|
Dromen, gezichten en profeten Aantekeningen bij
bijbelstudie 5 over het boek Daniël; Lunteren
seizoen 2006-2007 |
||||
|
|
||||
|
Index 1. Schriftprofetie in het algemeen 1.1. Afbakening
schriftprofetie en gemeenteprofetie 1.4. Het ontvangen van de
boodschap 1.9. De boodschap voor alle
tijden 1.10. De betekenis van
profetieën 1.11 Indeling van de OT
profetische boeken 2. Profetie in het boek Daniël 3. Toepassingsgedachten 1. Schriftprofetie in het algemeen 1.1.
Afbakening schriftprofetie en gemeenteprofetie ·
Onder
Schriftprofetie (Hebr.1:1) verstaan we de
profetische boodschappen die (door profeten) op schrift zijn gesteld en in de
canon terecht zijn gekomen. ·
Onder
gemeenteprofetie (Rom.12:6-7) verstaan we de
profetische boodschappen die in de gemeente worden doorgegeven door mensen
die daarvoor de gave van het profeteren ontvangen hebben. ·
Schriftprofetie
is volledig betrouwbaar en hoeft niet meer getoetst te worden.
Gemeenteprofetie moet daarentegen wel getoetst worden. Kijk voor meer info over
gemeenteprofetie bij het artikel over profetie. Bijna een derde deel van de
Schrift bestaat uit profetische passages (Schriftprofetie). We kunnen een groot stuk
van de Bijbel niet begrijpen als we onszelf niet verdiepen in dit genre. Laten we onszelf bij het
bestuderen van de profetische boeken steeds realiseren dat God Zich tot ons
neerbuigt, om ons Zijn plannen te ontvouwen. We mogen Gods profetische
boodschappen niet negeren, maar moeten er ook voor oppassen dat we die
boodschap niet verdraaien. Petrus maakt in 2Petr.1:19-21 duidelijk dat
profetie ‘geen eigenmachtige uitleg’ toelaat. Reden hiervoor is het feit dat
het geen woorden van mensen zijn, maar ten diepste woorden die ontstaan zijn
door inspiratie van de Heilige Geest. Het grondwoord voor
‘profeet’ is ‘nabi’, wat spreker of verkondiger
betekent. De profeet wordt ook wel
een ‘ziener’ genoemd (1Sam.9:9) of ‘man Gods’ (1Sam.9:6; Elia
1Kon.17:18; Elisa Kon.4:7). De profeet spreekt
namens God. Vaak lijkt het of God in eigen persoon aan het woord is. Een mooi
voorbeeld hiervan vind je in Ex.7:1 en 4:15, waar Aäron
‘de mond’ van Mozes wordt (profeet). De profeet is a.h.w.
‘de mond van God’. Profeten van God brengen
niet hun eigen boodschap, maar geven alleen door wat zij van God ontvangen (Num.12:6). Heel vaak lezen we: ‘Zo zegt de Heere…’ of
‘Het Woord van de Heere kwam tot mij…’. God legde profeten Zijn woorden in de
mond (Jer.1:9; Ezech.2:7). Op enkele gevallen na zijn
alle profeten van God in de Bijbel mannen. De Bijbel noemt slechts enkele
profetessen van God: Mirjam (Ex.15:20); Debora
(Richt.4:4); Hulda (2Kon.24:14; 2Kron.34:22); Anna
(Luk.2:36); waarschijnlijk ook de vier dochters van Filippus
(Hand.21:9). Daarnaast kennen we ook de gemeenteprofetie, waarin profetie als
specifieke gave aan gelovigen gegeven kan worden. Het was over het algemeen
een zware taak om profeet te zijn. God verwachtte van een profeet 100%
toewijding. Profeten waren vanwege hun boodschap vaak niet geliefd. Denk aan
Jeremia, die verguisd werd door zijn volksgenoten. De boodschap die gebracht
moest worden bezorgde de profeet in kwestie pijn; het was vaak een boodschap
van oordeel. Hosea heeft veel verdriet gehad in zijn huwelijk vanwege
opdrachten die God hem gaf te doen. Daniël was helemaal ziek en verbijsterd
van de dingen die God hem te zien gaf. Jeremia was ook voortdurend in conflict
met valse profeten (Jer.23:9-32). 1.4. Het
ontvangen van de boodschap In de meeste gevallen
vermeldt de Bijbel bij het doorgeven van een ontvangen profetie niet meer dan
‘De Heere sprak…’ (kijk eens in de concordantie hoe vaak dit gezegd wordt in
verband met Mozes), of ‘Zo zegt de Heere…’, zonder erbij te zeggen hoe die
boodschap ontvangen werd. De Bijbel spreekt echter
ook van ‘dromen’, ‘gezichten’ en ‘visioenen’ (andere vertaling voor
‘gezichten’). Naar mijn mening kunnen we deze begrippen allemaal onderbrengen
onder de verzamelnaam ‘profetie’. Onder ‘profeteren’ versta
ik dan het uiten van de ontvangen boodschap en onder ‘dromen’ of ‘gezichten’
de wijze waarop die boodschap ontvangen kan worden (Jer.14:14;
23:25). Een tekst waarin deze
begrippen genoemd worden, is Joël 2:28. Ook in Num.12:6
en Dan.7:1 wordt gesproken over dromen en gezichten. Joël 2:28 wordt ook
geciteerd door Petrus op de Pinksterdag (Hand.2:17). Hiermee kunnen we dus
een koppeling leggen tussen grondwoorden van ‘dromen’ en ‘gezichten’ in het
Oude en Nieuwe Testament. De grondwoorden die in betekenis overeenstemmen,
worden naast elkaar genoemd. |
||||
|
|
Oude Testament (Hebr.) |
Nieuwe Testament (Gr.) |
||
|
Grondwoord |
chlum |
enupnion |
||
|
Vertaling |
droom |
droom |
||
|
Tekstverwijzing |
1Kon.3:5; Joël 2:28 |
Hand.2:17 |
||
|
|
|
|
||
|
Grondwoord |
bmchze |
horasis |
||
|
Vertaling |
gezicht, visioen |
gezicht, visioen |
||
|
Tekstverwijzing |
Gen.15:1; Joël 2:28 |
Hand.2:17; 16:9 |
||
|
|
|
|
||
|
Grondwoord |
|
onar |
||
|
Vertaling |
|
droom |
||
|
Tekstverwijzing |
|
Mt.2:19; 27:19 |
||
|
Wat is het verschil tussen
een droom en een gezicht? Rekening houdend met de
conclusies die in par.2.4 getrokken worden, wil ik
het volgende definiëren: ·
Bij
een gezicht (of visioen) hoort of ziet iemand iets in wakende toestand
(bewuste staat), wat geen deel uit maakt van de normale werkelijkheid. ·
Bij
een droom (onbewuste staat) is sprake van gedachten en beelden die tijdens de
slaap voor de geest komen. Die beelden worden doorgaans ook omschreven als
‘gezichten’. De profeet is niet alleen
‘de mond van God’, maar wordt met zijn hele wezen, fysiek en geestelijk,
erbij betrokken. Jeremia heeft erg geleden onder zijn missie (Jer.8-9). Ook bij Daniël zien we dergelijke reacties
terug (7:15+28; 8:27). Het moet een ontzagwekkende ervaring geweest zijn om
als profeet zo het directe contact met God te ervaren en de boodschap dwars
door jezelf heen te moeten doorgeven of opschrijven. Dat wat profeten van God
moeten doorgeven, staat vaak haaks op de voorkeur van mensen. Valse profeten
(broodprofeten) daarentegen brachten veel vriendelijker boodschappen. Maar
hoe konden mensen bepalen wie een ware of wie een valse profeet was? In Num.11:25-29
wordt het profeteren gekoppeld aan bekwaammaking
door de Geest. Iedereen die daarbij stond, kon met eigen ogen zien dat God
deze 70 oudsten bekwaam maakte om te profeteren. Ook in Jeremia 1:9 zie je
iets dergelijks terug. Omdat echter het feit dat iemand profeteert in Naam
van God, niet het waterdichte bewijs is dat zo iemand ook daadwerkelijk door
de mond van God spreekt, noemen we ook het criterium wat voorkomt in Jer.28:9. Als het woord van een profeet die een boodschap
van vrede brengt, uitkomt, zal dat het bewijs zijn van de echtheid van die
profeet. Ook in Deut.18:20-22 lezen we dat de
vervulling van een profetie maatgevend is voor de echtheid van de profeet.
Het ontvangen van profetische boodschappen zegt ook niets over de geestelijke
status van degene die profeteert. Bileam was een
verwerpelijke man, maar zijn profetieën klopten wel (Num.22).
Jona had met zijn profetie groot succes
(bekering!), maar hij was tevens een ongeestelijke man. Andere voorbeelden
van niet-gelovigen die een droom ontvangen: Kores (Ezr.1:1);
Farao (Gen.41). Zelfs een dier kan Gods raad vertolken (Num.22:28). De boodschap die profeten
brachten was vaak niet origineel. In principe ging hun boodschap terug op de
Wet van Mozes, waarin zegen of vloek al duidelijk werden voorgesteld (Lev.26, Deut.4, 28-32). Profetie slaat lang niet
altijd op toekomst. Profeten legden vaak de vinger bij heersende misstanden. De boodschap was allereerst
bedoeld voor de tijd waarin de profeet leefde. Niet alleen vóorzeggen, maar vooral vóortzeggen. Jesaja en Amos leggen de vinger
bijvoorbeeld bij de sociale misstanden in hun tijd. Het is hierom belangrijk
dat we ons bij het lezen van de profetie een goed beeld vormen van de tijd
waarin de profeet leefde; de politieke en godsdienstige toestanden van die
tijd; de zonden waarmee God getergd werden. Omdat de uitkomst van de
profetie als maat gegeven wordt voor de echtheid van de profeet (Deut.18:20-22; Jer.28:9), is
het ook niet verwonderlijk dat de boodschap van de profeet deels bestaat uit
elementen die na kortere of langere tijd geverifieerd kunnen worden. Voor ons staat alle
Schriftprofetie ‘op schrift’, maar er zijn ongetwijfeld ook veel woorden door
profeten gesproken, die niet op schrift gesteld zijn. Een groot deel van de
boodschap was evenwel voorzeggend. De voornaamste elementen die je in de
boodschap van de profeten tegenkomt, zijn: ·
Het
falen van Gods volk ·
Het
oordeel van God wat hierop volgt; bijvoorbeeld de ballingschap ·
De
heerschappij van de omringende volken over Gods volk ·
Gods
oordeel over de omringende volken ·
De
komst van de Messias en Zijn verwerping ·
De
komst van de Messias in heerlijkheid en het herstel van Gods volk ·
Het
Messiaanse koninkrijk Veel profetie is al
vervuld. We denken aan de profetieën over de vernedering en het lijden van de
Messias, Zijn verwerping door het Joodse volk, de heerschappij van
verschillende volken over het volk Israël, de verstrooiing. Ook veel
profetieën over andere volken zijn al vervuld. Denk aan de profetieën over de
val van Babel. De profeet ziet de toekomst
in perspectief. Hij is net als een reiziger, die vanaf een behoorlijke
afstand naar een bergketen kijkt. Vanaf zijn standpunt gezien vormt de
bergketen een geheel van dicht bij elkaar liggende bergtoppen. Eenmaal bij de
bergketen aangekomen blijken de bergtoppen soms kilometers uit elkaar te
liggen. De profeet heeft er doorgaans geen idee van hoe groot de afstanden
zijn tussen de onderdelen van zijn boodschap. Dit zien we vaak terug bij het OT-spreken over de Messias (Jesaja
9:5-6; 11:1-4; Mich.5:1-2). Deze teksten
onderscheiden niet de staat van de Messias als lijdende Knecht (Jes.53) en als triomferende Koning (Jes.11).
We noemen dit breukteksten. Voorzeggingen kunnen stapgewijze of ook wel meerdere vervullingen hebben. De
profetie van Joël 2, die door Petrus in Hand.2:16-17 wordt aangehaald is een
voorbeeld van stapsgewijze vervulling. In de tijd van Handelingen werd een
deel van deze profetie zichtbaar, maar het stopte ook weer. In de eindtijd
zullen deze woorden echter geheel in vervulling gaan. De voorzeggingen die
betrekking hebben op de schennis van de tempel (Dan.9:27; Mattth.24:15;
1Thess.2:3-4; Op.13:5-6) zijn een voorbeeld van herhaalde vervulling: dit
kwam voor vlak voor de ballingschap, in de tijd van de Makkabeeën
en zal ook weer gebeuren in de eindtijd. 1.9. De
boodschap voor alle tijden Profetieën werden niet
alleen gegeven voor tijdelijk gebruik, maar voor alle eeuwen (Rom.15:4; 2Tim.3:16; 2Petr.2:19-21). Daarmee is niet
gezegd dat de oude profetische boodschappen samen de volledige openbaring van
God vertegenwoordigen (Ef.3:1-9). 1.10.
De betekenis van profetieën Het zal duidelijk zijn dat
de profeten vaak hun eigen profetieën niet begrepen hebben. Dat blijkt uit
1Petr.1:10-12, maar ook uit Dan.7:28; 8:15-27; 10:7-15; Openb.1:17;
7:13-14; 17:6). Met name rondom de persoon
van de Messias heeft de combinatie van lijden en heerlijkheid de profeten
voor raadsels gesteld. De oplossing van dit probleem ligt in de ‘twee
komsten’ zoals wij daarover in het Nieuwe Testament lezen: de eerste komst om
te verlossen door lijden en de tweede komst om te regeren in heerlijkheid.
Over de lange tijdsperiode tussen deze twee komsten, was de profeten niets
geopenbaard. Voor hen leek het alsof Zijn lijden en Zijn heerlijkheid
tegelijkertijd plaatsvonden. Ook wij ervaren profetische
passages vaak als ‘moeilijk te doorgronden’. Het is belangrijk om
onszelf bij het uitleggen van de profetieën niet te laten leiden door onze fantasie
(2Petr.2:20-21). Dat mag allereerst niet, maar het leidt ook niet tot een
bevredigend inzicht in Gods Woord en Zijn plan. Erg belangrijk is het gebed
om inzicht van de Heilige Geest. Hij is immers de Inspirator, maar ook de
enige betrouwbare Uitlegger. Cruciaal is ook de plaats van Christus in de
profetie (Op.19:10; Ps.40:8). De profetieën van het
Oude Testament geven ons een compleet beeld van de Messias in al de facetten
van Zijn leven en werk. Hij wordt in Deut.18:15
zelf de Profeet genoemd. 1.11.
Indeling van de OT profetische boeken Het Oude Testament kent 16
profetische boeken. Gewoonlijk worden Jesaja,
Jeremia, Ezechiël en Daniël ‘grote’ profeten genoemd, vanwege de omvang van
hun boeken. De overige 12 profeten worden de ‘kleine’ profeten genoemd. Lettend op het werkgebied
van de profeten (Juda of Israël) en de periode waarin ze optraden, komen we
tot het volgende overzicht. |
||||
|
Voor de ballingschap |
Tijdens de ballingschap |
Na de ballingschap |
||
|
|
|
|
||
|
Profeten van Israël |
Profeten van Israël |
Profeten van Israël |
||
|
|
|
|
||
|
1. Jona |
Geen |
Geen |
||
|
2. Amos |
|
|
||
|
3. Hosea |
|
|
||
|
|
|
|
||
|
Profeten van Juda |
Profeten van Juda* |
Profeten van Juda |
||
|
|
|
|
||
|
1. Obadja |
1. Ezechiël |
1. Haggaï |
||
|
2. Joël |
2. Daniël |
2. Zacharia |
||
|
3. Jesaja |
|
3. Maleachi |
||
|
4. Micha |
|
|
||
|
5. Nahum |
|
|
||
|
6. Habakuk |
|
|
||
|
7. Zefanja |
|
|
||
|
8. Jeremia* |
|
|
||
|
* Jeremia profeteerde kort voor
de Babylonische ballingschap, maar ook nog een stukje tijdens de
ballingschap. Hoewel Ezechiël en Daniël
allebei tot Juda behoren, heeft hun profetie betrekking op de hele natie (12
stammen). 2. Profetie in het boek Daniël Daniël wordt doorgaans
‘profeet’ genoemd. Zonder daar iets van af te doen, denk ik dat we hem in het
algemeen beter kunnen omschrijven als adviseur. In die hoedanigheid heeft hij
namelijk zijn werk aan het hof van de Babylonische en Perzische koningen gedaan. In hoofdstuk 1:17 lezen we
dat God zelf aan Daniël inzicht gaf in gezichten en dromen. Het vervolg maakt
duidelijk dat deze ‘gave’ aan het hof niet onopgemerkt is gebleven (4:6-8;
5:11-12). Volgens Dan.5:11 heeft Daniël zelfs een leidinggevende functie
gehad binnen de groep van geleerden, waarzeggers, astrologen, tovenaars en
bezweerders. Zij waren de directe raadgevers van de koning. Wij hebben – naar ik
aanneem – de neiging om afstand te nemen van dergelijke mensen, vanwege hun
binding met duistere machten. Ik denk dat we Daniëls
functioneren hierin niet moeten zien als een stimulans om deze reserves te
laten varen. Het lijkt me dat eerder het tegenovergestelde duidelijk wordt.
De verhalen rondom Daniël tonen namelijk aan dat alleen God bij machte is om
dromen en gezichten uit te leggen (hoofdstuk 2, 4 en 5). Daniël ontvangt de
bekwaamheid en de taak die daaruit voortvloeit van God zelf en hij wordt
geroepen om op die plaats te dienen (vgl. Jer.29:7).
Bij Daniël gaat dit niet ten koste van zijn omgang met God. Bij hem zien we
hoe het dienen van God en het staan in deze wereld samen kunnen gaan. Niet
zomaar; maar alleen dankzij deze taakstelling en door het leiden van een
biddend leven. In Babel was Daniël
adviseur en overste van de directe raadgevers van machtige koningen. Als
ontvanger van openbaringen van God, bestemd voor het volk Israël, was Daniël
profeet. Binnen de groep van profeten in het Oude Testament neemt wel hij een
bijzondere plaats in, omdat hij de ‘gave om Gods stem te horen en over te
brengen’ combineert met zijn ‘beroep’. Ook lezen we bij hem niet van een
‘roeping’ en gaat hij met zijn boodschap niet ‘de straat op’. In het leven van Daniël
zien we de zelfde menselijke processen terug die we ook zien bij veel van
zijn collega-profeten. We kunnen de profetische ervaringen van Daniël het
beste vergelijken met het branden van een gloeilamp. De lamp geeft licht,
maar wordt van binnen (over)verhit door de stroom en is daardoor ook aan
slijtage onderhevig. Vier keer in het boek
Daniël krijgen we een indruk van hoe het is om ‘kanaal’ te zijn voor
Goddelijke openbaringen. 4:19 Daniël is verbijsterd door de
droom en is innerlijk onrustig. 7:15,28 Daniël is innerlijk ontroerd en
verschrikt. 8:27 Daniël is verbijsterd over wat hij gezien heeft
en enkele dagen ziek. 10:8-10, 17 Daniël bezwijkt bijna tijdens het
gezicht. Naast deze intensieve
ervaringen, die Daniël in zekere zin overkomen, krijgen we de indruk dat
Daniël ook zelf een mens was die intensief bezig was met de zaak van God. In hoofdstuk 9:3 lezen we
dat Daniël het doen van schuldbelijdenis voor zijn volk koppelt met vasten en
rouwen. Ondanks zijn verantwoordelijke en ongetwijfeld drukke baan, investeert
hij veel tijd in gebed (zie ook 6:11-12). In hoofdstuk 10:2-3 lezen
we dat Daniël drie weken lang treurt en met mate geniet van de zaken van dit
leven. We mogen aannemen dat deze drie weken vooraf gaan aan de openbaring
die hij daarna ontvangt. Of is wellicht het laatste het gevolg van het
eerste, zoals ook in Dan.9:22-23 het geval is? Duidelijk is dat Daniël
zowel geestelijk als fysiek betrokken werd bij het werk wat God hem gaf te
doen. Opvallend is ook de
betrokkenheid waarmee Daniël zijn werk aan het hof gedaan heeft en de wijze
waarop hij omging met zijn heidense werkgevers (4:19-20, 11:1). Ook hieruit
blijkt hoe intens hij zijn taak uitvoerde. De woorden ‘droom’,
‘dromen’, ‘gezicht’ of ‘gezichten’ komen 45x voor in dit bijbelboek. Gezien
de grote plaats die dromen en gezichten in dit boek innemen, kun je dit
sleutelbegrippen noemen. In wil nagaan hoe deze
woorden gebruikt worden, om zodoende te kunnen bepalen of we daar bij de
betekenis van de dromen en gezichten ook rekening mee moeten houden. In hoofdstuk 2:1 wordt
gesproken over een ‘droom’ van Nebukadnezar, maar bij het uitleggen van
diezelfde droom spreekt Daniël over ‘droom en gezichten’ (2:28). Het gaat
hier om één droom, waarvan de inhoud bestaat uit meerdere gezichten. Het
gebruik van het woord ‘gezichten’ (mv) heeft te
maken met de twee stadia waaruit de droom bestaat. Nebukadnezar ziet eerst
het beeld en daarna de vernietiging van dat zelfde beeld door de steen. Nebukadnezar ontvangt deze
droom tijdens zijn slaap (2:1) en wordt daarna wakker. Daniël ontvangt zelf de
uitleg van die droom in een nachtgezicht (2:19). Gezien de omstandigheden van
dat moment (2:12-13), lijkt het me niet waarschijnlijk dat Daniël die nacht
de hele tijd geslapen heeft. Hij heeft ook aan zijn vrienden gevraagd om te
bidden en te smeken (2:18). Dat hebben ze vast heel intensief en langdurig
gedaan, vertrouwd als ze waren met het doorbrengen van tijd in gebed
(6:11-12). Met dit nachtgezicht kan dus een openbaring bedoeld zijn, die
Daniël ontving terwijl hij wakker was. > Er wordt hier
gesproken over een droom, die bestaat uit gezichten (beelden). > Er wordt hier mogelijk
gesproken over een gezicht wat niet gekoppeld is aan een droom. In hoofdstuk 4:5 worden de
woorden ‘droom’, ‘droombeelden’ en ‘gezichten’ door elkaar gebruikt. Het is
uit 4:4 niet op te maken of Nebukadnezar deze droom kreeg terwijl hij sliep.
Mogelijk lag hij alleen te rusten op bed. In 4:6 en verder wordt alleen nog
het woord ‘droom’ gebruikt. In hoofdstuk 7:1 worden
eveneens de woorden ‘droom’ en ‘gezicht’ gebruikt voor de zelfde gebeurtenis.
In 7:2 beschrijft Daniël dit als een ‘gezicht’. Hij ontvangt deze openbaring
terwijl hij op bed ligt, maar het is niet zeker of hij ook slaapt. In het ‘gezicht’
van hoofdstuk 8 (8:1) refereert hij aan het ‘gezicht’ van hoofdstuk 7. > De woorden ‘dromen’ en
‘gezichten’ worden door elkaar heen gebruikt. Bij hoofdstuk 9 is niet
duidelijk of Daniël bezoek kreeg van een gematerialiseerde engel, of dat hij
de engel a.h.w. voor zijn geestesoog zag
verschijnen. In Lukas 1:19 en 26 lezen we dat Gabriël
als gematerialiseerde engel een bezoek brengt aan Zacharias
en Maria, dus dat zou hier ook het geval kunnen zijn. We lezen wel dat Daniël
op dat moment in gebed is (9:20), maar het hoeft niet zo te zijn dat hij
daarbij zijn ogen gesloten hield; een gebruik wat wij tegenwoordig bij het
bidden wel kennen. Daniël ziet de engel Gabriël,
die hij ook al eerder in een gezicht gezien heeft (8:17). De engel komt tot
hem ‘in ijlende vlucht’ (9:21). Dit is een omschrijving die verder nergens
voorkomt in de Bijbel. Het doet me denken aan een engel die vanuit het niets
heel snel naar Daniël toekomt. Het is niet zeker of Gabriël
hier zelf ook deel uitmaakt van het gezicht (9:23), of dat met het gezicht
alleen de boodschap van vers 24-27 bedoeld wordt. Duidelijk is in ieder geval
wel dat het hier niet gaat om een gezicht in een droom, maar om een
openbaring terwijl Daniël wakker is. > Het gaat hier over een
gezicht wat niet gekoppeld is aan een droom. In hoofdstuk 10-12 wordt
beschreven hoe Daniël een woord krijgt (10:1) in een gezicht. Het grondwoord
voor ‘woord’ wat hier gebruikt wordt, wordt ook wel vertaald met ‘boodschap’.
Daniël krijgt dus een boodschap in een gezicht. Ook hier is weer sprake van
een gezicht wat niet gekoppeld is aan een droom (10:4+7). Daniël is hier
zelfs in gezelschap. > Het gaat hier over een
gezicht wat niet gekoppeld is aan een droom. De meest merkwaardige openbaring
komen we tegen in hoofdstuk 5. Met betrekking tot Daniëls
kundigheid wordt er gesproken over ‘dromen’ (5:12), maar verder komt het
woord ‘droom’ of ‘gezicht’ hier niet voor. Het ‘schrift op de wand’ (5:5)
past qua openbaringsvorm het beste in de categorie ‘gezichten’in de meest
ruime zin: een openbaring die mensen ervaren terwijl ze wakker zijn, maar die
niet behoort tot de normale, tastbare werkelijkheid. Conclusies: ·
Het
woord droom wordt gebruikt als de openbaring tijdens het slapen ontvangen wordt
in een droom (hoofdstuk 2), maar wordt ook gebruikt als de ontvanger zich op
bed bevindt en niet duidelijk is of hij ook echt slaapt (hoofdstuk 4 en 7). ·
Het
woord gezicht komt voor in de betekenis van beeld of fragment van een droom
(hoofdstuk 2), maar ook in de betekenis van een openbaring die iemand
ontvangt als hij wakker is (hoofdstuk 2, 9 en 10-12). ·
Alle
dromen bestaan uit één of meerdere gezichten, maar een gezicht hoeft niet
altijd een droom te zijn. Het gebruik van de woorden
‘droom’ of ‘gezicht’ is dus gekoppeld aan de toestand waarin iemand zich
bevindt (slapend, rustend of wakend). Opvallend in het boek
Daniël is het accent wat er ligt op de uitleg van dromen en gezichten. Ik
denk dat dit onder meer te maken heeft met de inhoud van de dromen en
gezichten. Er worden namelijk veel beelden in gebruikt: het beeld van
Nebukadnezar (2), een megaboom (4), een hand die onbegrijpelijke woorden
schrijft (5), wezens die lijken op dieren (7-8). In de andere profetische
boeken is dat meestal niet het geval, maar ontvangt de profeet woorden van
God die hij vervolgens doorgeeft. Ook in het boek Ezechiël, wat eveneens
tijdens de ballingschap geschreven is, komen we veel dierlijke wezens tegen.
Ik krijg niet helemaal helder waarom juist deze twee profetische boeken zo
gekenmerkt worden door dergelijke beelden en of dat iets te maken heeft met
de tijd waarin ze zijn geschreven. Eén overeenkomst tussen Daniël en Ezechiël
is dat ze beiden naar Babel gevoerd zijn (zie Ezech.1:1-2)
en dat ze beide daar hun boek geschreven hebben. Daniël is bij alle dromen
en gezichten betrokken; drie keer als uitlegger en vijf keer als ontvanger
(zie voor het structuur-overzicht bijbelstudie 4).
Alle acht de keren is het God zelf die de uitleg van een droom of gezicht aan
hem openbaart of ervoor zorgt dat er uitleg komt. Opvallend is de combinatie
tussen het krijgen van uitleg en de relatie met God. Nebukadnezar en Belsazar krijgen te maken met dromen en gezichten, maar
zijn voor de uitleg volledig afhankelijk van Daniël en zijn God. Daniël kent
God en ontvangt bij de dromen en gezichten die hij persoonlijk krijgt, de
uitleg erbij. Hoofdstuk 9:22-23 en 10:11 lijken zelfs te onderstrepen dat
Daniël zoveel heeft mogen zien omdat hij door God bemind wordt. Hoe vertrouwd het gegeven
ook is dat Daniël ‘het wel even uit zal leggen’ of dat hij ‘alles snapt’,
toch was het bij hem ook weer geen automatisme. In 2:16 vraagt Daniël (be)denktijd, terwijl hij in 4:19 vrijwel direct reageert.
In 7:16 en 8:15 wordt beschreven hoe Daniël om uitleg vraagt en dat
vervolgens ook krijgt. De uitlegger heeft ook zelf uitleg nodig. Wordt het werk van andere
profeten, ook dat van Ezechiël, gekenmerkt door het ontvangen en doorgeven
(het letterlijke ‘profeteren’) van de boodschap aan de omstanders of andere
volken, bij Daniël is dat niet het geval. De boodschap van de dromen en
gezichten aan Nebukadnezar en Belsazar worden
uitgelegd, maar we lezen verder nergens dat Daniël met de openbaringen die
hij van God ontvangt ‘de straat op moet’. Daniël is een schrijvende profeet
geweest, die waarschijnlijk met name communiceerde met zijn werkgevers en mede-bestuurders en niet zozeer met zijn volksgenoten. Daniël schrijft de droom
die in hoofdstuk 7 beschreven wordt op (7:1) en bewaart de woorden ervan in
zijn hart (7:28). Bij het gezicht van hoofdstuk 8 wordt gezegd dat hij het
verborgen moet houden (8:28), omdat het betrekking heeft op een verre
toekomst. Bij de boodschap aangaande de zeventig weken (9:24-27) wordt niets
gezegd over verborgen houden of doorgeven. Bij het laatste gezicht
krijgt Daniël de opdracht om de woorden verborgen te houden en het boek te
verzegelen tot de eindtijd (12:4 en 9). Ik neem aan dat met ‘het boek’ alle
openbaringen bedoeld worden die Daniël ontvangen heeft en die hij vanaf het
begin (7:1) genoteerd heeft. We komen een dergelijke manier van spreken over
verzegeling alleen tegen in het boek Openbaringen (22:10), waar precies het
omgekeerde gebeurt. De openbaring die Johannes ontvangen heeft, mag juist
niet verzegeld te worden, want de tijd waarop deze dingen in vervulling
zullen gaan, is nabij. Daniël vestigde zijn
reputatie aan het hof door het openbaren van verborgenheden. Zijn geloofwaardigheid
als ‘profeet’ wordt onderstreept door het uitkomen van de dromen en gezichten
die hij openbaart (hoofdstuk 4, 5 en 7). Daarnaast heeft hij zaken
geopenbaard die niet meer tijdens zijn leven in vervulling gingen en door
zijn tijdgenoten dus ook niet getest konden worden op ‘waarheid’. Behalve in hoofdstuk 8,
beginnen alle dromen en gezichten, ver ze ook reiken, in het rijk wat op dat
moment is. Nebukadnezar en Belsazar ontvangen
beiden een droom die direct betrekking heeft op henzelf en die ook op korte
termijn in vervulling gaat. In die gevallen was de ‘betekenis voor toen’
helder. Ook de machtswisseling tussen Babel en de Meden-Perzen
is tijdens het leven van Daniël, in vervulling gegaan. Nebukadnezar heeft het
zelf niet meer meegemaakt. De meeste dromen en
gezichten in dit boek hebben echter een veel grotere reikwijdte. In hoofdstuk
8:28 wordt gesproken over een ‘verre toekomst’ en in hoofdstuk 12 komen we de
omschrijving ‘tijd van het einde’ tegen. Een meer diepgaande bestudering van
deze profetieën zal moeten uitwijzen wat ze precies betekenen en op welke
historische of toekomende tijden ze betrekking hebben. 3. Toepassingsgedachten 1. Schriftprofetie is
kostbaar. Hoe zijn we met profetie en
het boek Daniël bezig? Beseffen we dat God de
moeite heeft genomen om ook ons hier dingen te openbaren? Hoe belangrijk is het om
Bijbelstudie te doen over toekomstige zaken? 2. Profetie in deze tijd. Lees 1 Korinthe 14:1-4; Rom.12:6-7; 1Thess.5:19-21. Reageer hier eens op. 3. Gods Woord ontvangen. Hoe spreekt de Heere tot
jou? Heb je wel eens het idee
dat je iets door moet geven aan anderen? 4. Doorgeven. Profetie is allereerst:
voortzeggen. Ben je bereid om Gods Woord
door te geven aan anderen? |
||||