De brief van Jacobus

Bewerkte aantekeningen van mijn colleges aan de ETS

Inleiding

De brief van Jacobus, een heel stuk makkelijker te begrijpen dan sommige brieven van Paulus.

De boodschap van Jacobus is kort en krachtig en lekker praktisch.

Ik noem een paar voorbeelden.

 

Over de strijd tegen de zonde:

4:7 Onderwerp je aan God; weersta de duivel en hij zal van je vlieden.

 

Over relaties:

2:1 Heb niet het geloof van de Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid, met aanneming van de persoon.

 

Over bidden:

1:5 Als iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God zou begeren, die aan een ieder mild geeft en niet verwijt; en het zal hem gegeven worden.

5:16 Belijd elkaar de misdaden en bidt voor elkaar, opdat je gezond wordt; een krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel.

 

Over ons woordgebruik:

1:19 Iedere mens moet snel zijn om te horen en traag om te spreken.

 

Over de vruchten in ons leven:

2:18 Toon mij je geloof uit je werken.

2:26 Zoals een lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.

 

In deze inleiding (noem het maar een Bijbel-studie) wil ik jullie wat meer vertellen over de context van deze brief. We hebben meer informatie nodig over Jacobus en zijn brief om te kunnen begrijpen wat hij precies bedoelt. Want hoe begrijpelijk en aansprekend veel zinnen ook zijn, we komen toch een paar merkwaardige dingen tegen, juist als ze vergelijkt met andere passages uit de Bijbel. Ik zal een paar voorbeelden geven.

 

De wet

Jacobus zegt:

2:8 Als gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult  uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;

2:12 Spreekt alzo, en doet alzo, als (mensen) die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld  worden.

 

Maar Paulus zegt:

Gal.3:10 Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al  hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden  zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.

 

Moeten we nu nog wel de wet volbrengen of daar radicaal mee stoppen?

 

Geloof en werken

Jacobus betoogt dat Abraham gerechtvaardigd is door zijn werken.

2:21-22 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het  geloof volmaakt is geweest uit de werken?

 

Paulus zegt het tegenovergestelde.

Rom.4:1-3 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees? Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.

 

Leraar zijn

Jacobus moedigt mensen niet aan om leraar in Gods koninkrijk te zijn.

3:1 Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.

 

Paulus erkent echter hun functie en instrueert ze (1Kor.12:28; 2Tim.4:22; Tit.3:15).

Ef.4:11-12 En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.

 

Ziekte en gezondheid

5:14-16 Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden. Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond  wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.

 

Moeten ziekte en gebrokenheid weggebeden worden?

Is er een 1-op-1-relatie tussen ziekte en (onbeleden) zonde?

Dit zijn vragen die zo bij je opkomen als de hele Bijbel leest.

 

Staan Jacobus en Paulus tegenover elkaar? In mijn verhaal wel.

Je hoort mij echter niet zeggen dat de Bijbel zichzelf tegenspreekt. Er zijn wel paradoxen.

Wat ik wel wil benadrukken is dat we bij het doen van bijbelstudie altijd moeten zoeken naar het brede spreken van de Schrift over iets.

Denk aan de wijze blinde Indiërs en de olifant. Allemaal spraken ze over de olifant zoals ze hem zelf ervaarden, maar geen van alle hadden ze gelijk.

Ik wil je prikkelen om verder te gaan dan de grens van je eigen verlangens en wensen en thuis te raken in de hele Schrift. We moeten niet als de Indiërs onze eigen visie opblazen, maar samen zoekend in gesprek blijven over dat wat God in heel Zijn Woord zegt.

 

Wie was Jacobus?

De Bijbel spreekt over verschillende Jacobussen.

1)      Jakobus de zoon van Zebedeüs, de broer van Johannes, de eerste martelaar onder de apostelen (Mark 1:19, Hand 12:2).

2)      Jakobus de zoon van Alfeüs, een discipel van de Heere Jezus (Mat 10:3).

3)      Jakobus de kleine (Mark 15:40).

4)      Jakobus de vader van Judas (Luk 6:16, Hand 1:13).

5)      Jakobus de broer van de Heere Jezus (Mark 6:3, Gal 1:19).        

6)      Jakobus de schrijver van deze brief (Jak 1:1).                 

7)      Jakobus de broer van Judas (Jud 1).                               

 

1 is al vroeg als martelaar gedood

2, 3 en 4 zijn verder onbekend

5, 6 en 7 zijn identiek

 

Waarschijnlijk was deze Jacobus de broer van Jezus (Mk.6:3; Gal.1:19).

·         Hij was een gezaghebbend iemand (Hand.12:17; 15:13-19; 21:18; Gal.2:9).

·         Zijn missie was gericht op gelovigen in de besnijdenis (Gal.2:9).

·         Hij was een man die nauwkeurig de wet naleefde (Gal.2:12-14).

·         Volgens Eusebius (een geschiedschrijver) stond deze Jakobus bij de bevolking in Jeruzalem bekend als ‘de rechtvaardige’. Hij onderhield de wet nauwkeurig en bad elke dag in de tempel voor de bekering van Israël. Waarschijnlijk is hij gestorven in 62 of 68 door steniging.

 

Aan wie schreef Jacobus deze brief?

Hij schreef aan de 12 stammen in de verstrooiing (diaspora), aan het volk van God dus. Met ‘verstrooiing’ wordt hier ook zeker de verstrooiing bedoeld die ontstond door de vervolging na de dood van Stefanus. De Joodse christenen kwamen terecht in het gebied Judea en Samaria (Hand 8:1), Fenicië, Cyprus en Syrisch Antiochië (Hand 11:19). Jakobus schreef hen omdat hij zich als de kerkleider van Jeruzalem nog steeds verantwoordelijk wist.

 

Wanneer schreef Jacobus deze brief?

De brief wordt over het algemeen gedateerd tussen 45 en 62.

Waarschijnlijk is de brief van Jacobus de eerste NT-brief en geschreven omstreeks het jaar 45, wat correspondeert met de gebeurtenissen in Handelingen 12 en 13.

 

Hieronder beschrijf ik waarom de vroege datering de meeste ‘papieren’ heeft.

 

Joodse accenten

We zien dat de christelijke gemeenschap in de tijd van schrijven nog sterk Joods gekleurd was.

·         De plaats van samenkomst heeft (2:2) nog ‘synagoge’.

·         Ook wordt Abraham als vader genoemd (2:21), hoewel je dat ook nog symbolisch zou kunnen opvatten (vgl.Rom.4:1).

·         De uitdrukking kiriou sabaooth (almachtige God) in 5:4 is Joods.

·         In 2:19 vinden we de typisch Joodse belijdenis van het monotheïsme (Deut 6:4).

·         In de brief wordt verder niets gezegd over typisch heidense zonden (afgoderij en hoererij).

·         Vroege en spade regen’ (5:7) zijn typische weersomstandigheden voor Palestina.

·         De schrijver neemt ook aan dat de lezers de wet kennen.

 

Accent op de wet

Jacobus legt een groot accent op het houden van de Wet (2:8, 10). Zijn brief telt dan ook ongeveer 50 geboden. Het concept van de Bergrede (Matth.5-7) schemert regelmatig door:

 

Jakobus          Bergrede

1:5                   7:7

1:17                  7:11

1:20                  5:22

1:22                  7:21

2:5                   5:3

2:13                  5:7

3:12                  7:16

3:18                  5:9

4:3                   7:7

4:11                  7:1

5:1-6                6:19

5:10                  5:12

5:12                  5:34

 

Een duidelijk voorbeeld zie je bij Jac.1:4 en Matth.5:48.

Denk ook aan de zaligspreking van 1:12

 

Verwachting van de spoedige wederkomst

Jacobus leefde in de verwachting van de spoedige toekomst (parousia) van Jezus Christus (5:7-9; vgl. Hand.3:19-21), wat absoluut past in de vroege Handelingen-tijd. Later, als Israël niet tot een collectieve aanname van de Messias komt, neemt het accent op de spoedige verwachting af.

 

Tekenen van het koninkrijk

In Jacobus 5:13-16 lezen we over het zalven van zieken. Dit was een Joods gebruik, wat ook door discipelen van Jezus gedaan werd (Mk.6:13).

De tekenen en wonderen, die tijdens optreden van Jezus vrijwel ongelimiteerd plaatsvonden, onderstreepten Zijn gezag (Matth.11:5) en luidden de komst van Zijn Koninkrijk in (Jes.35:5-6).

De gebeurtenissen in het boek Handelingen borduren op dit thema voort. Denk bijvoorbeeld aan de pinksterpreek van Petrus (Hand.2; Joël 2). Ook in die tijd was de genezing van zieken regel (Hand.5, Hand.19; Mark.16:17).

In de latere brieven van Paulus, geschreven aan het einde van de Handelingen-tijd en daarna, verdwijnt steeds meer het accent op bidden voor allerlei dingen die aangenaam zijn voor ons, voor ‘aardse heelheid’. We krijgen meer inzicht in de hogere belangen van God en Zijn doel met de gemeente.

 

·         2Kor.12:7-10 De doorn in het vlees van Paulus. God nam het niet weg.

·         Ef.1:19 De geweldig grote kracht van God. Doel = sterk staan. Ef.6

·         Ef.3:14 e.v. Het doel van de christen (gaat boven lichamelijke en aardse voorspoed uit).

·         Ef.3:20 God is bij machte om overvloedig te doen boven wat we bidden of bedenken.

·         Ef.4:13-14 Het doel van de christen: volwassenheid in het geloof

·         Ef.6:19-20 Voorbede voor Paulus. Het getuigenis moet doorgaan.

·         Fil.1:21 Te leven is mij Christus en te sterven is mij gewin.

·         Fil.2:17 Blijdschap in moeite.

·         Fil.4:4-7 Verblijd je ten allen tijde. De Heere is nabij. Wees niet bezorgd. Laat alles bekend worden bij God. De vrede van God zal je hart bewaren.

·         Fil.4:11-13 Leren omgaan met moeite (jezelf schikken).

·         Kol.1:28 Doel: iedere mens volmaakt in Christus stellen.

·         Kol.4:2-4 Houd aan in gebed. Volhard. Waakt met dankzegging. Voorbede voor Paulus.

·         1Thess.5:16-17 Verblijd jezelf altijd. Bid onophoudelijk. Dank God in alles.

·         2Thess.3:1-2 Voorbede voor Paulus. Verlangen dat het getuigenis door mag gaan.

·         1Tim.2:1 De plicht van voorbede: smeking, gebed, dankzegging.

Paulus legt de nadruk zowel bij de voorbede en de kracht van God, als bij het feit dat er naast gebedsverhoring nog veel meer bestaat. De zegeningen van een leven in-Christus gaan boven lichamelijk en aards geluk uit.

 

Ook over de koppeling tussen gebed en geloof (Jac.5:15) is veel te zeggen.

·         Vanuit de zekerheid dat God voor Zijn kinderen klaar staat (Mt.7:7, 11; 1Joh.5:14) reikt Jacobus ons drie feiten aan die verhoring in de weg zouden kunnen staan: onvoldoende geloof (1:5-8), gebedsloosheid (4:2) en verkeerd bidden - bidden in eigen belang (4:3).

·         Sommige uitleggers koppelen de verhoring op het gelovig gebed aan de gave van geloof (1Kor.12:9). Dit spoort echt niet met de visie van Jacobus, die in 1:5-6 aangeeft dat het gelovig bidden van toepassing is op alle gelovigen.

Persoonlijk voel ik meer voor de eerste optie, omdat die past binnen de context van de brief van Jacobus. In 5:16 staat dat een ‘krachtig gebed van een rechtvaardige veel vermag’. Een rechtvaardige is iemand die in een ‘rechte verhouding’ tot God staat, niet een zonde-loos mens, maar iemand die wandelt met God. En dat is nu net waar Jacobus het in zijn brief steeds over heeft.

 

Verzoeking

De ‘verzoeking’ waarover Jacobus in 1:2 e.v. spreekt, lijkt ook allereerst betrekking te hebben op de verleiding die de gevluchte christenen meemaakten in hun heidense omgeving, het verleid worden tot zonde (1:14-15). De vervolging in het buitenland was namelijk nog niet begonnen (pas na het jaar 50).

 

Tijdbeeld

Uitgaande van de vroege datering kunnen we het volgende beeld vormen over de tijd waarin Jacobus schreef.

 

Kerkstructuur

De tijd waarin Jacobus schreef was er een waarin de kerkstructuur nog erg hiërarchisch was. Petrus, Jacobus en Johannes leidden vanuit Jeruzalem de christelijke gemeenten.

De Heilige Geest geeft in de tijd van Handelingen niet alleen het ‘startsein’ voor het wereldwijde getuigenis (Hand.1-2), maar geeft ook de loop van het evangelie aan. We zien dit als we de uitingen van de Heilige Geest koppelen aan de geografische gegevens in het boek Handelingen.

 

 

Handelingen 2:1-4         - Jeruzalem

Handelingen 4:3            - Jeruzalem

Handelingen 8:15-17     - Samaria

Handelingen 10:45        - Caesarea (grens Israël, ‘poort’ naar buitenland)

Handelingen 19:2+6       - Korinthe (Griekenland)          

Handelingen 28             - Rome (Europa)

 

De beweging van Hand.1:8 klinkt nog heel duidelijk door in de term ‘12 stammen in de verstrooiing’. Jeruzalem is nog de uitvalsbasis; later was het verschil tussen ‘verstrooid’ en ‘niet-verstrooid’ er niet meer.

 

Accent op de wet

Met het ‘wettische’ standpunt van Jacobus was op zich niets mis. Het correspondeerde met dat wat de Heere Jezus tijdens zijn rondwandelingen op aarde vertelde. We kunnen rustig aannemen dat Jacobus nooit heeft onderwezen dat een mens door wetsbetrachting zalig wordt. In zijn brief benadrukt hij dat een leven uit geloof gekend wordt uit de werken. Op dit punt bevestigen Jacobus en Paulus elkaar (Rom.6:22; Gal.5:22).

 

Als het wets-accent echter een eigen leven gaat leiden, en dat is tijdens de Handelingen-tijd ook gebeurd, dan moeten we echter gaan oppassen.

Het verscherpen van het wets-accent leidde uiteindelijk tot het Judaïsme, wat de gelovigen weer het juk van de Wet oplegde; een leven wat gevuld was met het naleven van allerlei regeltjes en uiterlijk vertoon. In zijn brief aan de Kolossenzen stelt Paulus het Judaïsme openlijk aan de kaak (zie o.a. Kol.2, geschreven na het jaar 60). Ook in de brief aan de Galaten stelt Paulus dit probleem aan orde (zie Gal.3:3).

Maarten Luther, die leefde in een tijd waarin het altijd maar weer over de ‘werken’ ging, en niet over het geloof, heeft eens geopperd om de brief van Jacobus uit de Bijbel te verwijderen. Doorgaans wordt deze uitspraak van hem met een knipoog afgedaan, maar het is goed om onszelf te realiseren dat hij de vinger legt bij een probleem wat ook in de tijd van het Nieuwe Testament al speelde. Is dat nu anders?

 

Hoofdstuk 2 kan gezien worden als een correctie op het mondelinge standpunt van Paulus over de inzettingen die gehouden moesten worden door de bekeerde heidenen (de Romeinenbrief was toen nog niet geschreven). Jacobus en Paulus lagen volgens Gal.2:12-14 niet op één lijn wat het in acht nemen van de Joodse wetten betrof. Pas op het Apostelconvent (Hand.15; in het jaar 49) wordt e.e.a. centraal geregeld.

Paulus heeft zijn brief aan Rome later geschreven dan de brief van Jacobus. Het is goed mogelijk dat hij daarin reageert op het standpunt van Jacobus en verwarring die dat zaait in de gemeenten. Toch zijn beide standpunten waar, ook al gaan ze over de zelfde aartsvader Abraham. Jacobus ageert tegen een geloof zonder werken en toont aan dat ook in Abrahams leven deze doorwerking te zien was. Paulus ageert tegen wetticisme zonder geloof en laat zien dat Abrahams geloof hem tot een kind van God maakte en niet zijn daden.

 

De kern van de boodschap: geen woorden zonder daden

De boodschap van Jacobus is eenvoudig en krachtig, zonder al te veel tekstcompositie.

De brief heeft een sterk vermanend karakter. Veel zinnen staan in de gebiedende wijs.

Er worden zo’n 50 geboden genoemd. De geboden spitsen zich toe op de verhouding tussen geloof en werken. Kennelijk schrijft Jakobus aan Joden die zéggen dat ze christen zijn, maar die met hun levenswandel heel andere taal spreken. Woord en daad zijn niet met elkaar in overeenstemming. Ze belijden ‘dat God één is’ (2:19), maar hun leven is verbrokkeld; een beetje voor God en een beetje voor henzelf.

 

Om zijn boodschap over te brengen gebruikt Jakobus twee belangrijke woorden: di-psuchos en teleion.

 

Het woord di-psuchos kan het beste vertaald worden met ‘dubbelhartig’. Jakobus gebruikt het 2 keer:

1)      In 1:8 spreekt hij over een twijfelende bidder. Jakobus noemt zo iemand innerlijk verdeeld.

2)      In 4:8 beschrijft Jakobus iemand die vriend van God en vriend van de wereld wil zijn. Ook die persoon is innerlijk verdeeld.

 

Jezus zei in de Bergrede over dubbelhartigheid het volgende: Niemand kan twee heren dienen, want hij zal, of de ene haten en de ander liefhebben, of zich aan de ene hechten en de ander minachten (Matth.6:24).

 

Het woord teleion kan als ‘volwassenheid’ of ‘volmaaktheid’ vertaald worden. ‘Tot je doel komen’ is een goede omschrijving. Het woord komt zes keer voor:

 

1)      In 1:4 spreekt Jakobus over standvastigheid in beproeving die volkomen moet doorwerken, dat wil zeggen: op alle terreinen van het leven.

2)      Het doel van deze volkomen doorwerking is volmaaktheid (ook in 1:4).

3)      In 1:17 spreekt Jakobus over de geschenken van God die volmaakt zijn.

4)      Ook de wet is volmaakt (1:25).

5)      Jakobus beschrijft het werkend geloof als volkomen. Wanneer het geloof werkt is het tot zijn doel gekomen (2:22).

6)      Wie in zijn spreken niet struikelt, is een volkomen, een volwassen man (3:2).

Met de woorden ‘doelbewust’ en ‘dubbelhartig’ roept Jakobus zijn lezers op om onverdeeld voor de Heere te leven. Wordt volwassen in het geloof! Laat het geloof je leven bepalen, op alle terreinen! Wees radicaal!

 

Thema’s

Thema’s die door Jacobus aangesneden worden zijn o.a. omgaan met verzoeking / beproeving, handelen met aanzien des persoons, relaties, woordgebruik, onverstandigheid, gebed, verkeerde begeerten, onbarmhartigheid, de vruchten in ons leven.

 

Interpretatie en toepassing

Omdat heel de Schrift ons wat te zeggen heeft (2Tim.3:16), heeft ook de brief van Jacobus ons wat te zeggen. Laten we echter de contextgegevens meenemen naar de toepassing.

Het gebeurt zo vaak dat de Bijbel slordig gelezen wordt en teksten zomaar op de lezer toegepast worden.

 

Voorbeelden:

 

Jacobus 1:5 wordt nogal eens gebruikt in het gebed als men verlegen zit om de leiding van de Heere. De wijsheid waarover hier gesproken wordt heeft echter allereerst betrekking op het omgaan met verzoeking, het maken van goede keuzes te midden van heidense gebruiken.

 

Jacobus 3:1-12 wordt vaak gebruikt als algemene vermaning dat we op onze spraak moeten letten. In werkelijkheid gaat het hier allereerst over dat er niet teveel leraren in de gemeente moeten zijn (3:1) en wil de uitwerking over de tong allereerst een spiegel zijn voor de leraars. Het is, zeker ook voor hen, belangrijk om met daden hun woorden te onderstrepen.

 

Het Schrift-met-Schrift vergelijken mag nooit daartoe leiden dat we aan een Schriftgedeelte een betekenis toekennen die het in de context niet heeft. Bouw een argumentatie dan ook altijd van binnen naar buiten toe op: bekijk een passage altijd eerst in de kleinste context (bijbelboek, bijbelboeken van de zelfde schrijver, bijbelboeken uit de zelfde – heilshistorische – periode) en maak de contextcirkel pas daarna langzaamaan groter (bijbelboeken van andere schrijvers, OT of NT, de hele Bijbel).