Gods beloften aan Abraham

Aantekeningen bij de bijbelstudieserie over Abraham in Lunteren

Een bijzonder doel

God haalt Abram helemaal vanuit Ur naar Kanaän, om daar de vader te worden van het volk Israël. Dat God echt iets bijzonders van plan was met Abra(ha)m, zien we als we een studie maken van de belofte(n) die hij van God krijgt.

 

De belofte(n) aan Abra(ha)m

God belooft niet eenmaal, maar meerdere keren wat aan Abra(ha)m. Op zeven momenten in het verhaal (binnen periode B) komt dit voor: Genesis 12:2-3; 12:7; 13:14-17; 15:4-5,18-21; 17:2-8; 18:10; 22:17-18.

 

Als we de zeven passages vergelijken, valt het volgende op:

  • Herhaling / terugkerende thema’s (land, nageslacht, zoon, zegen)
  • Uitweiding / detaillering (groot nageslacht – ontelbaar nageslacht; zoon – Izak)
  • Soms voorwaardelijk of als gevolg van… (moment 1, 5, 7)

 

Moment 1, Genesis 12

Belofte: een groot nageslacht, gezegend zijn, aanzien, tot een zegen zijn voor alle volken, bescherming

Voorwaarde: familie verlaten

 

12:1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap,  en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.

2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!

3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

 

Moment 2, Genesis 12

Belofte: dit land is voor Abrams nageslacht

Gevolg: Abram bouwt een altaar voor de Heere

 

12:7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was.

 

Moment 3, Genesis 13

Belofte: dit land is voor Abrams nageslacht, zijn nageslacht zal ontelbaar zijn

Opdracht: doorkruis het land

 

13:14 En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw  ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts,  en oostwaarts en westwaarts.

15 Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in  eeuwigheid.

16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand  het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.

17 Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want  Ik zal het u geven.

 

Moment 4, Genesis 15

Belofte: Abram zal een echte zoon krijgen, zijn nageslacht zal ontelbaar zijn, dit land is voor Abrams nageslacht

Gevolg: (15:6) Abram vertrouwde op God en die rekende het hem tot gerechtigheid.

 

15:4 En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw  erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw  erfgenaam zijn.

5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel,  en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo  zal uw zaad zijn!

18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw  zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die  grote rivier, de rivier Frath:

19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

21 En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

 

Moment 5, Genesis 17

Belofte: verbond (verbintenis) tussen de Heere en Abram(s nageslacht), een groot nageslacht met aanzien, het land Kanaän tot een eeuwige bezitting, een zoon

Voorwaarde: wandel oprecht voor Gods aangezicht (1), houd het verbond (9), de besnijdenis toepassen (10-11)

Sanctie: de onbesneden man moet uit de gemeenschap van het volk uitgestoten worden (14)

 

17:1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn  aangezicht, en zijt oprecht!

2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.

3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van  menigte der volken worden!

5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram (= vader van de hoogte of vaders geliefde); maar uw naam zal wezen Abraham (= vader van vele volken); want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.

6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.

7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.

8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven,  het gehele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een  God zijn.

9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en  uw zaad na u, in hun geslachten.

10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen  u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.

11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken  zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.

12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad;

13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.

14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.

15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai (= twistziek) noemen; maar haar naam zal zijn Sara (= vorstin).

16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal  haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen  uit haar worden!

17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn  hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden;  en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?

18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismael mocht leven voor Uw aangezicht!

19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij  zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten,  tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.

 

Moment 6, Genesis 18

Belofte: Sara zal een zoon baren – 21:1

 

18:10 En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des  levens; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben!

 

Moment 7, Genesis 22

Belofte: gezegend zijn, zijn nageslacht zal ontelbaar zijn, overwinning op de vijanden in het land, tot een zegen zijn voor alle volken

Voorwaarde: bereidheid om Izak te offeren

 

22:16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze  zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;

17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen,  als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee  is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.

18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.

 

Ontvouwing van de belofte(n)

Gedurende het verhaal van Abra(ha)m ontvouwt de inhoud van de beloften zich; steeds weer worden nu eens dit en dan weer een ander aspect genoemd. Het onderstaande schema geeft een overzicht.

 

 

Gen.

Zegen / aanzien voor

Abra(ha)m

Nageslacht

Bezit van het land

Tot een zegen zijn voor de volken

Izak

…volk

12

x

 

x

 

x

12

 

 

 

x

 

13

 

 

x

x

 

15

 

x

x

x

 

17

 

x

x

x

 

18

 

x

 

 

 

22

x

Is vervuld

x

x

x

 

De inhoud van de belofte(n)

Kortgezegd vallen de beloften die God aan Abra(ha)m doet uiteen in vier delen:

(1)    zegen en aanzien voor Abra(ha)m zelf

(2)    nageslacht (te beginnen bij een eigen zoon)

(3)    het bezitten van het land Kanaän

(4)    de zegen die er van Abra(ha)ms nageslacht zal uitgaan

 

Over de wijze waarop God Zijn belofte nakomt valt wel het e.e.a. te zeggen.

Een belangrijk aspect hierbij is het moment waarop God een belofte vervult.

 

 

Concretisering van de belofte

 

(1) Abra(ha)ms vertrouwen in God en Zijn beloften heeft allereerst gevolgen voor hemzelf. Hij heeft aanzien onder de stammen waarbij hij woont (Gen.14 en 23) en wordt ondanks fouten die hij maakt voorzichtig behandeld (Gen.12 en 20). God beschermt hem en laat Abra(ha)m niet in de steek, ook niet als hij misstappen maakt. Gen.14:19-20 vertellen ons hoe Abram door Melchizedek gezegend wordt.

 

Gen.14:19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste,  Die hemel en aarde bezit!

20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij (Abram) gaf hem (Melchizedek) de tiende van alles.

 

(2) Het eerste en ook belangrijkste (voorwaardelijke) aspect van deze belofte wordt al tijdens Abrahams leven vervuld: Izak wordt geboren. Abraham maakt ook nog mee dat zij twee kleinzoons Jacob en Ezau geboren worden. Naarmate de tijd verder gaat, groeit het nageslacht van Abraham in omvang.

 

·         Ex.1:1-7     met 70 personen naar Egypte gegaan

·         Ex.12:37     600.000 mannen

·         Num.1:46   6033550 weerbare Israëlieten van 20 jaar en ouder

·         2Sam24:9   800.000 strijdbare mannen in Israël en 500.000 in Juda

·         Ezr.2:64     42.360 mensen keerden terug uit Babel

·         Momenteel zijn er zo’n 13 miljoen Joden (afkomstig van Juda) wereldwijd

·         En dan zijn er nog de nakomelingen van het tienstammenrijk en de Joden die al gestorven zijn…

 

(3) Waarschijnlijk is er nergens op de wereld een gebied waarover al zoveel te doen is geweest als het land Israël. Wat zijn de grenzen van dat land en wie zijn nu eigenlijk de rechtmatige bezitters?

 

Het onderstaande overzicht laat zien hoe het er in de geschiedenis aan toe gegaan is met Israëls bezit van het land.

 

 

De eigenaars

Als God Abram roept, geeft Hij hem de opdracht naar het land te gaan dat Hij hem wijzen zal (Gen.12:1). Dat land blijkt later Kanaän te zijn. Als hij daar aangekomen is, klinkt tot hem de belofte: 'Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven' (vs. 7). Later wordt duidelijk, dat niet al zijn nakomelingen ingesloten zijn in deze belofte. In Gen.26:3-4 wordt de belofte beperkt tot Izak en zijn nageslacht (met uitsluiting van Ismaël) en in 28:13 tot de lijn van Jacob (35:12; 48:4).

 

Globale aanduiding van de grenzen

Het beloofde land wordt in de Bijbel diverse keren globaal aangeduid. Dit gebeurt in de volgende bijbelgedeelten:

·         Gen.15:18 'van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat'

·         Ex.23:31 'het gebied van de Schelfzee (Rode Zee) tot de zee der Filistijnen [= Middellandse Zee], en van de woestijn tot de Rivier [Eufraat]'

·         Num.13:21 'van de woestijn Zin tot aan Rehob toe, waar de weg naar Hamath begint (of: tot Lebo Hamath)'

·         Deut.1:7 'het gebergte der Amorieten en naar al hun naburen, in de Vlakte, op het Gebergte, in de laagte, in het Zuiderland en aan de zeekust, - het land der Kanaänieten, en de Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat'

·         Deut.11:24 'van de woestijn af tot de Libanon, van de rivier af, de rivier de Eufraat, tot de westelijke zee toe'

·         1Kon.8:65 en 2 Kron. 7:8 'van de weg naar Hamath af tot aan de beek [wadi] van Egypte'

·         2Kon.14:25 'van de weg naar Hamath tot de zee der vlakte [Arabah]'

·         Jes.27:12 'van de rivier [Eufraat] af tot de beek [wadi] van Egypte toe'

 

Het Overjordaanse en de Eufraat

Het is wel van belang of de Eufraat als noord- of als oostgrens aangeduid wordt. Als de Eufraat de oostgrens is, houdt dit in, dat een heel groot gebied ten oosten van de Jordaan is beloofd. Als de Eufraat de noordgrens is, hoort het gebied van Syrië (Aram) erbij, maar het gebied in oostelijke richting kan heel beperkt zijn geweest.

Hoewel niet iedere uitlegger hier hetzelfde over denkt, blijkt bij nader onderzoek toch wel dat het Overjordaanse niet zondermeer bij het beloofde land hoorde. Num. 32:30-32; 34:2,12; 35:10; Deut. 32:49 en Joz. 22:9-11 maken duidelijk dat het land Kanaän uitsluitend ten westen van de Jordaan ligt. Dit maakt aannemelijk dat in de bovengenoemde globale beschrijvingen van het land de Eufraat de noordgrens is en niet de oostgrens.

 

Specifieke aanduiding van de grenzen

Gelukkig zijn er ook specifieke beschrijvingen: Num.34:1-12; Joz.15:1-12; 1 Kon.4:21; Ezech.47:15-21 en 48:1, 28. Hier staan beschrijvingen van het land, geschreven in de woestijntijd, de tijd van de verovering en de tijd van de ballingschap en betreffen verschillende situaties. Bij onderlinge vergelijking blijken deze beschrijvingen heel goed overeen te komen. Het gebied van Syrië wordt bij het beloofde land gerekend, maar het Overjordaanse niet. De Jordaan is de oostelijke grens. Hiermee wordt bevestigd dat de Eufraat bedoeld is als noordgrens in de eerdere beschrijvingen.

Overigens zijn er een paar uitspraken in het OT die aangeven dat Gilead, het noordelijke gedeelte van het Overjordaanse ook toegezegd is aan Israël. Dit gebeurt in Jer.50:19 en Zach.10:10. In deze laatste tekst staat: 'Ik zal hen brengen naar het land Gilead en de Libanon; doch dit zal voor hen niet toereikend zijn.' En in Ob.19-20 staat dat Benjamin Gilead zal bezitten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De hoofddoek van wijlen dhr. Arafat, gedrapeerd in de vorm van….

 

 

De inbezitneming vanaf Abraham tot Jozua

Het land Kanaän is aan Abraham en zijn nageslacht beloofd, maar de aartsvaders mogen het nog niet in bezit nemen, want de zonde van de inwoners is in hun tijd (Amorieten) nog niet tot een climax gerezen (Gen.15:16).

Pas een paar eeuwen later, tijdens en vooral na de woestijnreis, mogen de Israëlieten de inwoners uitroeien, waarmee zij een goddelijk gericht uitvoeren.

 

Geen totale in bezitneming

In Joz.13:1-7 staat welke gebieden nog veroverd moeten worden. In Joz.21:43-45 en 23:14-15 en Neh.9:8 staat dat God het land gegeven heeft en daarmee de belofte aan Abraham vervuld heeft. Je zou verwachten dat de grenzen van Num.34 dus bereikt zijn. De verslagen in Jozua en Richteren geven een geheel ander beeld: grote delen bleven onveroverd; in die gebieden bleven diverse bevolkingsgroepen wonen (zie o.a. Richt.3:1-6).

 

Tijdens de regering van koning Salomo had het land een ongekende grootte. Toch was ook in die tijd het land niet geheel in het bezit van Israël. Zo was het land van de Filistijnen niet direct onder Israëlitisch bestuur (1 Kon.4:7-21; 2Kron. 9:26). De Filistijnen waren onderworpen en schatplichtig, maar niet direct een onderdeel van het rijk van Salomo. Zo lijkt het ook erop dat het kustgebied van de Feniciërs boven Tyrus, bewoond door de Sidoniërs, nooit onder Israëlitische heerschappij of schatplicht is geweest.

 

Bezit en gehoorzaamheid

Het volk van God krijgt het land nooit definitief in eigendom. Als Israël zwaar zondigt, kan het zelfs verdreven worden uit het land (Deut. 4:27, 28:63, 29:28). Het boek Richteren laat zien dat de Israëlieten niet volharden in de verovering (1:19-36) en andere goden gaan dienen. De engel te Bochin klaagt het volk aan en zegt dat de vijanden zullen blijven wonen in het land (2:1-3).

God kan in geval van zonde de grenzen wijzigen (Deut. 11:22-25; 12:20; 19:8).

 

Gods trouw en Israëls ontrouw

In Neh.9:7-37 wordt de geschiedenis van Israël verteld. God was getrouw aan Zijn belofte die Hij aan Abraham gegeven heeft. Maar in vs. 26 e.v. wordt de ongehoorzaamheid van het volk genoemd, waarvan het gevolg was 'Gij hebt hen in de macht van de volkeren der landen gegeven'. Van Gods kant geldt dus dat Hij de belofte waar gemaakt heeft. Van de kant van het volk is het zo dat door ongehoorzaamheid de belofte van God nooit helemaal gerealiseerd is. Elke generatie in Israël was door gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid verantwoordelijk voor de mate waarin deze belofte gerealiseerd werd. Hiermee wijst het OT heen naar een complete vervulling die nog nooit werkelijkheid geworden is. De gedeeltelijke vervullingen wijzen naar Gods trouw de eeuwen door. Maar toe nu toe is er nog nooit een volmaakt gehoorzame generatie geweest.

 

Een hoopvolle toekomst

In Deut.30 en Ezech.36 wordt duidelijk dat innerlijke vernieuwing de mogelijkheid geeft om te blijven wonen in het land. De landbelofte vraagt om een leven in gehoorzaamheid overeenkomstig het Nieuwe Verbond. Op grond van teksten als Zach.8:7; 10:9-10; Zef.2:7 mag verwacht worden dat het joodse volk in de toekomst eens het totale land in bezit zal hebben (Zach.8:8). Dit landbezit zal samengaan met de erkenning van de Messias.

 

Samengevat

Het joodse volk heeft recht op het land Kanaän. Maar het feit dat God het land heeft toegezegd aan het volk Israël, betekent ook, dat Hij aan bepaalde generaties het gebruik van het land kan ontzeggen. Ook kan Hij bepalen dat men slechts een gedeelte van het land mag gebruiken.

De beloften aan Abraham kunnen daarom niet direct vertaald worden in politiek handelen. Uiteindelijk zal echter de belofte aan Abraham haar volkomen vervulling vinden.

 

Politiek gezien kan het nodig zijn voor het joodse volk geografische concessies te doen. Sinds 1948 is er al heen wat ‘gesleuteld’ aan de grenzen. Salomo heeft de vrijheid genomen aan koning Hiram 20 steden te geven in het gebied van Galilea (van de stam Naftali) als dank voor de levering van hout en goud voor de bouw van de tempel en zijn paleis. Er staat in 1Kon.9 niet dat dit verboden was. Is dit een aanwijzing dat over een deel van het land onderhandeld mag worden?

 

(4) In Ex.19:5-6 wordt gesproken over de taak die Abrahams nageslacht heeft onder de volken: tot zegen zijn voor hen die God niet kennen. Israël heeft van deze taak (Ps.57:9; 105:1) weinig terecht gebracht. De Eerste Jood die het tot zegen zijn voor de volken vervult, is Jezus Christus (Matth.1:1), maar ook Israël zal (uiteindelijk) eens tot zegen zijn voor de naties (Jes.2:2-3; Mich.4:1-2; Matth.8:11; Hand.3:25). Het ‘’Kom ga met ons en doe als wij’ (Ps.122) is allereerst een uitspraak van een Israëliet.

 

Eerst de Jood, dan de Griek

De komst van Jezus is allereerst van betekenis voor Zijn volk Israël (Matth.1:21), maar ook voor de heidenen (Hand.11:18; Rom.1:16; 10:13; Gal.3:9, 13-14, 4:28; 1Tim.2:5-6).

 

Israël, Gods zoon

Hoe zeer het ook Gods bedoeling was dat het volk Israël, Gods kind (Hos.11:1; Rom.9:4) in het beloofde land gelukkig zou worden en voor Hem een koninkrijk van priesters, een heilig volk zou zijn, het mocht niet baten. Israël koos andere wegen (Hos.11:2). Ze vergaten de God Die hen zo onnoemelijk rijk gezegend had en vervielen van kwaad tot erger. Door hen te straffen stimuleerde de Heere hen keer op keer om terug te gaan naar het doel wat Hij met hen had (Joz.1:3): het Beloofde Land bewonen in vrede en de volken tot jaloersheid verwekken.

Jezus, Gods Zoon

En toen, in de volheid van de tijd (Gal.4:4), maar op een dieptepunt in de geschiedenis van het volk Israël, zond God Zijn Zoon, Jezus. Ook van Hem wordt gezegd dat Hij de Zoon is, die uit Egypte geroepen is (Mt.2:15). Jezus is echter de Zoon in wie God een welbehagen heeft (Luk.3:22). Hij heeft de wil van Zijn Vader gedaan en de taak volbracht waarin Israël faalde.

 

Gods trouw en de belofte(n) aan Abra(ha)m door de Bijbel heen

De Bijbel laat keer op keer zien hoe op de belofte(n) aan Abra(ha)m gedaan terug gegrepen wordt.

 

Ex.2:24: God hoorde hun klacht [uit Egypte] en God gedacht aan zijn verbond met Abraham….

Ex.32:13 (gouden kalf): Mozes pleit bij God vanwege zijn beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob.

 

En zo gaat het door. Maar de toon verandert:

           

2Kon.13:23 (met Israël, het 10-stammen rijk, gaat het bergafwaarts): ...de Heer… keerde zich weer tot hen terwille van zijn verbond met Abraham, Izaäk en Jacob: Hij… had hen nog niet van voor zijn aangezicht verworpen.

 

Er kan met God niet eindeloos gespot worden.

Maar ook:

           

Jes.41:8 Maar gij, Israël, Mijn knecht, Jacob, die Ik verkoren heb, nakroost van Mijn vriend Abraham… vrees niet, want Ik ben met u; kijk niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, Ik help u, ook ondersteun Ik u.

Mich.7:20 Gij zult trouw bewijzen aan Jacob, goedertierenheid aan Abraham, zoals Gij van oude dagen af aan onze vaderen hebt gezworen.

 

En in het Nieuwe Testament:

           

Matth. 8:11 (Jezus): velen zullen komen van oost en west en aanliggen met Abraham, Izaäk en Jacob in het Koninkrijk der hemelen.

Romeinen 11:1 God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham.

 

Er was en is reden genoeg om te denken, dat God het met Zijn volk heeft laten afweten, maar God is met Abraham iets begonnen en brengt dat ook tot een goed einde, op Zijn manier en op Zijn tijd.


 

Gesprekspunten

 

1. Beloften

Abra(ha)m kreeg van God beloften.

Welke beloften heb ik van God gekregen?

Is alles wat in de Bijbel beloofd wordt ook een belofte aan mij persoonlijk?

Voorbeelden van beloften: Joh.5:24; Gal.3:14; Ef.3:6 (2:13, 16-19); 1Tim.4:8; 2Pt.3:4+9; 3:13; 1Joh.2:25

 

2. Vervulling

De vervulling van beloften heeft tijd nodig.

Hoe ga ik met de beloften van God om?

Ben ik er mee bezig? Heb ik ook geduld?

 

3. Stap voor stap

Sommige beloften zijn voorwaardelijk. God vraagt wat van je en daarna geeft hij je iets.

Een voorbeeld hiervan vind je in Jozua 1:2-7. Je voet erop zetten (3); voorwaardelijk (7).

Waarom zou God dit doen?

 

In Efeze 1:3-14 worden de zegeningen beschreven die we in Christus hebben. In Ef.4:1 staat dat we waardig met deze roeping om moeten gaan. Ervaring komt ook hier na gehoorzaamheid.

 

Zoals het binnengaan van Israël in het land Kanaän onder Jozua niet hetzelfde is als het bezitten van het hele land, kun je ook zeggen dat je redding (de start, het binnengaan in het Koninkrijk van God) niet het enige is wat belangrijk is. Er ligt een weg voor je van heiliging, groeien in het kennen van Christus, gaan beantwoorden aan Zijn doel met je leven en met de gemeente als geheel.

 

4. God is getrouw

1Kor.1:20; 1Tim.2:11-13. God is getrouw!

Wat doet deze wetenschap mij?

Zie ik Gods trouw in mijn leven terug?

 

5. Opstelling tegenover Israël

De strijd om het grondgebied en het bestaansrecht van de Joodse staat is nog steeds hevig en zal steeds heviger worden. Wat kunnen we voor onze ‘oudste broer’ betekenen?

 

6. Sola fide

Gal.3:9 Alleen door het geloof worden we gezegend met Abraham.

Hebben we dit geloof?