Praktische lessen vanuit Efeze 5:1-21

Aantekeningen bij een bijbelstudie tijdens Startkamp 2005

Hoe moet ik Jezus volgen? Hoe ervaar ik dat Hij bij me is? Discipel zijn heeft misschien wel meer met discipline te maken dan we altijd dachten. Doen wat er staat, daar komt het in deze verzen op aan. En als deze vraag daarna nog een even grote vraag voor je is, praten we verder…

 

1.      Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;

 

►Wees navolgers van God. Dat mag (uitnodiging); dat kan (bemoediging) en het moet ook (opdracht). Het is niet de bedoeling dat je tevreden bent met je redding en that’s it, maar het gaat erom dat God met jouw leven tot Zijn doel komt.

►God heeft je lief als je in Zijn koninkrijk bent (vers 6: Zijn toorn is over de ‘kinderen der ongehoorzaamheid’). Hij heeft je lief en heeft het beste met je voor! Laat dat eens op je inwerken…. Als het goed is stimuleert dit je om op Zijn weg te willen wandelen.

 

2.      En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft,  en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een  slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.

 

►Doen zoals Jezus deed…WWJD: daar voldoe je niet alleen aan door een armbandje om te doen; dit is een weg van zelfverloochening. Jezus liet in Zijn liefde twee dingen zien: opoffering (Hij gaf zichzelf helemaal voor de ander) en een leven wat tot eer van God was (Hij hield Gods belang bij alles in het oog). Vergelijk je leven eens op deze twee punten.

►De liefde die Hij liet zien (agapé-liefde, belangeloze liefde) kostte Hem alles. Als wij een instrument willen zijn in Gods koninkrijk, moeten we ons loon niet hier op aarde verwachten (zie ook Op.2:3). Laat het genoeg voor je zijn dat God het ziet en dat het voor Hem betekenis heeft.

 

3.      Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet  genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,

4.      Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.

5.      Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die  een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en  van God.

 

►Dit zijn duidelijke lijnen, waar we niets van af kunnen doen. De zonden die hier genoemd worden (sex, geld, loos plezier…) zijn alle het tegenovergestelde van liefde. Ze zijn niet alleen nutteloos, maar ook liefdeloos.

►Daar tegenover staat dankbaarheid. Door God te danken ben in staat om tegenwicht te bieden aan de neiging om in deze zonden te vallen. Door God te danken, besef je wat je van Hem hebt gekregen; hoeveel Hij van je houdt en welk doel Hij met je heeft. Leven in zonde is leven onder de maat, eigenlijk een uiting van ondankbaarheid.

►Stoppen met deze zonden! Een onmogelijke opgave? Niet als je ertegen strijdt op de manier zoals God het je leert (bijv. de wapenuitrusting in Efeze 6); wel als je het in eigen kracht wilt doen. Lees bijv. ook 1Kor.10:13.

►En als je deze zonden wel gedaan hebt? God vergeeft je graag! Laten wij van deze wetenschap echter geen misbruik maken (…het wordt toch wel weer vergeven…). Laat het nog maar eens op je inwerken wat het Jezus gekost heeft om jou te kunnen redden (vers 2).

►Zij die in deze zonden leven hebben geen erfdeel in Gods koninkrijk. Maar God is toch liefde? Hij houdt toch van zondaars en wil ze behouden? Waarom zorgt Hij niet dat we die zonden niet meer kunnen doen? Hij heeft je lief (vers 1) en weet wat Zijn gift aan jou waard is: blijkbaar is dat wat je van Hem gekregen hebt genoeg om te kunnen doen wat Hij wil. Alle zonden die in vers 5 genoemd worden zijn afgodendienst. God wil Zijn plek in ons leven niet met iets of iemand anders delen.

 

6.      Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.

 

►De misleiding waarover hier gesproken wordt slaat op de verzen daarvoor. Dat we leven in een samenleving waarin alles moet kunnen zal niemand vreemd voorkomen; wat moet je anders verwachten van mensen die God niet dienen. Maar deze tolerante houding is besmettelijk; ook christenen kunnen het gewoon gaan vinden dat bepaalde dingen gebeuren die de Heere verboden heeft. De geest van de wereld (alles moet kunnen) sluipt ook binnen in ‘de kerk’. Uit het verbieden van dingen blijkt overigens weer Gods liefde.

►God heeft zondaren lief, maar Hij haat de zonde.

 

7.      Zo zijt dan hun medegenoten niet.

 

►De nodiging van de mensen en de afwijzing van de zonde sloten elkaar bij het optreden van Jezus niet uit. Hij had de mensen zo lief (vers 2) dat Hij hen confronteerde met dat wat er werkelijk mis was in hun leven. Durven wij ook uit liefde voor onze medemens zo eerlijk te zijn?

►Leven met God in deze wereld betekent dat we regelmatig keuzes moeten maken (zie ook Op.2:2). Durf je keuzes te maken? Wat motiveert je om in je leven Gods belangen vooraan te zetten?

 

8.      Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere;  wandelt als kinderen des lichts.

9.      (Want de vrucht des Geestes [of: van het licht] is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid),

10.  Beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.

 

►Een kind van God is licht in de Heere. God ziet een duidelijk verschil tussen jou voor je bekering en na je bekering. Voor Hem is dat een feit. Laat het eens op je inwerken…

►Een kind van het licht moet ook wandelen in het licht. Dat is net zo logisch als dat het kind van een koning zich gedraagt als prins of prinses. In Efeze 1:3-14 staat wat je allemaal gekregen hebt omdat je een kind van God bent. In Efeze 4:1 staat dat je ‘waardig moet wandelen naar de roeping waarmee God je geroepen heeft’. Het kan! Het moet! God zette jou in het (nieuwe) leven. Je kunt het niet maken om net te doen of je dat nieuwe leven niet hebt.

►Het is in principe onmogelijk dat een vruchtboom niet de vruchten draagt die hij zou moeten dragen. Omdat die boom is zoals hij is, komen die vruchten er. Als je in het licht bent (de Geest van God woont dan in je) dan komt in jouw leven ook die vrucht van het licht openbaar. Als je dat wilt tegenhouden (door gewoon je eigen gang te gaan en jezelf niet te laten gezeggen – vers 17), dan ben je ‘tegen de natuur’ bezig. God geeft je bij je redding alles wat je nodig hebt om voor Hem te kunnen leven. Je hebt geen enkel excuus om dat niet te kunnen doen.

►Als je in het licht wandelt, beproef je wat voor de Heere welbehaaglijk is. Dat wat Jezus deed, was ook welbehaaglijk voor God (vers 2). Geweldig toch, dat je heel je leven je Redder mag bedanken. Het zou vreemd zijn als je dat niet zou willen.

►Beproeven heeft alles te maken met ‘fijn-proeven’. Veel dingen zijn duidelijk niet welbehaaglijk voor God, maar soms luistert het heel nauw. Leer de stem van de Geest goed kennen; dan zul je vanzelf weten wat je moet doen…WWJD?

 

11.  En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.

12.  Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen.

13.  Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht.

14.  Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en  Christus zal over u lichten.

 

►Hebt geen gemeenschap met de werken van de duisternis (zie ook Op.2:6 en Hand.19:18-20…wat een zegen gaat er uit van breken met de zonde). Kappen met die zooi dus. Hoe meer je jezelf ermee inlaat, hoe moeilijker het wordt om de goede richting te houden in je leven. Maak duidelijke keuzes als de Geest je daartoe dringt (weet je hoe Zijn stem klinkt…?) en ervaar hoeveel ruimte en zicht het geeft op je levensweg met God. God wil voor ons een licht zijn, maar wij maken het zelf donker. Wat de duivel betreft kan het altijd zwarter en smeriger (vers 12); je schaamt je ervoor om het allemaal te verwoorden hoe smerig het in de duisternis kan zijn. Schaam jezelf niet om het aan God op te biechten. Dat is juist het begin om ermee te breken.

►Laat je niet in met de werken van de duisternis. Kap ermee en stel ze aan de kaak. Dat is het beste antwoord wat je de duivel kan geven: anderen inzicht geven in zijn werkwijze.

Voor het licht van God kan niets verborgen blijven. Gods licht ontmaskert de werken van de duivel (vers 13).

►De boodschap om wakker te worden en op te staan uit de ‘dood’ (hier bedoeld als beeld voor de duisternis van de zonde) is niet nieuw (Jes.26:19, 51:17, 60:1). God wil Zijn plaats in ons leven niet delen met andere ‘goden’. Het is het één of het ander. Het in de openbaarheid brengen en loslaten van de zonde is ‘voor ons vlees’ niet aangenaam (het zijn immers onze afgoden – vers 5), maar het heeft een geweldige zegen tot gevolg: Christus zal in je leven stralen.

 

15.  Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.

16.  Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.

17.  Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.

 

►Het voorzichtige wandelen betekent niet dat er in een leven met God niets te genieten valt. God nodigt je in de Bijbel juist uit om je voeten stevig op Zijn pad te zetten en vol goede moed vooruit te gaan. Als het gaat om het vinden van de goede weg midden in deze boze wereld, moeten we echter voorzichtig zijn (beproeven – vers 10). Wie wijs is, kijkt nauwkeurig uit wat hij wel of niet moet doen; hij buit de geschikte gelegenheden uit (ofwel: je beseft dat je de tijd die God je geeft maar één keer gebruiken kunt en daarom doe je het zo goed mogelijk).

►Onverstandig ben je als je deze liefdevolle waarschuwingen van God in de wind slaat. Verstandig ben je als je als je jezelf uitstrekt naar het kennen van Gods wil. Wat is er heerlijker dan te doen wat de Redder van je leven van je vraagt. Hij laat je delen in dat wat voor Hem eer en vreugde is. Plat gezegd: je wordt er alleen maar beter van.

►We doen vaak zoveel moeite om de stemmen te horen die we niet moeten horen (vers 6); hoeveel moeite doen we om de stem van God te verstaan. God heeft niet alleen oren om al onze gebeden (en wat kunnen dat lange waslijsten zijn…) aan te horen, maar Hij heeft ook een mond, waarmee Hij tegen ons wil praten! Misschien is dit wel het eerste waar je jezelf naar moet uitstrekken als je goede beslissingen wilt nemen: Gods stem leren verstaan. Rust niet voordat je deze Stem kent.

 

18.  En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;

19.  Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke  liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart;

20.  Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus;

21.  Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.

 

►Zoals wijn je helemaal kan vullen en beheersen met haar uitwerking, zo gaat ook bij de heilige Geest. Hij wil en kan je vullen en je leven richting geven. Hoe word je vervuld met de Geest? Volgens dit gedeelte door te doen wat de Heere hier van je vraagt. Het resultaat van wandelen in het licht is dat de Geest je leven vervult. De Geest is er bij als je nieuwe leven met God begint (wedergeboorte – Joh.3:6-8); Hij woont in je (Rom.8:16), maar Hij wil ook zo graag de ruimte krijgen in ons leven. De Geest kan groot worden in ons leven als wij in gehoorzaamheid de dingen weg doen die God ons vraagt weg te doen.

►Het uiten van wie de Heere voor je is, in liederen, in gesprekken en hoe dan ook, is het gevolg als de Geest je leven vult; en misschien is het andersom ook wel waar. Wat kun je met die mond die je gekregen hebt veel kwaads doen, maar onderschat ook niet hoeveel goeds je met die zelfde mond kunt doen.

►Spreek erover tot elkaar, maar ook tot God zelf. Praten over God en praten met God. Voor de een is het eerste moeilijk, voor de ander het tweede, maar het is allebei belangrijk.

►Wees elkaar onderdanig in de vrees van Christus. Deze opdracht kun je alleen begrijpen en opvolgen na zo’n hoofdstuk als dit. Als Christus alles voor ons is, en wij zo met elkaar leven zoals hij daarin voorging (vers 2), dan kennen we onze plaats. Waar de liefde tot God en elkaar groeit, is geen plaats voor hoogmoed. Daar zoeken we het belang van de ander en dienen we zo de gemeente van Christus. De onderdanigheid waarover hier gesproken wordt, wordt ons niet opgelegd, maar het is een keus die je zelf maakt, gedreven door Gods liefde. Ook hier geldt in het groot wat in vers 18 over ons leven gezegd wordt: waar wij klein worden en elkaar dienen, wordt Jezus Christus groot. En die plaats komt Hem toe! Halleluja!