allerhoogste, maar dat niet allebei op dezelfde wijze
gestalte geven. De
machthebber van de ‘kleine horen’ in hoofdstuk 7
zal: -
een mond vol grootspraak hebben tegen de Allerhoogste (8, 20, 25) -
strijd voeren tegen de heiligen en sterker zijn dan zij (21, 25) -
tijden en wet veranderen (25) De
machthebber van de ‘kleine horen’ in hoofdstuk 8
zal: -
macht hebben die reikt tot aan het heer van de hemel (10) -
er van het heer van de hemel (de sterren) ter aarde doen vallen en vertrappen
(10) -
zich groot maken tegen de Vorst van het hemelse heer (11) -
het dagelijkse offer van de Vorst afnemen (11) -
de heilige woning van de Vorst neerwerpen (11) -
een eredienst instellen tegenover het dagelijkse offer (12) -
de waarheid ter aarde werpen (12) In
8:14 wordt gesproken over een tijdsduur van 2300 avonden en morgens voor alle
boze daden van de machthebber van de kleine horen,
tot aan het herstel van het heiligdom. Hiermee
wordt de totale tijd aangegeven vanaf het begin van de 3 ½ week ofwel 1260
dagen (de tijd, tijden en een halve tijd – 7:25), tot aan het herstel van het
heiligdom. Het herstel van het heiligdom zal enige tijd in beslag nemen en de
2300 dagen vol maken. Ik kom hier in de volgende bijbelstudies op terug. Als ik het bovenstaande
samenvoeg, kom ik tot de volgende conclusie: We doen er wijs aan om
hoofdstuk 8 uit te leggen in overeenstemming met hoofdstuk 7. De overeenkomst
tussen beide hoofdstukken pleit daarvoor. We kunnen er ook niet onderuit dat
de passage m.b.t. de ‘kleine horen’ in hoofdstuk 8
niet haar letterlijke vervulling gehad heeft in de persoon van Antiochus. Alle informatie die betrekking heeft op de
tijd daarvoor (8:1-8 en 20-22) zou nog historisch geduid kunnen worden. In
dat geval hebben we in hoofdstuk 8 dus te maken met een breukprofetie. Hoewel
het toekomstbeeld zo nog spannender (minder voorstelbaar) wordt, hoef je de
Bijbel toch in minder bochten te wringen. Nog veel meer dan in hoofdstuk 7
het geval is, krijgen we in hoofdstuk 8 een vooruitzicht over dat wat er in
de eindtijd zal gebeuren. Daniël krijgt de opdracht
om het gezicht verborgen te houden (8:26), omdat het ziet op een verre
toekomst. In 12:4 wordt hem iets vergelijkbaars bevolen: verzegeling tot de
tijd van het einde. Het boek
Openbaringen, waarin eveneens de eindtijd beschreven wordt, is niet verzegeld
(Op.22:10). Het is een vraag hoe Daniël
dit verborgen houden en verzegelen gestalte heeft gegeven. Waarschijnlijk heeft
hij tijdens zijn leven met niemand over dit gezicht gesproken. Maar hoe is
het na zijn dood gegaan? Daniël kon de rol niet eindeloos verborgen houden.
Zelfs al zou hij de rol letterlijk verzegeld hebben, dan is die toch
opengemaakt in de tijd van de Masoreten. Ook de
Heere Jezus spreekt over de boekrol van Daniël en het lezen daarvan. Toch was ook in Zijn tijd de vervulling nog niet gekomen van de
boodschap van Daniël (Matth.24:15; Mark.13:14). Waarschijnlijk
betekent het ‘verborgen houden’ en ‘verzegelen’ veel meer dat de inhoud van
dit boek niet bestemd is voor de tijd waarin Daniël leefde en vele jaren
daarna. Men zou het wel kunnen lezen, maar het niet begrijpen. Slechts in een
verre toekomst zou de betekenis ervan duidelijk worden. Het feit dat Jezus zo
openlijk spreekt over de boekrol van Daniël, wijst erop dat met de komst van
Jezus in wezen het eindtijdscenario begonnen was. Denk aan de boodschap die
Johannes de Doper bracht. Dat er tussen Zijn komst in vernedering en die in
verhoging zo’n lange tijd zou zitten, was op dat
moment bij geen mens bekend. Zowel in hoofdstuk 7 als in
hoofdstuk 8 lezen we dat Daniël enorm ondersteboven’ is van alles wat hij te
zien en te horen heeft gekregen. Ik vind dat opmerkelijk.
Gezien Daniëls ervaring op het gebied van dromen,
moest het feit dat hij een gezicht ontving niet zo enorm schokkend voor hem
zijn. Ik heb een tijd lang
gedacht dat Daniëls reactie te verklaren is uit de
beelden die hij ziet. Het gaat in alle gevallen om merkwaardige wezens, van
een zwevende bok tot aan een gruwelijk dier. Wie zou daar niet van schrikken?
Ook heb ik de oorzaak gezocht in het feit dat in hoofdstuk 7 voor het eerst
beschreven wordt dat Daniël zelf een droom krijgt, losstaand van de droom van
een koning (hoofdstuk 2 en 4). We zouden begrijpen dat dit een emotionele
ervaring voor hem geweest zou kunnen zijn. Toch geloof ik dat er meer
over deze ‘ontroering’ en ‘schrik’ te zeggen is. In Dan.7:15 staat dat
Daniël ontroerd is in zijn binnenste en ontsteld over de gezichten die hij zo
juist gezien heeft. Waarom? Het lijkt mij dat ook
Daniël de link met de droom van hoofdstuk 2 niet ontgaan kan zijn. Nu ziet
hij details van het vijfde rijk, die hij toen slechts in algemene
bewoordingen omschrijven kon (2:44). Daniël kende niet het verloop van de
geschiedenis na hem, dus die kennis kon hem ook niet afleiden. Zijn
referentiekader was alleen de droom van het grote beeld. Hij ziet de
toenemende rebellie bij de aardse machthebbers; hij ziet de gevolgen daarvan
voor zijn ‘broeders en zusters van de Allerhoogste’; hij ziet de details van
de overwinning van de Allerhoogste en de Mensenzoon op de machthebbers; hij
ziet de Allerhoogste, tot Wie hij dagelijks zijn gebeden opzendt. Wie zou bij
een dergelijk nieuw en indrukwekkend gezicht onbewogen blijven. Ook na de uitleg is Daniël
nog steeds ‘van streek’ (7:28). Het maalt door zijn hoofd en ontstelt hem. Na
het gezicht van hoofdstuk 8 is hij zelfs enige dagen ziek (8:27). Niemand
merkt het echter. Daniël heeft deze gezichten
aan het papier toevertrouwd. We mogen aannemen dat hij ze nooit met iemand
heeft kunnen delen. Mogen we dat zien als een vorm van eenzaamheid? |
|||||