|
De test op Moria Aantekeningen bij de
bijbelstudieserie over Abraham in Lunteren |
|
|
|
|
|
Twee
lezingen: de eerste keer kijken we naar de feiten; de tweede keer naar de
typologie Historische lezing 22:1 ·
‘Na
deze dingen’ (of: ‘Hierna’) slaat op 21:34, het lange verblijf in het land
van de Filistijnen. ·
God
verzoekt Abraham; stelt hem op de proef. Waarom doet God dit? En waarom aan
het einde van het ‘Abraham-traject’? In eerste
instantie lijkt het doel van deze beproeving in vers 12 verwoord te worden. >22:12 Je zou in de timing van God
een stukje zorg kunnen zien; hij vraagt dit niet aan een ‘baby in het
geloof’, maar aan iemand die gezien zijn geestelijke leeftijd geacht wordt zoveel vertrouwen in God te hebben, dat hij
deze proef ‘met glans kan doorstaan’. ·
‘Na
deze dingen’; heeft deze gebeurtenis wellicht ook met het lange verblijf bij
de Filistijnen te maken (zie vers 19, waar duidelijk wordt dat Abraham niet
terugkeert naar de Filistijnen)? >22:19 ·
Het
is onduidelijk hoe oud Izak hier geweest is. Gezien
de fysieke belasting van het hout en de driedaagse reis door een heet gebied
zal Izak minimaal een flinke tiener geweest moeten
zijn. Vanwege de vraagstelling in vers 7 en het feit dat Izak
alles zo passief lijkt te ondergaan, denken sommigen eerder aan een jonge
tiener. Andere uitleggers spreken echter over zo’n
20 jaar na 21:33, wat betekent dat Izak dan om en
nabij 25 jaar geweest moet zijn. ·
Hier
het eerste ‘Zie, hier ben ik’ (zie ook vers 7 en 11). Deze uitspraak klinkt
3x in dit gedeelte. 22:2 ·
God
roept en Abraham hoort het direct. Directe en ongecompliceerde communicatie.
Mag je iets anders verwachten van iemand die de vriend van God genoemd wordt
(Jac.2:23)? ·
Wat
een opdracht. Waarom een opdracht om zijn zoon te offeren? Als het inderdaad
gaat om een test van Abrahams offerbereidheid / overgave aan God (zie >22:12), dan ligt juist dit
offer voor de hand. Er was geen ding in Abrahams leven wat hem dierbaarder
was dan zijn zoon Izak. Izak
was zijn toekomst; de enige garantie (sleutel) voor het uitkomen van Gods
beloften. ·
‘Izak, uw enige die gij liefhebt’. Het gaat hier om de hoofdlijn in Abrahams
leven, niet om de zijwegen. Voor God telt (hier) alleen Izak.
Vgl.17:18-19. ·
Waarom
moet dit offer plaatsvinden op een van de bergen in het land van Moria? Als we verder kijken in de Bijbel, blijkt deze
plaats later van grote betekenis te zijn. Koning David offert hier (1Kron.21:22); koning Salomo bouwt er
de tempel (2Kron.3:1) en op een van Moria’s bergen
wordt later ook Jezus (HET OFFER) gekruisigd (Mt.27:33).
Nabij Moria woonde in die tijd Melchizedek, de koning van Salem
en priester van de Allerhoogste (Gen.14, Hebr.7). (zie verder >22:19). Het feit dat
Abraham eerst nog drie dagen moet reizen, lijkt een verzwarende factor; drie
dagen de tijd om te worstelen tussen wél of niet doen. Toch lees je niets van
een innerlijke worsteling bij Abraham. ·
Waarom
moet Abraham een brandoffer (‘olah’ = opstijgen)
brengen? (zie ook vers 7 en 13). Tot aan Genesis 22 wordt er al enkele malen
over (brand)offers gesproken (Gen.4; Gen.8; Abra(ha)m 12:7+8; 13:18). Kenmerkend voor een brandoffer was
dat het in de eerste plaats een (vrijwillige) uiting van dank aan God
inhield. Later, bij de offerdienst, die op Sinaï
ingesteld wordt, krijgt het brandoffer een vaste betekenis. Het brandoffer hoorde bij één van de welriekende offers
(welriekend: brandoffer, spijsoffer en dankoffer; onwelriekend: zondoffer en
schuldoffer). Deze offers waren vrijwillig; d.w.z.
God dwong iemand niet dit offer op een bepaald moment te brengen. Het
offerdier, een gaaf mannetjesdier, moest, op de huid na, in stukken verdeeld
en geheel verbrand worden (Lev.1). Het brandoffer
is een type van Christus, die Zichzelf aan God opofferde en lust had om de
wil van de Vader te doen, zelfs tot in de dood. Het is een uitbeelding van
Christus aan het kruis, niet zozeer als Drager van de zonde, maar als
Volbrenger van Gods wil. Het was een offer van plaatsvervanging. De gedachte
aan straf is bij dit offer niet overheersend. Gezien de betekenis van dit
offer, past het precies bij wat in Gen.22 aan de orde is: plaatsvervanging.
Het merkwaardige is echter dat God Abraham gebiedt om een brandoffer
(vrijwillig) te brengen. Dit onderstreept de opzet van God met deze proef;
het gaat erom dat Abraham echt doet wat God van hem vraagt; onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid. De vraag van God is dus in tweeërlei zin moeilijk: Abraham
moet Izak offeren, maar dan ook nog eens als
brandoffer (normaliter een vrijwillige uiting van dank). 22:3-5 ·
Abraham
neemt de opdracht serieus, ook al is het een onbegrijpelijke opdracht. Toch
zegt hij tegen zijn knechten ook dat ‘zij’ zullen terugkeren. Hoe verhoudt
zich zit? Uit vers 9-10 blijkt dat hij niet zelf iets gaat regelen (vgl.
17:18; 20:13) om dit waar te maken. Hij doet echt wat God van hem vraagt. Hebr.11:18 ‘Hij geloofde dat God machtig was om…’
Maar wat was zijn referentiekader om dit te kunnen bedenken en geloven? Wat
een enorm voorbeeld van puur geloof. ·
Sommigen
denken dat hij dit zegt om Izak in het ongewisse te
laten en nog niet te confronteren met het feit dat hij moet sterven.
Opvallend is wel dat Izak nergens in de beproeving
betrokken wordt. Het gaat hier om de beproeving van Abraham. 22:6-8 ·
Voor
de tweede keer klinkt uit de mond van Abraham het ‘Zie, hier ben ik’. ·
Op
de vraag van Izak antwoordt Abraham: ‘God zal
Zichzelf voorzien van een lam (lett. stuk kleinvee)
voor het brandoffer’. Het grondwoord voor ‘voorzien’ is ‘irae’.
Het gaat er hier niet alleen over dat God ‘zelf iets zal regelen’ (voorzien
in), maar ook dat Hij weet hoe het straks zal gaan (voorzien van, vooraf
zicht hebben op, meer zoals wij ook spreken van Gods voorzienigheid). Dit
antwoord lijkt dus meer dan alleen een ‘zoethoudertje’ voor Izak, zeker als we zien dat in vers 14 dit begrip weer
gebruikt wordt. Abrahams uitspraak is hier een geloofs-uitspraak. ·
Is
het logisch dat iemand hout meeneemt naar een offerplaats op drie dagen
reisafstand? Sprokkelde je dat niet net zoals stenen op locatie bij elkaar?
Wist Abraham dat daar geen hout was? Of was het een nat seizoen? Sommige
uitleggers wijzen erop dat offeraars vaak hun eigen vuur en hout, afkomstig
van hun eigen altaar en bos (vgl. 21:33), meenamen. Als Abraham inderdaad zo
bewust nadacht over wat er mee moest, was de vraag van Izak
des te logischer. Hoe kon zijn vader, die aan alles had gedacht, het offerlam
vergeten? Izak vraagt er pas naar terwijl ze de
berg beklimmen. Wellicht had hij verwacht dat zijn vader in de onmiddelijke nabijheid van Moria
een dier ‘op de kop zou tikken’ Je gaat in het
Midden-Oosten geen reis van drie dagen houden met een dood dier; bovendien
was het gebruikelijk om een zo gaaf mogelijk dier te offeren. ·
Izak draagt het hout, mogelijk omdat zijn vader oud is. 22:9-10 ·
We
lezen niets over hoe Izak dit alles beleeft. Het
moet een ontzagwekkende ervaring geweest zijn. Het gaat in dit verhaal echter
om de beproeving van Abraham (22:12). ·
Abraham
is volledig bereid om te doen wat God van hem vraagt (zie vers 12 en 16). 22:11-12 ·
De
Engel des HEEREN (boodschapper van JHWH) spreekt dit keer tot Abraham. In
22:1 staat dat God (Elohim) tot hem sprak. De Engel
des HEEREN komen we in het verhaal van Abraham alleen tegen in Genesis 16, 21
(Engel Gods), 22 en 24:7 en ·
De
Engel des HEEREN vereenzelvigt zich wel met God: ‘Nu weet Ik dat gij…’ ·
Abraham
Abraham! Dit is de eerste van de 10 dubbelzeggingen in de Bijbel (Vb. Ps.22:2; Mk.15:34) ·
Voor
de derde keer klinkt uit de mond van Abraham het ‘Zie, hier ben ik’. ·
De
conclusie van de Engel des
HEEREN is: ‘Nu weet Ik dat gij godvrezend bent; en
uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.’ Het lijkt erop dat dit het doel
van de beproeving (vers 1) was. Jacobus lijkt deze
visie te ondersteunen (Jac.2:23). Hij ziet dat wat
hier gebeurt als vervulling (volmaking) van Gen.15:6, waar staat dat God
vanwege Abrams geloof in Zijn beloften het hem tot
rechtvaardigheid rekent. Geloof in God (zonder eerst te zien - Hebr.11:8 e.v.) is echter niet het zelfde als het liefste
wat je hebt aan God opofferen. Voor beide is wel een groot vertrouwen nodig. Jacobus beargumenteert dat geloof (= vertrouwen) blijkt
uit de werken (in dit geval het offer wat God van Abraham vraagt). Uit Gen.22
blijkt dat Abraham dat vertrouwen bezit; zelfs al voor dat God Zijn conclusie
trekt (22:5 en 12). Zijn vertrouwen is waarschijnlijk bij God bekend, maar
wat Hij nu wil weten is of Abraham ook bereid is om het
liefste wat hij heeft (zijn toekomst) aan God op te offeren. ·
Abraham
wordt door God gelabeld als ‘godvrezend’. Godvrezend zijn heeft hier alles te
maken met gehoorzaamheid en blind vertrouwen op God. Het lijkt alsof dit
begrip aan devaluatie onderhevig is; wanneer noemen wij iemand godvrezend? 22:13-14 ·
Abraham
ziet een ram (mannelijk schaap). Zat die ram daar al lang vast? Abraham
gebruikt bij zijn conclusie weer het woord ‘irae’.
Hij ziet hier bevestigd wat hij in vers 8 - in geloof -al tegen Izak zei. Het offerdier moest een gaaf dier zijn. Was
deze ram, die vast gezeten had, nog gaaf of is het tekenend dat hij juist
alleen met zijn horens vast zat? ·
Hij
noemt de plaats naar wat hier heeft plaatsgevonden: Jehova-Jireh.
Jaweh heeft voorzien in het plaatsvervangend
offer, waardoor Izak kon blijven leven. Jehovah-Jireh is de 1e van de 7 samengestelde Namen van
God in de Bijbel. Abraham benoemt hier het hart van de plaatsvervangende
verzoening. In tweede instantie geldt dan ook wat in Rom.8:32
staat: ‘Hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken’. ·
Moria wordt hier verbonden met de naam ‘berg des Heeren’.
Met een enkele uitzondering Num.10:33)
wordt in de Bijbel met deze naam altijd de berg Sion,
één van Moria’s bergtoppen bedoeld (Ps.24:3; Jes.2:3; Mich.4:2). ·
Abraham
spreekt hier profetische woorden. 22:15-18 ·
Voor
de tweede keer spreekt de Engel des HEEREN; hij
brengt een boodschap van de HEERE over. ·
De
HEERE zweert bij Zichzelf dat hetgeen in vers 17 en
18 beloofd wordt ook echt werkelijkheid zal worden. Reden hiervoor: Abraham
heeft zijn enige zoon aan de HEERE niet onthouden. Voor God is het alsof Izak geofferd is (Hebr.11:17). De HEERE zweert bij
Zichzelf. Dit is in de Bijbel een zeldzaamheid (er wordt in de Bijbel
ongeveer 200x over zweren gesproken). Jesaja 45:23
en Amos 6:8 zijn de enige teksten die hier dichtbij
komen. Ps
89:35; Amos 4:2 De
HEERE zweert bij Zijn eigen heiligheid. Jes
62:8 De HEERE
zweert bij Zijn rechterhand. Jer
51:14 De HEERE
zweert bij Zijn ziel. Jer.44:26
De HEERE zweert bij
Zijn eigen Naam. Dan.12:7
De Man, bekleed met
linnen, zweert bij Hem die eeuwig leeft. Op deze
eed zijn de zegeningen van Israël gegrond 24:7, 26:3, 50:24, Ex.13:5,11;
33;1. Zie ook de psalmen 98:35,
132:11. Steeds wordt er naar dit moment teruggegrepen. ·
God
belooft in het verhaal van Abraham op zeven momenten iets aan hem. Dit is de
laatste keer en ook de enige keer dat de belofte compleet is (zie
bijbelstudie 3 – persoonlijke zegen, ontelbaar nageslacht, bezit, zegen
vanuit het nageslacht). Het is opvallend dat juist Izak,
de ‘sleutel’ voor het uitkomen van Gods beloften, in dit hoofdstuk deel
uitmaakt van Abrahams beproeving. 22:19 ·
Na
deze gebeurtenis verhuist Abraham naar Ber-seba.
Hij blijft niet wonen tussen de Filistijnen, waaronder hij zo lang verkeerd
heeft, maar komt terug op de plaats waar hij jaren eerder een bos plantte
(21:33). Berseba zal in de geschiedenis van Israël
een belangrijke plaats blijken te zijn, de woonplaats van de meest zuidelijke
stam van het volk Israël (denk aan de uitspraak ‘van Dan (N)
tot Berseba (Z)’). Ber-seba
in Genesis: o
Gen.21:14 Hagar
in woestijn Ber-seba o
Gen.21:32 Verbond met Abimelech
en Pikol in Berseba o
Gen.22:19 Terug naar Berseba o
Gen.26:23-25 Izak naar Berseba 25 / offer o
Gen.26:26-31 Verbond met Abimelech
en Pikol in Berseba o
Gen.46:1
Jacob
bij Berseba / offer ·
Abraham
moet om Moria te bereiken drie dagreizen naar het
noorden gaan; voorbij Mamre (Hebron).
Terugkijkend in Abra(ha)ms leven zien we dat de perioden dat hij verbleef
in het zuiden twee keer voor grote problemen hebben gezorgd (Gen.12 en 20).
Hij woonde daar ‘onder de paraplu’ van andere vorsten. In dit verband spreekt
de betekenis van de naam Gerar (toenmalige Filistijnse hoofdstad) boekdelen; Gerar
betekent ‘oponthoud’. Het gebied wat Abraham in geloof
mocht bezitten was echter vele malen groter dan alleen het zuidelijke stuk.
Het lijkt erop dat Abrahams verhuizing naar Ber-seba
het tweede winstpunt uit dit verhaal is. Hij neemt hierdoor weer zijn
kwetsbare plaats in onder de stammen van Kanaän,
een plaats waar het vertrouwen in God weer verder kan groeien. |
|
|
|
|
|
Typologische lezing Typologie in Genesis In Genesis komen we op verschillende plaatsen typologie tegen. Voorbeelden van typen (overeenkomst tussen beeld en origineel): de ark (der behoudenis) en Jozef als type van Christus. Een voorbeeld van een antitype (tegenstelling tussen beeld en origineel) vinden we in Adam: in Adam vervloekt, in Christus gezegend. Typologie in het verhaal van Abraham We kwamen de volgende typen tegen: Melchizedek als type van Christus; de zegen die van Abrahams nageslacht uitgaat en die vervuld wordt in Christus; de aanval op het zaad als onderdeel van de doorlopende aanval op Het Zaad. In Genesis 22 krijgen we, in vergelijking tot andere passages, te maken met een grote concentratie van typologische details. Typologie in Genesis 22 De typologie in dit hoofdstuk spitst zich toe op de plaatsvervangende verzoening. Steeds weer kan de vergelijking gemaakt worden tussen Abraham-Izak en Jezus Christus. |
|
|
Abraham en/of Izak |
Jezus Christus |
|
|
|
|
Typen |
|
|
Een reis van 3 dagen naar Moria |
Een reis van 3 jaar naar Golgotha |
|
De enige en geliefde zoon |
‘Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde’ |
|
Op Moria wordt een ram geofferd |
Op Golgotha wordt Het Lam geofferd |
|
Izak draagt zelf het hout voor
het offer |
Jezus draagt Zijn eigen kruis (Joh.18:7) |
|
Izak was zelf het offer |
Jezus was het Offer |
|
Geen knechten erbij – alleen Abraham en Izak bestijgen de berg |
Geen mensenhulp – een zaak van de Vader en Zijn Zoon Jezus
(Joh.10:30; 2Kor.5:19). |
|
Onbegrijpelijke opdracht: vader offert zoon |
Onbegrijpelijke opdracht: vader offert zoon |
|
Deze daad is oorzaak van zegen (nageslacht) |
Deze daad is oorzaak van Zegen |
|
Abraham is gehoorzaam. 3x Hier ben ik. |
Jezus was gehoorzaam. Joh.17:4. |
|
‘Wij zullen terugkeren’ / 3e dag |
‘Ik zal u voorgaan naar Galilea
/ 3e dag was ook de dag van de opstanding |
|
Izak verweerde zich niet |
Jes.53:7 ‘Als een lam wat stemmeloos is…’ |
|
Antitypen |
|
|
Offer gebracht – dier levert bloed / plaatsvervanging /
dier i.p.v. mens |
Offer gebracht – het bloed van Jezus / geen
plaatsvervanging / mens i.p.v. dier |
|
Izak is samen met zijn vader |
Jezus lijdt alleen |
|
Dubbelzegging: God praat tegen Abraham |
Dubbelzegging: Jezus roept Zijn Vader |
|
Engel des HEEREN / geen direct contact |
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt
Gij Mij verlaten? |
|
Typologie in de plaatsnamen Wellicht zijn ook de plaatsnamen in dit hoofdstuk niet zonder betekenis. Vanuit Gerar (oponthoud) komt Abraham terecht bij Moria (de HEERE zal voorzien; verkoren door de HEERE). Daarna gaat hij terug naar Ber-seba (bron van zeven of bron van de eed). Abraham komt terug bij de plek waar hij al in 21:33 een bos plantte en de Naam van de HEERE aanriep. Via de verzoening komt hij terug bij de aanbidding. Dat gebeurt ook in 22:14. Samenvatting Een uniek hoofdstuk Goed beschouwd is Genesis 22 om meerdere redenen een opmerkelijk hoofdstuk. 22:1 Eerste keer dat iemand de opdracht krijgt om een brandoffer te offeren 22:2 Markering belangrijke plaats: tempel, Golgotha. 22:11 Eerste van de 10 dubbelzeggingen. 22:13 De kern van de plaatsvervangende verzoening wordt hier zichtbaar. Dit is het eerste moment in de Bijbel dat (middels typologie) zo’n duidelijk beeld van het lijden van de Heere Jezus wordt geschetst. 22:14 Eerste van de zeven samengestelde Namen van God. 22:16 Eerste (van de drie) keer dat God bij Zichzelf zweert. 22:17-18 Eerste keer dat de belofte volledig wordt uitgesproken / laatste van de zeven keer dat God aan Abraham een belofte doet. |
|
|
|
|
|
In Genesis 22, aan het einde van de geschiedenis van Abraham, ligt de kiem besloten van twee lijnen, die beide in Jezus Christus hun vervulling vinden. Een gedicht Een gedicht waarin ik geprobeerd heb de lijnen uit Genesis 22 te verweven: de onbegrijpelijke opdracht, gehoorzaamheid en bereidheid, het doorzicht naar het offer van Jezus Christus. Abraham, sta op en neem je zoon Breng hem als een offer voor Mijn troon Ga naar Moria, weet dat Ik besta, en bij je
ben… Hier ben ik Heer, ‘k vertrouw op U steeds weer En ik weet dat ik straks met Izak wederkeer Hier ben ik Heer, ik gehoorzaam u steeds meer Laat alles wat ik doe zijn tot Uw eer. Vader, ik begrijp niet hoe het moet Want die and’re keren vloeide dierenbloed Mijn zoon van wie ik hou, er is geen and’re
weg: ik offer jou… Hier ben ik Heer, ‘k vertrouw op U steeds weer En ik weet dat ik straks tot het leven wederkeer Hier ben ik Heer, ik wil doen wat U me vraagt Als een lam dat de schuld van mensen draagt. Aanvullende Schriftgedeelten Jacobus 2:17-23 Statement: geloof zonder werken is dood. Jacobus zegt dat Abraham uit de werken gerechtvaardigd werd toen hij Izak offerde. Hij ziet in Gen.22 de vervulling van Gen.15:6 en voegt daaraan toe dat Abraham ‘de vriend van God werd genoemd’. De clou van deze passage vinden we in vers 24: een mens wordt ook uit de werken gerechtvaardigd, en niet alleen uit het geloof. Rom.4:2-11 Dit gedeelte lijkt haaks te staan op wat Paulus zegt in Rom.4:2-11. Paulus haalt eveneens Gen.15:6 aan en onderbouwt hiermee dat Abraham niet uit de werken, maar uit het geloof alleen gerechtvaardigd wordt. We kunnen deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid niet begrijpen zonder iets meer te begrijpen van de context waaruit beide apostelen schrijven. Jacobus en Paulus Waarschijnlijk is de brief van Jacobus de eerste NT-brief en geschreven omstreeks het jaar 45, corresponderend met de gebeurtenissen in Handelingen 12 en 13. Paulus heeft zijn brief aan Rome later geschreven dan de brief van Jacobus. Het is goed mogelijk (zie ook Gal.2:12-14) dat hij reageert op Jacobus en verwarring die hij in diens boodschap meent te zien. Toch zijn beide uitspraken waar, ook al gaan ze over de zelfde aartsvader Abraham. Jacobus ageert tegen een geloof zonder werken en toont aan dat ook in Abrahams leven deze doorwerking te zien was. Paulus ageert tegen wetticisme zonder geloof en laat zien dat Abrahams geloof hem tot een kind van God maakte en niet zijn daden. De brief van Jacobus laat zien dat de christelijke gemeenschap in de tijd van schrijven nog sterk Joods gekleurd was. Jacobus legt een groot accent op het houden van de Wet (2:8, 10). Zijn brief telt dan ook ongeveer 50 geboden. Het concept van de Bergrede (Matth.5-7) schemert regelmatig door. Het verscherpen van het wets-accent leidde uiteindelijk tot het Judaïsme, wat de gelovigen weer het juk van de Wet oplegde; een leven wat gevuld was met het naleven van allerlei regeltjes en uiterlijk vertoon (zie o.a. Kol.2 (geschreven na het jaar 60), waarin Paulus een mengvorm van Judaïsme en Grieks denken aan de kaak stelt als dwaalleer). Hebreeën 11:17-19 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd. Hier wordt bevestigd wat in Gen.22:12 en 16 staat: voor God is het alsof Izak geofferd is. Nehemia 9:8 Het is mogelijk dat deze passage doelt op Gen.22, mede omdat hier de ‘getrouwheid’ van Abraham genoemd wordt, evenals de belofte van het landbezit (vgl. Gen.22:16-18). Gesprekspunten bij de bijbelstudie over Moria Er zijn ook dit keer in principe weer genoeg zaken om te bespreken met elkaar. Laten we beseffen dat de ervaring die Abraham hier opdoet een diepe les is, waarover je niet zomaar mee kunt praten. Alleen al het meekijken naar en begrijpen van wat hier gebeurt is al geweldig. Het hoeft niet altijd over jezelf te gaan om ergens (geestelijk) van te leren. In deze bijbelstudie kwamen onder andere de volgende dingen naar voren. Loop ze nog eens langs en kijk samen wat je nog met elkaar wilt delen. 1. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God, ook al druist het tegen alles in. 2. Dit keer regelt Abraham niets. Hij geeft zich volkomen over aan Gods wil en weg. 3. De HEERE test hier geen ‘baby in het geloof’, maar aan iemand die gezien zijn geestelijke leeftijd geacht wordt zoveel vertrouwen in God te hebben, dat hij deze proef kan doorstaan. 4. Drie keer klinkt in dit hoofdstuk het ‘Zie, hier ben ik’. Een uiting van bereidheid. 5. God roept en Abraham hoort het direct. Directe en ongecompliceerde communicatie. 6. God vraagt van Abraham het kostbaarste wat hij heeft, zijn toekomst; de enige garantie (sleutel) voor het uitkomen van Gods beloften. God test dingen die er toe doen. 7. Abraham zegt tegen zijn knechten dat ‘zij’ zullen terugkeren. Wat een geloof. 8. Geloven in God (vertrouwen) is niet het zelfde als het liefste wat je hebt aan God opofferen. Ook voor het tweede is een groot vertrouwen nodig. 9. Abraham spreekt hier voor het eerst met de Engel des HEEREN. Het is opvallend dat meer bijbelse personen in tijden van beproeving geen direct contact met God ervaren. 10. Hier leren we over het hart van verzoening en plaatsvervanging. 11. Abraham noemt de plaats naar wat hier heeft plaatsgevonden: Jehova-Jireh. Hij borgt (legt vast) zijn ervaring. 12. Naar aanleiding van Abrahams gehoorzaamheid zweert bij Zichzelf dat wat Hij in vers 17 en 18 beloofd wordt ook echt werkelijkheid zal worden. Gehoorzaamheid wordt hier beloond. 13. Abraham neemt na Moria weer zijn (kwetsbare) plaats in onder de stammen van Kanaän, een plaats waar het vertrouwen in God weer verder kan groeien. Matth.16:25 ‘Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.’ |
|