|
Tijdrekening en de 70 weken van Dan.9:24-27 Aantekeningen bij
bijbelstudie 8 over het boek Daniël; Lunteren
seizoen 2006-2007 |
|
|
|
Index 1. Daniël 9:24 2. Daniël 9:25 3. Daniël 9:26-27 3.3. De verwoesting van
Jeruzalem 3.4. De getallen van het
einde en de vernieuwing 1. Daniël 9:24 24
Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de
overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de
ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen,
en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der
heiligheden te zalven. In hoofdstuk 9 zien we
Daniël in gebed (vers 1-20). Hij verootmoedigt zich en doet voorbede voor
zijn volk. Hij smeekt om herstel van zijn volk, hun land en vooral de stad Jeruzalem
en het heiligdom. Reden: ‘Om Uws Naams wil!’ Het
gaat hem aan het hart dat zijn volk lijdt, maar nog veel meer dat Gods Naam
heeft geleden door het volk. Aansluitend op dit gebed
komt de engel Gabriël naar Daniël toe. Hij noemt
Daniël een zeer beminde man en is gekomen om hem helder inzicht te geven over
(vers 21-23), naar zo blijkt, de toekomst van het Daniëls
volk (vers 24-27). Hoewel vers 27 in mineur
eindigt, met een omschrijving van verwoesting, lezen we in vers 24 al over
het uiteindelijke resultaat van alles wat er nog komen gaat. ‘Zeventig weken zijn bestemd over uw volk,
en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te
verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige
gerechtigheid aan te brengen, en om
het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der
heiligheden te zalven.’ Dit vers verwoordt wat al
in Jeremia 31 genoemd wordt: het herstel van Israël en het aanbreken van het
Messiaanse rijk (31-34, 38-40). Lees ook Ezech.37:21-28. 2. Daniël 9:25 25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen,
tot op Messias (Gezalfde), den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig
weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in
benauwdheid der tijden. Voor het woord ‘weken’
staat het Hebreeuws het woord ‘zevens’. ·
9:24
– 70 zevens ·
9:25
– 7 zevens en 62 zevens ·
9:26
– 62 zevens ·
9:27
– één zeven, de helft van een zeven Met deze ‘weken’ worden
geen weken van 7 dagen bedoeld. In Dan.10:2-3 (SV) gaat het
over ‘weken der dagen’ (= weken die uit dagen bestaan), zoals blijkt uit
10:13, maar in 9:24-27 gaat het over ‘weken’, waarmee dus een andere
tijdseenheid bedoeld wordt. Vers 27 brengt ons op het
spoor. De gebeurtenissen die daar beschreven worden corresponderen naar mijn
mening met dat wat geschreven staat in Op.12:14 en 13:5 (zie bijbelstudie 7 –
Het volk Israël in de toekomst). Zie ook Dan. 7:25 en 12:7. De ‘tijd, tijden
en een halve tijd’, waarin de vrouw (Israël) en de heiligen door de draak
vervolgd worden, worden daar gelijkgesteld aan 42 maanden, wat betekent dat
het hier gaat over een periode van 1260 dagen ofwel 3 ½ jaar. Met de ‘weken’
uit Dan.9 worden geen weken van zeven dagen bedoeld, maar weken van zeven
jaren; jaarweken. Anderen gebruiken Ezech.4:6
en Num.14:34 om aan te tonen dat een profetische
‘dag’ staat voor een jaar. Vanaf het bevel tot
terugkeer en herbouw tot aan de Messias zijn 7 weken en 62 weken. NB. Ik kies hier voor de
vertaling van de SV en de KJV, omdat je met andere
vertaalopties niet tot een uitleg komt die in lijn is met het bijbelse
spreken over Israëls herstel. Daarbij komt dat
nieuwere vertalingen vaak een schriftkritische visie op het boek Daniël
hebben, wat mij geen vertrouwen geeft in de vertaalkeuzes die gemaakt zijn. Voor de NBV geldt dit in ieder geval overduidelijk
(zie inleiding bij het boek Daniël van de NBV). De eerste
7 weken beginnen bij het bevel om Jeruzalem te herbouwen (Ezr.1:1-4;
2Kron.36:22-23). In Dan.9:25
wordt niet gezegd dat het hier gaat om het bevel van Kores, maar gezien het
feit dat de Bijbel geen andere koning aanwijst die dit bevel heeft gegeven,
moet hij het wel zijn. De straten en grachten zijn
inderdaad herbouwd in een tijd van benauwdheid. De lokale bevolking,
waaronder veel Samaritanen, heeft er alles aan gedaan om de wederopbouw van
Jeruzalem te verhinderen. Door support van de Perzische koningen en onder
leiding van Ezra en Nehemia is de wederopbouw uiteindelijk toch voltooid.
Vanwege het bevel tot terugkeer hebben we de neiging om Kores een sympathieke
koning te vinden. Het is echter veel waarschijnlijker dat Kores en zijn
opvolgers niet tot het geven van steun aan het Joodse volk gedreven werden
door ‘heilige ijver’, maar puur omdat een herstelde Joodse staat hen goed van
pas kwam in de strijd tegen Egypte (als sterke buffer of als loyale
bondgenoot). De 62 weken die volgen op
de 7 weken, reiken tot aan de Messias, de vorst. Het woord ‘Messias’
betekent ‘gezalfde’. Vanaf Zijn doop bij de Jordaan was Jezus de Gezalfde
(Hand.10:37-38). Hij werd daar door Johannes aan het volk voorgesteld en
begon vanaf dat moment Zijn openbare bediening (Luk.4:16-21). Het woord ‘Vorst’ (SV) kan
beter vertaald worden met ‘kroonprins’ of ‘prins’. Een kroonprins heeft recht
op de troon, maar moet hem nog wel bestijgen. Jezus
is de toekomstige Koning (Matth.1:1; Luk.1:69; Matth.21:9) en wordt daarom ook gezalfd, maar het
daadwerkelijke koningsschap zal pas vervuld worden in de toekomst (Ps.72); na 70 weken. Een mooi (wellicht
typologisch) voorbeeld hiervan zien we bij David. Hij wordt door Samuël tot
koning gezalfd (1Sam.16), maar wordt pas jaren later door Juda (2Sam.2) en
Israël (2Sam.5) als koning erkend. De 62 weken eindigen dus
bij de doop van Christus, in het 15e jaar van Tiberius
(Luk.3:1), als Jezus 30 jaar oud is. De christelijke
jaartelling (Anno Domini) is afkomstig uit 6e
eeuw en ontwikkeld door de monnik Dionysius Exiguus. Dionysios heeft helaas
een telfout gemaakt. Bewezen is dat Christus 4 jaar voor het jaar 0 is
geboren. Wij leven dus nu (2007) niet 2007 jaar na Christus, maar 2011 jaar
na Christus. De terugkeer van de Joden
vindt volgens de algemene geschiedenisboeken plaats in het jaar 538 voor
Christus. Rekenen we vanaf die tijd 7+62 zevens vooruit (= 69x7 jaren = 483
jaren), dan komen we uit in het jaar 55 voor Christus. Het jaar waarin
Christus gedoopt wordt, is het jaar 26. We komen dus 55+26 = 81 jaar te kort.
Hoe lossen we deze puzzel op? De algemene tijdstabellen
over pakweg de laatste 600 jaar voor Christus, zijn
gebaseerd op het werk van de Egyptische astronoom Ptolemy.
Ptolemy (2e eeuw na Chr.) heeft een
overzicht (canon) gemaakt van de Perzische koningen vanaf Kores t/m Alexander
de Grote. Hiervan zijn nagenoeg alle moderne tijdrekeningen afgeleid. Het
werk van Ptolemy wordt echter door meerdere
geschiedschrijvers en overleveringen, waaronder die van Josefus,
tegengesproken. Het grootste probleem is dat de canon van Ptolemy
in conflict komt met de bijbelse tijdrekening. Ptolemy
maakt de duur van de Perzische regering zo’n 80 jaar
te lang, waardoor verwarring ontstaat over bijbelse gegevens, zoals
bijvoorbeeld de berekening van de zevens in Daniël 9. Kortgezegd
komt het er hier op neer dat of Dan.9:25 onjuist is, of dat de terugkeer van
de Joden in het jaar 538 niet klopt. We zullen een principiële keus moeten
maken voor wiens ‘getuigenis’ we willen volgen: die
van een heidense astronoom of die van de bijbelse profeet Daniël. Ik kies
voor het laatste, te meer omdat ook de Bijbel zelf laat zien dat de val van
Jeruzalem, 70 jaar voor het eerste regeringsjaar van Kores, later moet vallen
dan altijd gedacht werd. En als de wegvoering later valt, dan geldt dat ook
voor de terugkeer. Volgens de chronologie van Anstey (alleen op basis van bijbelse gegevens) valt het
eerste jaar van Nebukadnezar in 3520 AH, wat samen valt met 527 voor
Christus. Anstey telt vanaf de schepping van de
mens (Anno Hominis) en bij deze jaartelling wordt
het scheppingsjaar van Adam het jaar 0 genoemd. De
ballingschap, die begon in het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar (Dan.1:1;
Jer.25:1), begon volgens Anstey
dus in 527 voor Chr. en eindigde dus zeventig jaar later in 457 voor Chr. (het
eerste regeringsjaar van Kores). Als we vervolgens doorrekenen (457+483),
komen we bij de doop van Jezus in de Jordaan uit op 4071 AH, oftewel het jaar 26 na Christus. We zijn met deze telling
het probleem met de 81 jaren kwijt. Op het moment dat we de
telling van Dan.9:25 aanvaarden, komen we echter wel in conflict met alle
tijdtabellen in de geschiedenisboeken. Dat lijkt heel arrogant, maar het is
belangrijk om onszelf steeds te realiseren dat deze imposante tijdrekeningen
slechts terug gaan op het document van een Egyptische astroloog. Het is
trouwens niet de eerste keer dat we bij het bestuderen van het boek Daniël
geconfronteerd worden met tegenstellingen tussen het getuigenis van de Bijbel
en dat van de historische overzichten. Een goed voorbeeld hiervan is de
puzzel rondom Darius de Meder
(zie bijbelstudie 4 – Opbouw en compositie). Als we aannemen dat het
getuigenis van Gods Woord over de pakweg eerste 3500
jaar tijd nauwkeurig is, waarom zullen we daarop dan niet vertrouwen als het
gaat om het vervolg, t/m de komst van Christus?! Het probleem van de 81
jaren wordt door theologen doorgaans opgelost door te stellen dat de 7 weken
(49 jaren) van Dan.9:25 pas beginnen bij de komst van Ezra en Nehemia in
Jeruzalem (Neh.2). Men grijpt hierbij het gegeven
aan dat in Dan.9:25 niet de naam van Kores genoemd wordt. De opdrachtgever
zou dan Arthasasta geweest zijn (Ezr.7; Neh.2). Nehemia zou pas
93 jaar na het bevel van Kores teruggekeerd zijn, 13 jaar later dan Ezra
(Bijbelse Encyclopedie; Kok Kampen, blz.542). De
komst en het werk van beide mannen is inderdaad cruciaal en onmisbaar geweest
voor de opbouwwerkzaamheden (materieel en geestelijk). Als je de 7 weken laat
beginnen op het moment dat Ezra zijn werk begint, schuiven de 7+62 weken 80
jaar op en is de puzzel ook compleet. Hoe mooi deze oplossing ook
lijkt, toch kan ik er niet in meegaan. De stellingname
klopt namelijk niet met het de gegevens uit de boeken Ezra en Nehemia zelf.
Ten eerste maakt men geen onderscheid tussen de Arthasasta
van Ezr.4:7 en de Arthasasta
van Perzië, waarover in Ezr.7:1
gesproken wordt (zie verder de studie over de Perzische koningen en de
Bijbel). Ook ziet men over het hoofd dat niet een Arthasasta
(‘Arthasasta’ is geen naam, maar een titel) de
opdrachtgever van het bevel tot wederkeer kan zijn geweest. Zowel in Ezr.7 als in Neh.2 geeft de Arthasasta geen bevel tot opbouw, maar hij geeft slechts
zijn medewerking, al dan niet gekoppeld aan een financiële donatie. De Joden
keren tijdens het eerste regeringsjaar van Kores terug onder leiding van Zerubbabel en Jozua (Ezr.2:2; Neh.7:7, 12:1). De Nehemia waarover in Ezr.2:2 en Neh.7:7 gesproken wordt is een balling die gelijk al is
teruggekeerd en niet ‘de’ Nehemia. Op
het moment dat Nehemia in Jeruzalem aankomt (het 20ste jaar van Arthasasta - 2:1), bestaat de lokale tegenstand nog
steeds (2:10; 4:1-2) en is Jeruzalem nog niet herbouwd (1:3). Deze Arthasasta is daarom degene waarover gesproken wordt in Ezr.4:7 en een ander dan in Ezr.7:1.
Nehemia begint met de herbouw van de muren. Ezra beschrijft in zijn
boek de terugkeer vanaf het begin, maar gaat zelf pas later naar Jeruzalem terug
(Ezr.7:1 e.v.). Hij is niet degene over wie
geschreven wordt in Neh.12:1. Ezra komt aan op het moment dat de tempel al
herbouwd is (Ezr.5:1-6:15), onder leiding van Zerubbabel en Jozua (Ezr.5:2)
en heeft zich ingezet voor het herstel van de eredienst. Nehemia spreekt pas
over Ezra in Neh.8:2. Het is naar mijn mening dus
veel aannemelijker om te stellen dat Ezra pas in Jeruzalem gearriveerd is na
Nehemia, en niet andersom, zoals meestal gezegd wordt. Om te kunnen bepalen
hoe lang na het bevel van Kores Nehemia en Ezra in het Jeruzalem zijn
gekomen, zijn we afhankelijk van de (vaak ontbrekende) jaartallen over
Perzische koningen. Ik ga er nu verder ook niet op in, want het is geen
sleutelgegeven voor het vraagstuk waar we mee bezig zijn. Hoewel de wederopbouw
van Jeruzalem pas veel later ter hand werd genomen, misschien wel pas vanaf
het moment dat Nehemia arriveerde, blijft voor mij het gegeven van Dan.9:25
overeind staan, dat de telling van de 7 weken begint bij het bevel van Kores
en niet bij dat van één of andere Arthasasta. We
zijn dus aangewezen op de tijdrekening van Anstey. 3. Daniël 9:26-27 26
En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven
zijn (terwijl er niets tegen Hem is); en een volk des vorsten (het
volk van een vorst), hetwelk (die) komen
zal, zal de stad en het heiligdom verderven (te gronde richten), en
zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed (in
de overstroming), en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk
besloten verwoestingen (verwoestingen waartoe vast besloten is). 27
En hij zal velen het verbond versterken (zwaar maken) een week (een
week lang); en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het
spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken
vleugel zal een verwoester zijn (op een vleugel van gruwelen
zal een verwoester komen), ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den
verwoeste (en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over al wat
woest is). Na 62 jaar zal de
Kroonprins uitgeroeid worden. Er staat niet hoe lang daarna, maar we weten
dat dit ongeveer drie jaar daarna is gebeurd, in de 63e week dus. Het is belangrijk dat hier
niet gesproken wordt over ‘na 69 weken’, maar over ‘na 62 weken’. Er wordt
onderscheid gemaakt tussen de 7 en de 62 weken en ze worden niet bij elkaar
opgeteld. De zeventig weken waarin Israëls herstel
centraal staat (zie vers 24) beginnen dus pas te tellen na de 49 jaren van
herbouw. Vaak wordt gedacht dat in
Dan.9:26 de 69e week bedoeld wordt, maar dat kan gewoonweg niet
waar zijn, omdat we dan slecht nog 1 week (7 jaar) overhebben waarin zowel de
omwandelingen van Jezus op aarde als het hele eindtijdscenario moeten passen.
De 70e week is echter gereserveerd is voor de gebeurtenissen in de
toekomst en heeft betrekking op de periode die vooraf gaat aan de komst van
Jezus Christus in heerlijkheid. De hoofdlijn van
Dan.9:24-27 is de toekomst is van het volk Israël. Het boek Handelingen vertelt
ons hoe de zaken zich ontwikkelden na de uitstorting van de Heilige Geest
(zoals voorzegd door Joël – duidelijk een eindtijdscenario). De collectieve
bekering van Israël, waarvan Petrus het begin vol vuur benoemde, bleef uit.
Het boek Handelingen, waarin een periode van 35 jaar (5 weken) beschreven
wordt (26-61 na Chr.), eindigt (Hand.28:26-29) met de profetie van Jesaja 6, die werkelijkheid wordt: de verharding van het
volk Israël. Israël kreeg 5 weken de
tijd om de Messias te aanvaarden, eerst door optreden van Hemzelf;
daarna door dat van de apostelen, maar het mocht niet baten (5 het getal van
genade). Na het jaar 61 bleven er
nog 3 weken, dus 21 jaar over (62+5=67). In lijn met de profetie uit
Dan.9:24-27 zullen ook deze drie laatste weken in het teken staan van Israël.
We hebben het dan over de moeilijke tijd die Israël in de eindtijd al
meemaken, maar ook over de loutering die daardoor zal optreden, uitmondend in
hun bekering en het volbrengen van hun taak op deze aarde. 3.3. De verwoesting
van Jeruzalem In het jaar 70 na Chr. ging
het woord van Jezus in vervulling (Luk.21:6). Jeruzalem werd door de Romeinse
keizers verwoest. Zoals Antiochus Epiphanes een voorafschaduwing is van de antichrist (zie
bijbelstudie 6 – De wereldrijken en hun einde), zo is deze verwoesting een
voorafschaduwing van de tijd van verdrukking die in de eindtijd over Israël
zal komen. Vers 26b, gekoppeld met
bijvoorbeeld Zach.14, laat zien dat er nog een
verwoesting komt (zie bijbelstudie 7 – De toekomst van het volk Israël). De Heere trok in jaar 70
niet uit om te strijden. Zijn voeten waren niet op Olijfberg. In Dan.11:31-33 vinden we
een uitwerking van deze verschrikkelijke periode. 3.4. De
getallen van het einde en de vernieuwing Volgens Openb.11:1-2 duurt dit vertreden van de stad 42 maanden;
dat is 3 ½ jaar; de laatste helft van 70e week. Openb.11 en Dan.11:31 maken duidelijk dat er op dat
moment weer een heiligdom in de stad aanwezig zal zijn. De laatste 3 ½ jaar voor de
komst van Christus als koning duren 1260 dagen. In Dan.12:11 staat dat de
periode van verwoesting, waarin ook de gruwel opgericht is, 1290 dagen duurt,
dus 30 dagen langer. Vermoedelijk zal er in die 30 dagen een strijd zijn
tussen de Messias en beest en hun beider legers (Zach.14:3-4). Na de overwinning van de
Heere op de aardse machten zal de eredienst zal niet direct hersteld zijn. Er
zal een nieuwe tempel gebouwd moeten worden. Waarschijnlijk is dit de tempel
waarover de profeet Ezechiël ons vertelt vanaf
hoofdstuk 40. Van de nederwerping
van de heilige woning (Dan.8:11, 14) tot het herstel van het heiligdom en
offers verlopen 2300 dagen. In deze periode zullen er de volgende zaken
plaatsvinden. ·
Gedurende
een periode van 2300 dagen zullen er geen offers gebracht kunnen worden. ·
Na
1260 (Op.11:3 en 12:6) dagen (de laatste 3 ½ jaar van de 70e week)
daalt Christus neer met Zijn legermacht. ·
Na
1290 dagen (Dan.12:11) wordt de gruwel verwijderd uit de tempel. ·
De
45 dagen die de periode zullen overbruggen tot aan de 1335e dag
(Dan.12:12) zullen waarschijnlijk in het teken staan van schifting (Matth.13:36-43 – de voleinding van de aioon). ·
Vanaf
de 1290e dag vindt tot de 2300e dag het herstel van de
tempeldienst plaats (Ezech.40-44). Is dat niet wat
er bedoeld wordt met ‘het zalven van het allerheiligste’ (Dan.9:24)? 4. Toepassingsgedachten
God kan op een heel andere
manier antwoord geven dan je verwacht. Heb je dat wel eens
meegemaakt? Soms heb je als mens ook
alles gedaan om de ander te bereiken en moet je |