|
Ismaël, een eigen gekozen weg en de gevolgen daarvan Aantekeningen bij de
bijbelstudieserie over Abraham in Lunteren |
|
|
|
Iedereen doet wel eens de
ervaring op dat hij iets nieuws koopt in plaats van iets wat al heel lang
gebruikt werd. Je hebt lang naar het moment uitgekeken dat je het nieuwe
voorwerp kunt aanschaffen, maar als je het eenmaal hebt vind je het ook weer
moeilijk om afstand te nemen van het oude voorwerp. Je bent immers gehecht
aan dat wat je zolang gebruikt hebt. Gelukkig is er nog een plekje over op
zolder, waar je het kunt neerleggen en bewaren totdat…ja, waarvoor? Dit voorbeeld heeft enkele
ingrediënten in zich van het verhaal rondom Abra(ha)m
en Ismaël. Het lange wachten op een zoon van
Abraham en Sara samen, het zich hechten aan de zoon
die er wel is, het weer moeten loslaten van Ismaël
als Izak geboren is. Het verhaal Gen.16 Huwelijk
met Hagar. Hagars vlucht
en terugkeer. Ismaël geboren. (Abraham 86 jaar) Gen.17:15-22 Hernieuwing belofte Izak. Abraham 99 jaar oud. Gen.21 Geboorte
Izak (Abraham 100 jaar) en wegzending Ismaël (Abraham ongeveer 103 jaar). Gen.25:9 Begrafenis van Abraham Gen.25:12-18 Ismaëls
nakomelingen: Arabische stammen Arabieren De naam Arabieren komt van
‘Araba’ = ‘steppe-bewoner’
(bedoeïen) (vgl.Jer.25:24). Later wordt dit een eigennaam voor de
volken die ten (zuid)oosten van Israël leven. Niet alle Arabieren stammen
af van Ismaël. Wel zijn het allemaal Semieten. Gen.10:21 e.v. Sem – Arpaksad – Selach – Eber – Joktan (vader
van Zuid-Arabieren) Gen.11:10 e.v. Sem – Arpaksad – Selach – Eber – Peleg – Reü – Serug – Nachor - Abram Arabieren
onderhielden later handelsrelaties met Israël (Gen.37:25-28; 1Kon.10:15; Ezech.27:21) Waren ook
wel tegenstanders van Israël (Neh.4:7; Psalm 83; Jes.21:13). Grote gevolgen De gebeurtenissen in
Genesis 16 hebben verstrekkende gevolgen, zowel in Abrahams leven als voor
het verloop van de geschiedenis: -
wedijver
tussen zijn vrouwen -
de
wegzending van zijn zoon Ismaël -
een
bijdrage aan het conflict tussen Israëlieten en Arabieren -
een
fundamenteel theologisch verschil met moslims Genesis 16 is dus een
cruciaal hoofdstuk. Hoe moeten we Abrams besluit om
bij Hagar een kind te verwekken beoordelen? Opmerkingen Een niet ongebruikelijke
en begrijpelijke beslissing Sara wordt pas in Gen.17:16+19 voor het eerst als
toekomstig moeder van Izak genoemd. Waarschijnlijk
wisten beiden niet dat Sara een rol zou spelen in
de belofte die de Heere aan Abram
gedaan had. Het was Sara, als 1e
huisvrouw van Abram, waarschijnlijk wel bekend dat Abram een zoon (en daardoor nageslacht) zou krijgen. Het
is goed mogelijk dat Sara met het initiatief kwam
om Hagar aan Abram te
geven, omdat ze hem wilde helpen om zijn ‘droom’ te verwerkelijken. Het
gebruik van bigamie, wat bijvoorbeeld voorkwam bij kinderloosheid, kwam in
die tijd vaker voor (vb. Gen.30). De voortgang van het geslacht (de
mannelijke lijn) was immers van groot belang. Ismaël is geen vervloekt kind! Abram ontvangt op de leeftijd va 86 jaar een zoon: Ismaël. God zelf heeft deze naam bedacht en aan Hagar bekend gemaakt (16:11). De naam Ismaël
betekent: ‘God hoort’. De Heere geeft Hagar ook zicht op de toekomst van haar zoon (16:12;
21:18) en nageslacht (16:10). Hieruit blijkt dat de Heere
niet tégen Ismaël of Hagar
is. In Gen.17:20 ontvangt ook Abraham een boodschap van God
over zijn zoon Ismaël: God zal hem zegenen; hij zal
vruchtbaar zijn en tot een groot volk worden; 12 vorsten (zijn zonen – 25:16)
zullen uit hem voortkomen. In Gen.21:13 koppelt God de zegen aan Ismaël aan het zoon-zijn van
Abraham. Ismaël werd, als zoon van Abraham, ook
besneden (Gen.17:10+25). Als God met Abra(ha)m over zijn nageslacht spreekt, wordt gedurende
het verhaal steeds duidelijker wie Hij daarmee bedoelt. In
Gen.12:2; 13:14-16; 15:5 wordt niet het onderscheid gemaakt tussen de
nakomelingen van Abrahams zonen onderling. In
Gen.15:13; 17:6-8 gaat het (achteraf bezien) wel over de nakomelingen van Izak (nauwkeuriger: de nakomelingen van Jacob). In Gen.21:12 valt Ismaël duidelijk buiten het nageslacht wat de Heere uiteindelijk in Ex.19:5-6 ‘koninkrijk van
priesters’ noemt. Samengevat: Ismaël hoort net als Izak bij
het grote nageslacht van Abra(ha)m. Hij is niet vervloekt, maar ook niet de uitverkorene. Dertien jaren van
‘stilte’ Na Gen.16 gaan er dertien
voorbij, zonder dat we lezen over het spreken van God. Vaak is dit uitgelegd
als een uiting van Gods ongenoegen over Abrams
eigenmachtig optreden. Vreemd genoeg ontbreekt echter in Gen.17 elk spoor van
verwijt hierover. God verdiept het verbond met Abram
(17:4) en maakt ook de zegen over Ismaël bekend
(17:20). Daarnaast maakt God ook duidelijk dat Hij Ismaël
niet accepteert als zoon van de belofte (17:19). In Gal.4:23 benoemt Paulus het verschil tussen de verwekking van Ismaël en Izak: de eerste is
naar het vlees verwekt en de tweede naar de belofte. Een vergelijk met Rom.9:6-8 (in dezelfde tijdgeschreven) maakt duidelijk
wat Paulus’ visie hierover is: Ismaël
is uit het vlees (het mogelijke) geboren, terwijl Izak
uit de belofte (het onmogelijke – een onvruchtbare vrouw) geboren is. Paulus gebruikt in de brief aan de Galaten
deze tegenstelling om er een geestelijk principe mee te illustreren (wet
tegenover genade). In deze context bezien komt Abrams
huwelijk met Hagar en de geboorte van Ismaël in een negatief daglicht te staan. We moeten wel
oppassen om het beeld uit Galaten te projecteren op
het verhaal in Genesis, want het beeld van Hagar
staat in Gal.4 voor hen die onder de wet willen leven (Gal.4:12 – [de gelovigen in] Jeruzalem en het beeld van Sara slaat op de vrijheid in Christus die gelovigen
hebben ontvangen. Ismaëls wegzending Toen Ismaël
ongeveer 17 jaar was, kwam het moment dat hij weggezonden moest worden
(Gen.21:14). Abraham vond dit een moeilijke keus (21:11), maar omwille van de
erfenis (21:10) moest het. Tussen de beide zonen werd de wedijver al
zichtbaar, die later alleen maar groter zou worden. Misschien
is dit wel het moment (vgl. met Gen.17) waarop God duidelijk maakt wat de
prijs is die er hangt aan beslissingen die niet binnen Zijn plan passen. Ismaël verdween met zijn moeder naar de woestijn Paran (21:21). Samen met Izak
heeft hij later zijn vader Abraham begraven (25:9). Uit hem werden de Noord-Arabieren geboren (woestijn Paran
en Sur). Zoals alle Arabieren, verplaatsten ook deze nomadenstammen zich o.a.
door Palestina. In de tijd van Gideon overvallen de Midianieten
het volk Israël (Richt.6:33) en dan blijkt dat ze behoren tot de Ismaëlieten (Richt.8:24). Merkwaardig, want Midian was de zoon van
Abraham en Ketura (25:2). Er
woonden later ook Ismaëlieten onder Israël
(1Kron.2:17; 27:30; Hand.2:11). De strijd duurt voort De moeilijkheden in
Palestina Een grote overeenkomst
tussen de nakomelingen van Ismaël (Arabieren) en
die van Izak zien we in hun 12-voudig nageslacht.
Een groot verschil tussen beiden is dat Arabieren niet over de hele wereld
verstrooid zijn geworden, zoals met de Joden wel het geval is. Omstreeks 1940
woonden en binnen de grenzen van Israël zo’n 85.000
Joden en daarbuiten meer dan 10 miljoen. Palestina werd toen grotendeels
bevolkt door Arabische Palestijnen. Joden kom je
sinds de diaspora overal ter wereld tegen, maar Arabieren met
name in het gebied waar ze al in Ismaëls
tijd woonden. Hier ligt een bron van onenigheid. De Israëlieten willen terug
naar het land wat hen zo lang geleden al beloofd is, maar hun ‘halfbroeders’,
die altijd honkvast zijn gebleven, beschouwen hen nu als indringers. Voor de
wereldmachten die zich ermee bemoeien, blijft het een moeilijk probleem. Ze
willen het immers alle groepen naar de zin maken. Het land Israël is in het
bijzonder het eigendom van God. Hij heeft het echter in bruikleen afgestaan
aan het volk van Israël. Israël bezet niet het land van een ander volk.
Israël heeft het land, dat God hen in bruikleen heeft afgestaan. Ook al maken
Palestijnen en Arabieren aanspraak op dit land en
ook al menen zij, dat zij om bepaalde redenen recht hebben op dit land,
vanuit de Bijbel bezien hebben zij dit recht niet. God heeft dit land
indertijd aan Abraham en zijn nageslacht gegeven in de lijn van Izak en niet in de lijn van Ismaël
of Ezau. Ismaël en de Islam Abraham wordt zowel door de
Joden als door de Moslims als stamvader gezien. De koppeling tussen
Arabieren en de Islam vindt zijn oorsprong bij Mohammed (570-632 n. Chr.).
Hij werpt zich na 611 als profeet voor de Arabieren op. Na afwijzing in het
begin wordt hij na allerlei verwikkelingen later door de inwoners van Mekka
als profeet geaccepteerd. Daarna breidt de Islam zich uit over heel Arabië. Gesprekspunten bij de bijbelstudie over Ismaël 1. Gods wil doen Abram gaat bij de verwekking van Ismaël
een weg op die later een ‘dood spoor’ blijkt te zijn. Achteraf gezien had hij
het misschien wel heel anders aangepakt. Wij mensen kunnen echter niet
(altijd) vooruitkijken op de wegen die we inslaan. De Bijbel zegt dat het
belangrijk is om de wil van de Heere te verstaan en
keuzes te maken met Hem. Lees eens
de volgende teksten: Ps.32:8; Rom.12:2;
Ef.5:17; Luk.22:42 (speciaal i.v.m de lijdenstijd).
Wat leer je hieruit over het
doen van de wil van God? Ismaël blijkt niet in zekere zin
niet in Gods plan te passen. De Heere wil via Izak Zijn volk bouwen. Zou God met ieder mens, met iedere
christen een plan hebben? Lees Ef.2:10.
Hoe leeft deze tekst voor jou? 2. Loslaten Abraham moet uiteindelijk
de keus maken om Ismaël weg te sturen. Hij kan niet
het ene (Ismaël) vasthouden en het andere (Izak) de ruimte geven. We zien dit in de Bijbel vaker
gebeuren, soms letterlijk (Lot en zijn vrouw, Israël in de woestijn, wat
steeds terug verlangt naar Egypte), maar met name
ook als principe. Lees
samen wat teksten Ex.20:3; 1Kon.18:21; Mt.6:24; Mt.16:25; Rom.6:12-13; Op.3:15
en praat door over de radicaliteit die hieruit spreekt. 3. Hagar
en Sara als beeld Lees Galaten
4:21 t/m 5:1. Hagar (Ismaël) en Sara (Izak) beelden volgens Paulus iets uit. Wat wil Paulus
hier zeggen en wat kun jij daarvan leren? 4. Het Arabisch conflict De Heere
laat Hagar en haar (ongeboren) kind in de woestijn,
tot tweemaal toe (Gen.16 en 21) niet in de steek. Ismaël
past dan niet in de lijn van Israël (Gods volk), maar hij wordt ook niet door
God in de steek gelaten en vervloekt. Wat kun je daarvan leren
als je denkt aan (huidige) conflict tussen Israël en de Palestijnen
(Arabieren en andere oorspronkelijke bewoners (Semieten)
van Palestina). Wat zou de Heere vinden van de hele
kwestie zoals die er nu is? Zegt de Bijbel hier iets over? |