Nebukadnezar, werktuig van God

Aantekeningen bij bijbelstudie 3 over het boek Daniël; Lunteren seizoen 2006-2007

1. Nebukadnezar, werktuig van God

1.1. Een bijbels accent

1.2. Werktuig van God

1.3. Koningen en volken als werktuigen van God

1.4. Wereld(be)heersers en Gods plan

1.5. Grootschalig leren denken

1.6. Doorzicht voor Israël

2. Nebukadnezar als historische figuur

2.1. Heerser van het Nieuw-babylonische rijk

3. Nebukadnezars trots gebroken

3.1. Confrontaties met de Koning der Koningen

3.2. Hoofdstuk 2 – de droom van het beeld

3.3. Hoofdstuk 3 – aanbidding in het dal van Dura

3.4. Hoofdstuk 4 – de droom van de grote boom

3.5. Van goddelijke wereldheerser tot afhankelijk schepsel

3.6. Het getuigenis van Nebukadnezar

3.7. God erkennen als de Allerhoogste

3.8. U bent mijn Koning!

4. Profetie en typologie

4.1. Koning der koningen

4.2. Vernedering en verhoging

4.3. Satan

4.4. Babel

4.5. Overgave

4.6. Werktuig

 

1. Nebukadnezar, werktuig van God

 

1.1. Een bijbels accent

Als je bijbelstudie doet over een heidense heerser, lijkt het in eerste instantie net alsof je over porselein praat met een Hells Angel (vergeef me dit enigszins stigmatiserende voorbeeld). Toch ben ik er vanaf het begin van deze studie van overtuigd geweest dat ook vanuit een thema als dit lessen te leren zouden zijn. Niets in de Bijbel staat er namelijk voor niets. Als kleine details al hun betekenis hebben, dan moet dat zeker het geval zijn als we het hebben over koning Nebukadnezar. Deze man wordt ons door Gods Woord gepresenteerd als ‘koning der koningen’ (Ezech.26:7; Dan.2:37) en van hem wordt gezegd dat hij heerste over de hele (toenmalig bekende) aarde (Dan.2:38 en 4:22). We weten ook dat hij de man is in wiens opdracht de tempel van Salomo (Gods huis) verwoest wordt. Zijn macht staat symbool voor de grote invloed van Babel, waarover in de Bijbel meerdere malen gesproken wordt. Genoeg reden dus om onszelf te verdiepen in deze koning.

 

1.2. Werktuig van God

De Bijbel presenteert ons Nebukadnezar als werktuig in handen van God, om Zijn volk te tuchtigen.

 

Ezr.5:12

Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij  hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, den Chaldeeër; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel  weggevoerd.

 

Jes.47:5-6

Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeeën! want  gij zult niet meer genoemd worden koningin der koninkrijken. Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; doch gij beweest hun geen barmhartigheden, ja,  zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar.

 

Jer.22:25

En Ik zal u geven in de hand dergenen, die uw ziel zoeken, en in de hand  dergenen, voor welker aangezicht gij schrikt, namelijk in de hand van  Nebukadnezar, den koning van Babel, en in de hand der Chaldeeën.

 

Jer.27:6

En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.

 

Vooral deze laatste tekst is opvallend: Nebukadnezar wordt hier door God ‘Mijn knecht’ genoemd. In eerste instantie kan het ons bevreemden dat God zo’n heidense koning ‘in dienst neemt’ om Zijn eigen volk te straffen, maar als we er wat beter over nadenken, ontdekken we dat deze handelswijze van God, namelijk het tuchtigen van Zijn volk door middel van iets of iemand anders, in de Bijbel veelvuldig voorkomt. Ook al tuchtigt God Zijn volk, wat van Hem afgedwaald is, of andere mensen persoonlijk (Ps.94:12; Spr.3:11-12; Op.3:19), Hij gebruikt daar wel middelen bij. Als we het Oude Testament nalezen, zien we dat hierin niet alleen de natuur (droogte en hongersnood) en de elementen (vuur, water), maar ook heidense volken en koningen Hem ten dienste staan.

Het is belangrijk om dit bovenstaande goed helder te houden. We hebben immers niet te doen met een grillige God, die het brein is achter allerlei oorlogen en deportaties, zoals in de tijd van Nebukadnezar het geval was.

 

1.3. Koningen en volken als werktuigen van God

Als we de concordantie loslaten op zinnen als ‘Hij gaf Israël in de hand van…’ of ‘Hij verkocht hen in de hand van…’, dan krijgen we een hele opsomming te zien van wereldse heersers en heidense volken, die door God gebruikt werden om Zijn volk Israël (Zijn oogappel – Deut.32:10; Zach.2:8) te straffen – lees: ‘bij Hem terug te brengen’.

 

·         Richt.3:8 - Cuschan Rischataïm (Mesopotamië)

·         Richt.4:2 – Jabin (Kanaänieten)

·         Richt.10:7 – de Filistijnen

·         2Kon.13:3 – Hazaël en zijn zoon Benhadad (Syrië)

·         2Kron.12:2-5 – Sisak (Egypte)

·         Jes.23:11 – Tyrus en Sidon (Syrië)

·         2Kon.17:20-23; Ezech.23:9 – Assyrië

·         Neh.9:30; Ezech.21:31 – diverse volken

·         Denk ook aan de Romeinen, die eeuwenlang de baas in Palestina geweest zijn.

 

Het is belangrijk om onderscheid te zien tussen enerzijds het feit dat God toelaat dat volken of koningen het volk Israël ‘het leven zuur maken’ en anderzijds het feit dat ze ook verantwoordelijk zijn en blijven voor hun eigen daden. In het geval van Babel wordt dit heel duidelijk. Over het Babel dat door God gebruikt wordt om Zijn volk te straffen, wordt in Jer.50-51 het oordeel uitgesproken (lees 50:17-18; 22-25; 51:1-2; 34-37). Dit zelfde geldt voor veel andere volken, die door God vernietigd worden omdat ze aan Zijn volk hebben gezeten.

 

1.4. Wereld(be)heersers en Gods plan

Koning Nebukadnezar heeft mogelijk geweten dat hij in de optiek van de Joden een middel is geweest om hen te straffen (Jer.40:1-6), maar bij de meeste vorsten en volken zal dat ongetwijfeld niet het geval geweest zijn.

Wij zien nu echter wat zij niet zagen: dat ze hebben meegewerkt aan de realisatie van Gods grote plan. Nebukadnezar bracht het volk van Juda in Babel, waardoor het tot inkeer kwam over hun afval van God en exact na 70 jaren brengt God hen weer terug in hun land door middel van koning Kores, een ander ‘werktuig’. Zo werkte keizer Augustus zonder dat hij het wist mee aan de vervulling van een Messiaanse belofte (Luk.2) en zorgde de vervolging van de christenen door het Sanhedrin er juist voor dat de boodschap van het evangelie in een hoog tempo verspreid werd.

 

1.5. Grootschalig leren denken

Wij mensen kunnen vaak geïmponeerd worden door alle ontzagwekkende dingen die zich op aarde afspelen. Wat een macht hebben sommige mensen! Laten we oppassen dat de machtsverhoudingen op deze aarde niet het beeld vormen wat op ons netvlies blijft staan. Dat zelfde kun je zeggen van dingen die er in onze nabije omgeving of in onze gezinnen gebeuren. We beoordelen zo snel de gang van zaken op grond van ‘brokstukjes’ die we als positief of als negatief ervaren en verliezen zo snel het vertrouwen in God. Eén ding mogen we namelijk zeker weten: dat het God nooit uit de hand vliegt. Hij is in deze wereld aanwezig en lijdt ook aan alle ellende op deze aardbol, maar tegelijk is Hij, de Almachtige, ook ver verheven boven deze schepping. Hij staat Zelf garant voor de uitvoering van Zijn plan.

Het is belangrijk dat we de dingen gaan en blijven zien zoals God ze ziet. Hieronder twee teksten waaraan ik moet denken.

 

Matth.28:18

En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

 

Rom.8:28

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

 

1.6. Doorzicht voor Israël

Het is voor ons relatief makkelijk om achteraf Gods hand in de (bijbelse) geschiedenis te ontdekken. We putten er troost en hoop uit, maar konden de Joden in ballingschap dit ook doen? Konden zij achter al deze straffen een hoger plan ontdekken? Konden ze er een idee van hebben waar het allemaal op uit zou draaien?

Jazeker! Laten we eens wat Schriftplaatsen openen.

 

Deut.28:47-49

Omdat gij den HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en  goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles; Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal, dienen, in  honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal  een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge. De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der  aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;

 

Deut.30:1-5

Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen  zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult gij  het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de HEERE, uw  God, gedreven heeft; En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam  zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw  ganse hart en met uw ganse ziel. En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen;  en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw  God, verstrooid had. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. En de HEERE, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk  bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen,  en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen.

 

Job.5:17-18

Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet. Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

 

Ps.34:5-10 en 15-16 (een mooi voorbeeld bij deze tekst zijn Daniël en zijn vrienden).

Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen,  hebben geen gebrek. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed…De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren  tot hun geroep. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen,  om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.

 

Spr.3:11-12

Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.

 

Jes.1:18

Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

 

Jes.49:14-16

Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.

 

Jer.30:3

Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn  volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen  in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk  bezitten.

 

Jer.50:33-34

Zo zegt de HEERE der heirscharen: De kinderen Israels en de kinderen van  Juda zijn te zamen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden,  hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten. Maar hun Verlosser is sterk, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; Hij  zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar  de inwoners van Babel beroere.

 

Zach.2:8-9

Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Want ziet, Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen  knechten een roof wezen. Alzo zult gijlieden weten, dat de HEERE der heirscharen mij gezonden heeft.

 

De Schriften zijn doortrokken van de boodschap van straf en herstel. Trieste bijkomstigheid is dat in perioden van geestelijk en moreel verval ook de Schriften niet meer gelezen werden, waardoor ook het doorzicht ontbrak.

 

2. Nebukadnezar als historische figuur

 

2.1. Heerser van het Nieuw-Babylonische rijk

Niet alleen in de Bijbel, maar ook in de algemene geschiedenisboeken is Nebukadnezar een bekend figuur. Zijn volledige naam is Nebukadnezar II en zijn naam betekent zoveel als ‘Nebo, bescherm de kroon!’ of ‘Nebo, bescherm de grenzen!’. Hij leefde volgens de meeste tijdlijnen van 605-562 v. Chr.

Nebukadnezar was de machtigste koning die het Babyonische rijk ooit gekend heeft. Hij regeerde een rijk wat zich uitstrekte van de grenzen van Egypte tot diep in het huidige Iran. Ook de Bijbel benadrukt deze ‘wereldheerschappij’ (Dan.2:37-38; 3:29; 4:22). Vóór zijn tijd was een dergelijk koninkrijk niet eerder voorgekomen. Nebukadnezars grote voorbeeld was de Babylonische koning Hammurabi, die 1000 jaar eerder leefde.

Naast het organiseren van veldtochten hield Nebukadnezar zich intensief bezig met het verfraaien van zijn land en de steden daarin. Hij verbeterde het kanalenstelsel en omringde de hoofdstad met een muur. 95% van alle ruïnes die gevonden zijn in zijn koninkrijk, zijn gemaakt van bakstenen waar zijn naam op staat. Het lijkt er op dat hij bijna elke stad en elke tempel in het hele land heeft laten bouwen of restaureren.

Beroemd zijn de hangende tuinen, die tot de zevenwereldwonderen behoorden en de Isjtar-poort die als museumstuk in Berlijn te zien is.

Tijdens de laatste jaren van zijn regime liet Saddam Hoessein zich graag afbeelden als Nebukadnezar, door wie hij zich liet inspireren. Saddam liet ook de oude stad Babel herrijzen.


3. Nebukadnezars trots gebroken

 

Hoort gijlieden, die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gijlieden, die nabij zijt, bekent Mijn macht! (Jes.33:13)

 

3.1. Confrontaties met de Koning der Koningen

In de eerste vier hoofdstukken van het boek Daniël staat koning Nebukadnezar centraal. Door Daniël en zijn drie vrienden komt Nebukadnezar ook in aanraking met de God van Israël. Een spannende confrontatie: de koning der koningen krijgt te maken met de Koning der Koningen.

In de hoofdstukken 2 t/m 4 worden drie van deze ‘confrontaties’ beschreven. In zekere zin is dit uniek historisch materiaal, omdat over deze zaken in buitenbijbelse bronnen nauwelijks iets gezegd wordt.

 

3.2. Hoofdstuk 2 – de droom van het beeld

Nebukadnezar droomt over het beeld wat uiteindelijk tot stof vermalen wordt door de steen. Hij wil weten wat deze droom betekent en geeft bevel dat zijn wijzen en tovenaars de droom moeten uitleggen. Als ze dat niet kunnen, geeft hij bevel dat ze allen ter dood gebracht moeten worden. Daniël hoort van deze situatie en vraagt uitstel van executie. Hij wil de situatie voorleggen aan zijn God. Nadat hij ook zijn vrienden heeft gevraagd om God ernstig te bidden dat de executie niet door zal gaan, krijgt Daniël van God inzicht in zowel de droom als de uitleg. Hij gaat ermee naar Nebukadnezar en geeft door wat God hem geopenbaard heeft. Nebukadnezar valt nu van de ene heftige emotie in de andere: zijn extreme toorn verandert in hartstochtelijke aanbidding van Daniël.

-         Nebukadnezar valt op zijn aangezicht en aanbidt Daniël

-         Hij beveelt dat offers aan Daniël moeten worden opgedragen

-         Hij doet de volgende uitspraak: ‘Uw God, de God der goden en Heere der koningen openbaart verborgenheden en daarom hebt u het ook kunnen openbaren.’

-         Daniël krijgt geschenken en maakt promotie: hij wordt heerser over Babel en overste van de wijzen. Op Daniëls verzoek worden zijn drie vrienden de bestuurders van Babel en blijft hij zelf voortaan aan het hof van de koning.

 

3.3. Hoofdstuk 3 – aanbidding in het dal van Dura

Nebukadnezar laat in het dal van Dura een immens gouden beeld verrijzen. Waarschijnlijk wil hij met dit beeld de macht en onsterfelijkheid van Babel uitbeelden, waarvan hij zelf de grote heerser is. Hij beveelt zijn bestuurders om bij de inwijding aanwezig te zijn en voor het beeld te buigen. Wie dat niet zal doen, zal in de vurige oven geworpen worden. De drie vrienden van Daniël buigen niet en worden bij de koning geroepen. Hij wil hen een tweede kans geven, maar als ze over hun eigen God beginnen, lokken ze zijn woede uit en worden ze direct in de oven geworpen. God stuurt een engel die hen beschermt tegen het vuur en daarop worden ze opnieuw bij Nebukadnezar geroepen. Opnieuw zien we hier bij Nebukadnezar een omschakeling van heftige woede naar een andere extase.

-         Nebukadnezar looft de God van de drie vrienden die Zijn engel gestuurd heeft om hen die alleen Hem willen aanbidden te bevrijden.

-         Hij vaardigt een gebod uit dat iedereen in zijn rijk die een oneerbiedig woord spreekt tegen deze God, ter dood gebracht zal worden.

-         Aan deze God, die zó verlossen kan, is men de hoogste eerbied verschuldigd.

-         De drie vrienden stijgen in aanzien in Babel.

 

3.4. Hoofdstuk 4 – de droom van de grote boom

Ook in dit hoofdstuk lezen we over Nebukadnezars reactie op zaken die een diepe indruk op hem maken. Het verschil met de vorige hoofdstukken is dat in hoofdstuk 4 Nebukadnezar grotendeels zelf aan het woord is (met uitzondering van vers 28-33). Hij krijgt opnieuw een droom die hem van streek maakt. Omdat de wijzen en tovenaars ook deze droom niet kunnen uitleggen, wordt Daniël ontboden (‘hij in wie de geest van de heilige goden woont’). Als Nebukadnezar zijn droom verteld heeft, is ook Daniël van streek, waarschijnlijk omdat hij de betekenis kent en er tegen opziet om die aan zijn koning bekend te maken. Hij maakt evenwel duidelijk dat het hier gaat om de roem en vernedering van Nebukadnezar zelf; de ‘krachtmeting’ tussen deze wereldheerser en de God van hemel en aarde, met als doel om Nebukadnezar zijn plek te doen kennen. De droom gaat na verloop van tijd in vervulling en Nebukadnezar leeft een tijd lang als een dier. Het slot van hoofdstuk 4 beschrijft zijn veranderde houding tegenover God en zijn comeback als heerser (zie ook 5:21).

-         Nebukadnezar slaat zijn ogen ten hemel en prijst de Allerhoogste vanwege zijn heerschappij die tot in eeuwigheid is. Deze God is verheven boven alle schepselen en is vrij om te doen wat Hij wil.

-         Na deze erkenning van Gods heerschappij krijgt Nebukadnezar zijn verstand en functie terug en hij ontvangt nog meer heerlijkheid dan daarvoor het geval was.

-         Nebukadnezar besluit met deze woorden: ‘Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten (recht) zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.

 

3.5. Van goddelijke wereldheerser tot afhankelijk schepsel

Deze drie hoofdstukken laten ons iets zien van de verandering die Nebukadnezar ondergaat door zijn ‘confrontaties’ met de Koning der Koningen. Na de uitleg van de droom van het beeld aanbidt en eert hij Daniël, vanwege Daniëls God, die dromen kan uitleggen.

Na het gebeuren met de vurige oven betuigt hij de God van Daniëls vrienden eer en neemt hij deze God a.h.w. in bescherming, door een gebod uit te vaardigen dat deze God de hoogste eer verdient. Ondanks deze ervaringen blijft Nebukadnezar echter zelf wie hij is: de autonome wereldheerser, die met mensen (4:27) en goden handelt zoals hij wil. Nadat de droom van de boom in vervulling is gegaan, wordt ook deze houding gebroken.

Ook het eerste hoofdstuk van het boek Daniël hoort thuis in deze samenvatting. Daarin maken we kennis met Nebukadnezar, die land na land verovert, mensen deporteert en zelf de positie inneemt van een goddelijke wereldheerser. Dat laatste weten we uit buitenbijbelse bronnen.

 

Nebukadnezar versus God de Almachtige:

·        Hoofdstuk 1: Alleen bezig zijn met je eigen positie.

·        Hoofdstuk 2: Bewondering en respect hebben voor iemand met zo’n God.

·        Hoofdstuk 3: Erkenning van God en zijn grote macht

·        Hoofdstuk 4: Erkenning van God als de Allerhoogste; ten koste van jouw positie.

 

3.6. Het getuigenis van Nebukadnezar

Als we de uitspraak van Nebukadnezar (4:37) beluisteren vanuit ons referentiekader, dan kan de vraag opkomen of Nebukadnezar uiteindelijk ‘tot geloof gekomen is’. Op zich geen gekke gedachte, want het ‘prijzen, verhogen en verheerlijken’ van de Heere God en Hem (er)kennen in de positie die Hij heeft, kan niet in waarheid gedaan worden door iemand die God niet dient. Gezien de wijze waarop Nebukadnezar tot deze erkenning komt en hoe hij dit ook zelf verwoordt, hebben we geen reden om aan te nemen dat hij hier iets simuleert. Deze man heeft echt zijn les geleerd.

Laten we blij zijn om de wijze waarop de Bijbel het verhaal van Nebukadnezar afsluit en niet proberen om zijn leerervaring te wegen naar de maatstaven van onze geloofsleer.

Dit was de plaats waar God Nebukadnezar wilde brengen: bij de erkenning van Gods almacht.

 

In Daniël 5 komen we Daniël opnieuw tegen in de rol van dromenuitlegger, maar dan bij Belsazar, de laatste koning van Babel. Als Daniël het schrift op de wand uitlegt aan deze heerser, die eveneens een leven leidt in opstand tegen God (5:22-23), refereert hij aan de omkeer van Nebukadnezar (5:18-22) en verwijt hij Belsazar dat hij zijn hart niet voor God verootmoedigd heeft en de Allerhoogste verheerlijkt heeft, terwijl hij het verhaal van Nebukadnezar (zijn ‘vader’) kende. De les die Nebukadnezar moest leren fungeert hier als een getuigenis voor één van zijn opvolgers. God maakt met Belsazar, die zijn les niet geleerd had, korte metten: nog diezelfde nacht sterft hij en wordt zijn rijk door de Perzen overgenomen.

 

3.7. God erkennen als de Allerhoogste

De les die Nebukadnezar hier expliciet moet leren, fungeert in de Bijbel als spiegel voor alle schepselen.

Het niet erkennen van God in de plaats die Hij heeft, is namelijk een zonde waaraan niet alleen Nebukadnezar en Belsazar, maar het hele menselijk geslacht zich schuldig gemaakt heeft.

 

Rom.1:28

En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;

 

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament lezen we over de miskenning van God en de oproep tot erkenning.

 

2Kon.18:36-37

Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zeide: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt.

 

2Tim.2:25-26

…Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid; En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken  zij gevangen waren tot zijn wil.

 

De Heere staat erop dat Zijn schepselen Hem erkennen in Zijn positie.

 

Jes.33:13

Hoort gijlieden, die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gijlieden, die nabij zijt, bekent Mijn macht!

 

Jes.45:21

Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, de HEERE? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.

 

De Heere is de Almachtige, de Allerhoogste en niemand is aan Hem gelijk.

Let op dat in Dan.4, het hoofdstuk waarin beschreven wordt dat Nebukadnezar tot deze erkenning komt, vier keer het woord ‘Allerhoogste’ genoemd wordt (4:17, 25, 32, 34).

 

Ps.47:2-3

Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten.

 

Ps.83:18

Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.

 

Ps.92:8

Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!

 

Ps.97:9

Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.

 

Openb.1:8

Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.

 

Wie deze almacht niet wíl erkennen, zal uiteindelijk wel tot deze erkenning moéten komen, is het niet goedschiks, dan wel kwaadschiks. Belsazar is hiervan een voorbeeld, maar ook bij de Farao van Egypte zien we het. In zijn hoogmoed ging hij niet slechts de strijd aan met de Israëlieten in Gosen, maar met de God van Israël zelf. In deze strijd ging hij uiteindelijk ten onder.

 

Ex.9:14

Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde.

 

Bij koning Manasse zien we het omgekeerde. Toen hij tot erkenning kwam van wie de Heere is, betekende dat een omkeer in zijn leven en het werk wat hij daarna als koning nog mocht doen (2Kron.33:13).

 

3.8. U bent mijn Koning!

In dit verhaal van Nebukadnezar en de wijze waarop de Bijbel spreekt over het erkennen van God als de Allerhoogste, schuilt onmiskenbaar een les voor ons allen.

Hebben wij al gebogen voor de macht van God en Hem erkend als de Heer van ons leven?

 

We zijn gewend om termen te gebruiken als ‘bekering’, ‘tot geloof komen’, maar dit keer wil ik de nadruk leggen op het begrip ‘erkennen’. Het is een Bijbels begrip, wat het keerpunt kan betekenen in een mensenleven; wat het verschil kan maken tussen eeuwig leven en de eeuwige dood.

 

Paulus schildert in de eerste drie hoofdstukken van de Romeinenbrief in alle toonaarden de wijze waarop mensen, heiden of Jood, God uit hun leven gebannen hebben (1:28 etc.). Hij sluit af met de conclusie dat niemand God zoekt en ook niemand vanuit zichzelf rechtvaardig voor God kan staan. En waar ligt het keerpunt? Waar begint de erkenning? Bij het geloof in de Heere Jezus Christus en de rechtvaardiging door Zijn bloed.

 

Rom.5:1

Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;

 

Waar dit nieuwe leven is, begint ook de erkenning van God. Daar komt de overgave aan God en wordt Hij de Stuurman van ons leven.

 

Rom.6:13

En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

 

Rom.12:1

Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.

 

1Petr.4:2

…Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.

 

De Heere de plaats geven in je leven die Hem toekomt…. Het kan heel wat voeten in de aarde hebben voordat het zover is. Het koning-spelen in ons eigen leven ‘zit ons in de genen’.

 

Een prachtig voorbeeld van mensen die weten wie de Allerhoogste is, vinden we in Daniël 2. De drie vrienden zijn onder geen beding van plan om Nebukadnezar de eer te geven die toekomst aan God alleen.

 

1Petr.3:15-16

…Heiligt God, den Heere, in uw harten; en zijt altijd bereid tot  verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop,  die in u is, met zachtmoedigheid en vreze. En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel  in Christus lasteren.

 

Zou het zo kunnen zijn dat deze houding van dienaars van God ertoe heeft bijgedragen dat de grote koning Nebukadnezar uiteindelijk op de knieën ging voor de Allerhoogste?

 

4. Typologie en profetie

 

In de persoon en het leven van Nebukadnezar kunnen we verwijzingen ontdekken naar andere bijbelse werkelijkheden. Vaak vervaagt de scheiding tussen typologie en profetie.

 

4.1. Koning der koningen

Als ‘koning der koningen’ (Ezech.26:7; Dan.2:37) is Nebukadnezar onmiskenbaar een type van Christus (Ps.47:2-3). De macht van Christus zal echter de macht van Nebukadnezar ver overtreffen. Dat is ook de betekenis van de droom die beschreven wordt in Dan.2; de steen die het beeld vermorzelt.

In Dan.4 maakt God Nebukadnezar duidelijk dat hij op dat moment al superieur over hem is. Het machtige koningschap van Nebukadnezar is een aardse werkelijkheid, maar begrensd door de eeuwige almacht van God.

Als we het hebben over Christus als Koning der koningen, realiseren we ons dat we hier te maken hebben met profetie. Vanwege Zijn Godheid is Christus verheven boven het geschapene, maar als we kijken naar zijn werk, dan leert de Bijbel ons dat Zijn Koningschap nog werkelijkheid moet worden. Na de 7e bazuin (Op.11:15) komt de wereld weer onder Gods heerschappij; dan komt het Koningsschap van God over de wereld en van dit Koninkrijk is Christus de Koning der koningen (Op.17:14 en 19:16).

Regeert God nu dan op dit moment niet de wereld? Ondanks het feit dat alles in Gods hand is (Matth.28:18), kunnen we zeggen dat God nu niet in strikte zin de wereld regeert. Regering uitoefenen impliceert dat degene die regeert er ook op toeziet dat zijn wetten nageleefd en gehandhaafd worden. Op dit moment wordt deze wereld echter geregeerd door de ‘overste van deze wereld’ (Joh.12:31, 14:30, 16:11; 2Kor.4:4). God oefent over het algemeen nu geen dwingende macht uit over de wereld. Hij laat het kwade gebeuren en zwijgt. Bij de 7e bazuin (Op.10:7) zal de verborgenheid van God echter voleindigd worden (zie ook Ps.50:3-4).

 

Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten. (Ps.47:2-3)

 

4.2. Vernedering en verhoging

Een dieptepunt in Nebukadnezars leven is de periode dat hij door God de Almachtige vernederd werd en moest leven als een beest. Nadat hij echter zij les geleerd had, ontving hij zijn koningschap en aanzien terug en kreeg hij meer heerlijkheid dan hij vroeger bezat (Dan.4:36). Hoewel het dieptepunt in Nebukadnezars leven een heel andere oorzaak heeft, zien we in het leven van Jezus deze zelfde beweging terug. Hij bezat heerlijkheid bij God, maar leefde hier op aarde als een verachte Man, met als dieptepunt Zijn lijden en sterven (een worm; geen man – Ps.22:6). Na Zijn lijden kreeg Hij echter Zijn heerlijkheid terug en nu draagt Hij de Naam boven alle naam (Fil.2:9).

 

4.3. Satan

Nebukadnezar doet ons niet alleen denken aan DE Koning der koningen, maar ook aan Zijn grote tegenstander, de satan. In Jes.14 wordt de val van de satan beschreven. Frappant zijn de overeenkomsten met Nebukadnezar. De passage begint met een vooruitzicht op de bevrijding van Israël. Als vers 3 voor Israël werkelijkheid zal worden (nog steeds toekomst), zullen zij een spotlied aanheffen op de koning van Babel. Dit gegeven sluit direct de mogelijkheid uit dat het hier gaat over de historische Nebukadnezar, omdat het in de toekomst zal gebeuren.

De satan wordt in vers 4 de ‘koning van Babel’ genoemd. In vers 14 lezen we over de ambities van de satan: hij wilde aan de Allerhoogste gelijk worden, ofwel: hij miskende de almacht van de Allerhoogste en verviel in rebellie. In vers 15 wordt duidelijk dat God zich echter niet van de troon liet stoten; satan ontving zijn straf en werd vernederd. De reactie daarop in vers 16 zou heel goed ook de reactie geweest kunnen zijn van de mensen die Nebukadnezar gadesloegen in zijn vernederde staat: ‘Is dat nu de man die de aarde beroerde?’

 

4.4. Babel

Ook al gaat de vergelijking hierboven op veel punten mank, toch is het geen vreemde gedachte om de macht van Babel (die in de persoon van Nebukadnezar en de macht van zijn rijk tot uitdrukking komt) te koppelen aan Gods grote tegenstander (Jes.51:53). Babel staat in heel de Bijbel model voor het anti-rijk, de wereldmacht die tegenover Gods macht staat. De eindstrijd zal zich in de toekomst ook concentreren rondom Babylon (lees Openb.17-19).

 

4.5. Overgave

We zagen al dat van de uiteindelijke houding van Nebukadnezar een getuigenis uitgaat (Dan.4-5). In die zin is hij een type van ieder mens die capituleert voor God en Hem de plaats geeft die Hem toekomt.

 

4.6. Werktuig

Als werktuig van God (Jer.27:6) is Nebukadnezar een type van alle volken en koningen die door God gebruikt werden om Zijn volk Israël te tuchtigen.