|
Psalm 91 Bijbelstudie
volgens de OBT-aanpak |
|
|
|
Lezen Ik begin mijn bijbelstudie
met het doorlezen van de psalm. Ik neem er, naast de SV,
ook wat andere vertalingen bij. |
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
Vers |
wie spreekt (door de schrijver)? |
|
over / tot wie wordt gesproken? |
||||||||||||||||||||
|
1 |
Geest |
(hij) die |
over de ‘gelovige’ |
||||||||||||||||||||
|
2 |
schrijver
, de ‘gelovige’ |
ik / mijn |
tot de HEERE (voornemen) |
||||||||||||||||||||
|
3-8 |
Geest |
gij / u(w) |
tot de ‘gelovige’ |
||||||||||||||||||||
|
9a |
schrijver
, de ‘gelovige’ |
mijn |
tot de HEERE (daad) |
||||||||||||||||||||
|
9b-13 |
Geest |
gij / u(w) |
tot de ‘gelovige’ |
||||||||||||||||||||
|
14-16 |
God (Elohim) |
hij / hem |
over de ‘gelovige’ |
||||||||||||||||||||
|
Deze indeling deelt de
psalm in vier stukken, met een herhaling in de twee middelste delen. Zo ontstaat in het groot
een A.B.B.C-structuur, met in de B-delen een a.b-structuur. |
|||||||||||||||||||||||
|
|
Vers |
|
wie spreekt (door de schrijver)? |
over / tot wie wordt gesproken? |
|||||||||||||||||||
|
Deel 1 |
1 |
A |
Geest |
over de ‘gelovige’ |
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
Deel 2 |
2 |
B |
schrijver
, de ‘gelovige’ |
a |
tot de HEERE (voornemen) |
||||||||||||||||||
|
3-8 |
Geest |
b |
tot de ‘gelovige’ |
||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
Deel 3 |
9a |
B |
schrijver
, de ‘gelovige’ |
a |
tot de HEERE (daad) |
||||||||||||||||||
|
9b-13 |
Geest |
b |
tot de ‘gelovige’ |
||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
Deel 4 |
14-16 |
C |
God (Elohim) |
over de ‘gelovige’ |
|||||||||||||||||||
|
Door te letten op de
voegwoorden wordt er in de psalm ook een oorzaak-gevolg-patroon
zichtbaar. Als ‘want’ gebruikt wordt, staat ervóór het gevolg vermeld en erná
de oorzaak (de reden voor het gevolg). Als ‘omdat’ gebruikt wordt, staat
ervóór de oorzaak, en erná het gevolg (een reactie op de oorzaak). |
|||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
Bij reeks 1 moet je
eigenlijk achteruit lezen: De ‘gelovige’ trekt conclusies uit Gods daden. Bij reeks 2 moet je vooruit
lezen: God trekt conclusies uit het vertrouwen van de ‘gelovige’. Literaire stijlfiguren 1
(hij) Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, (hij) die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. 2
Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik
vertrouw! 3
Want Hij zal u
redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. 4 Hij zal u dekken met Zijn
vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen;
Zijn waarheid is een rondas en beukelaar. 5
Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts,
voor den pijl, die des daags vliegt; 6
Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op
den middag verwoest. 7 Aan uw zijden zullen er duizend
vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal
het niet genaken. 8 Alleenlijk zult gij
het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen
zien. 9
Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den
Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek; 10 U zal
geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent
naderen. 11
Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. 12
Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet
aan geen steen stoot. 13
Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. 14
Omdat hij Mij zeer
bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. 15
Hij zal Mij aanroepen,
en Ik zal hem
verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem
uittrekken, en zal hem verheerlijken. 16
Ik zal hem met
langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien. Vers 7-8 tegenover de andere verzen: een enorme tegenstelling
tussen het lot van de goddelozen
en de ‘gelovigen’. Vers 4: beeldspraak Vers 3-4: herhaling Vers 2-13: nadruk door proportie: Gods daden zijn
overweldigend. Vers 7: hyperbool (?) Vers 8: tegenstelling Vers 10: (synoniem?) parallellisme Vers 11-12: herhaling (zij….) Vers 13: parallellisme en chiasme Vers 14: chiasme Vers 14-16: parallellisme (Ik-zal) Vers 14-15: herhaling (hij….) Grondtekst en letterlijke vertaling van psalm 91 7-Structuur:
2 x 56 (=8x7) woorden; 35 (= 5x7) lijnstukken; 7 strofen (menorah-patroon) Maar liefst 8 verzen hebben
7 woorden (2,3,5,9,11,12,13,15); 7x
Ik-zal in vers 14-16. Het centrale lijnstuk is
vers 8b. Ervoor zijn 17 lijnstukken, erna ook; samen 35 lijnstukken. |
|||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||
|
Uitlegvragen stellen Opstellen van uitlegvragen Ik neem voor me de lijst
met mijn ontdekkingsvragen. De volgende vragen neem ik mee als uitlegvragen:
Selectie uitlegvragen Ik kies voor de volgende
drie uitlegvragen:
Motivatie van deze keuze Als ik te weten kan komen
wie de psalm geschreven heeft, heb ik gelijk een goede context (tijd,
misschien ook omstandigheden) te pakken waarin ik andere vragen kan oplossen,
zoals die over het toepassen van de beloften uit deze psalm op mezelf. Er staat boven de psalm
niet vermeld wie de dichter is, dus ik ga kijken of er andere bijbelsplaatsen
zijn waar de psalm gebruikt wordt. Misschien kan ik er zo achter komen. Zoeken naar antwoorden Bijbelcitaten psalm 91 Twee keer in de Bijbel
wordt Psalm 91 aangehaald: in Mt.4:6 / Luk.4:10 en
in Luk.10:19. De passage uit Mt.4:6 / Luk.4:10 brengt me op een idee over wie de
schrijver van de psalm zou kunnen zijn. De verzoeking van Jezus in de woestijn In de passages uit Mt.4 en Luk.4 wordt de verzoeking van Jezus in de
woestijn beschreven. De duivel probeert Jezus te verleiden tot het doen van
zonde, maar Jezus weerstaat deze verzoeking. De verzoeking lijkt op een soort
krachtmeting in bijbelkennis. Zowel Jezus als de duivel citeren namelijk
passages uit de Bijbel. Hoewel de beschreven volgorde van de citaten in Mt.4 en Luk.4 niet helemaal overeenstemt, wordt wel
duidelijk dat Jezus steeds Zijn antwoorden haalt uit de Thora. Hij citeert Dt.6:13, 6:16 en 8:3. Jezus weerstaat de duivel dus met
citaten van ‘Mozes’. Opvallend is dat de duivel ook 1 keer een bijbelcitaat
gebruikt en wel vers 11 en 12 uit Psalm 91. Nu zou het zo kunnen zijn dat de
duivel een willekeurig citaat kiest, maar het is ook goed mogelijk dat ook
hij kiest voor een citaat van Mozes, die ook de bron van inspiratie is van
Jezus’ antwoorden. Conclusie: Mozes komt dus
in aanmerking als mogelijke schrijver van psalm 91. Mozes de schrijver? Als ik blader door diverse
bijbelcommentaren, lees ik dat men de dichter van de psalm zoekt onder één
van de Levieten in de tempel. Sommige commentaren zeggen dat de psalm
geschreven is omstreeks de 7e eeuw voor Christus. De optie Mozes
wordt wel een keer genoemd vanwege het feit dat er in de psalm over allerlei
plagen gesproken wordt. Omdat de gedachte dat Mozes
de schrijver zou kunnen zijn me wel intrigeert, besluit ik dit spoor wat
verder uit te diepen. Liederen van Mozes Van psalm 90, die pal voor
deze psalm staat, is wel bekend dat die door Mozes geschreven is. In Ex.15 en
Dt.32 lezen we nog twee keer over een lied wat door
Mozes gemaakt is. Die twee liederen vinden we niet letterlijk terug in het
boek van de Psalmen. Al zoekend op het internet (http://www.labuschagne.nl/)
kom ik terecht op de website van Dr. C.J. Labuschagne,
die een boek heeft geschreven over de numerieke structuren in de Psalmen. Als ik me door zijn
toelichting op psalm 90 en 91 heb geworsteld, zijn me een aantal dingen
helder geworden: psalm 91 zou heel goed door Mozes geschreven kunnen zijn,
want de hoofdstructuur vertoont grote overeenkomst met de structuur van psalm
90. [eveneens twee gelijke helften en de centrale verslijn in het midden].
Als het waar zou zijn dat psalm 91 van de hand van Mozes is, betekent dit dat
psalm 91 samen met psalm 90 tot de twee oudste psalmen behoort (men gaat er
vanuit dat psalm 90 de oudste psalm is die we kennen). Het feit dat deze twee
oudste psalmen niet aan het begin van het boek van de Psalmen staan, brengt
me bij mijn derde ontdekking en tevens een uitlegvraag die had genoteerd: is
er een bepaalde opbouw in het boek van de psalmen aanwezig en zo ja, hoe dan? Structuur in de Psalmen In de meeste commentaren
over de psalmen wordt gesproken over de koppeling tussen de psalmen en de
vijf boeken van Mozes. Deze zienswijze is afkomstig uit de Hebreeuwse Bijbel,
de Tenach. Deze letters vormen
het begin van de drie delen waaruit in de Joodse traditie het OT bestaat: T(ora)en(ebiiem)ach(etoebiem), resp. de Tora
(de Wet of de vijf Boeken van Mozes); de Nebiiem
(de Profeten); de Chetoebiem (de
Geschriften). De Psalmen (Tehillim,
lofliederen), maken deel uit van de Chetoebim. Een bekende tekst waar
Jezus deze drie delen van de Tenach koppelt (de
eenheid benadrukt) is Luk.24:44. Ook in de synagoge koppelt men het lezen van
een deel van de Torah vaak aan het zingen van de
Psalmen. Op deze wijze wordt de 'stem van God' (het Woord) met de 'tegenstem'
van de mens (de Psalmen) verbonden. Een aanwijzing dat de Psalmen niet lukraak in een
boek verzameld zijn, maar dat een redactionele hand over de verzameling is
gegaan is, blijkt uit de verdeling in vijf boeken: |
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
Deze boeken eindigen
allemaal met ongeveer dezelfde lofprijzing, namelijk: ‘Geloofd zij de Heere,
de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen.’ Omdat het boek van de
psalmen uit vijf delen, eigenlijk 5 boeken bestaat, kent de Hebreeuwse Bijbel
dan ook geen 66, maar 70 boeken. De verbinding tussen deze
geschriften uit de Tenach gaat echter nog dieper.
De vijf boeken van de psalmen worden van ouds ook
verbonden met de inhoud van de vijf boeken van Mozes. |
|||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||
|
Meer info
over de exacte verbanden is bijvoorbeeld te vinden in de Scofield
Bijbelscursus of de Companion Bible.
Van belang voor mijn
onderzoek naar psalm 91 is dat deze psalm in het gedeelte staat wat
correspondeert met het boek Numeri. Numeri als context De link tussen psalm 90 en
het boek Numeri is al snel gelegd. Dit beschrijft
de geschiedenis van het volk Israël in de woestijn vanaf Sinaď
tot aan de nadering van het land Kanaän vanuit het westen. Dit traject wordt
beheerst door de tragiek van de 38 jaren. In Num.14
valt het besluit van God dat iedereen van het volk van 20 jaar en ouder in de
woestijn zal sterven. Zelfs Mozes en Aäron hebben
het Beloofde Land nooit betreden (Num.20:12). Waarschijnlijk heeft Mozes
psalm 90 in deze periode geschreven (1490 v.Chr.).
Hij beschrijft de kortheid van het leven; hij schrijft over de toorn van God; hij vraagt de Heere om doorgang van het
plan wat Hij met Israël in gang gezet heeft. Woestijndecor Als we de inhoud van psalm
91 op ons in laten werken, ontdekken we dat deze psalm eveneens goed in deze
periode geschreven kan zijn. Bij het bespreken van de omstandigheden wordt
soms beeldspraak gebruikt en soms worden letterlijke zaken genoemd. Dat maakt
het een beetje lastig om snel een goed beeld te krijgen van de moeilijkheden
die ‘de gelovige’ meemaakt. In vers 3 en 4 hebben we te
maken met beeldspraak. De ‘gelovige’ wordt vergeleken met een vogel die
schuilt onder de ‘vleugels van God’. Daar is hij veilig voor ‘het net wat
voor hem gespannen wordt’ (verleiding, situaties die de dood of straf van God
tot gevolg hebben). Daar is hij veilig voor dodelijke ziekten, zoals de pest. In vers 5-7 worden concrete
gevaren en doodsoorzaken genoemd: gevaren van de nacht, pijlen van de vijand
overdag, de pest die ’s nachts uitbreekt of ziekten die op klaarlichte dag uitbreken
en veel slachtoffers maken. Dat zelfs de aantallen doden die in vers 7
genoemd worden letterlijk genomen kunnen worden, ontdekken we als we de
volgende feiten uit het boek Numeri op ons in laten
werken. Bij het vertrek uit Egypte
telt het volk Israël 600.000 mannen (Ex.12:37). Bij de telling die in Num.1-3 beschreven wordt telt het volk 603.550 mannen
boven de 20 jaar, de Levieten niet meegerekend (dat waren er 22.000 van 1
maand en ouder). In Num.11:21 wordt nog gesproken
van 600.000 mannen te voet. Op het moment dat de straf van de 38 jaren begint
(Num.14:29) telt het volk dus ruim 600.000 mannen. Al deze mannen en hun
vrouwen van 20 jaar en ouder, zijn in de woestijn gestorven. Enkele keren gaat dat met grote aantallen – 10.000den – tegelijk
(Num.16:49; 21:6; 25:9). De doodsoorzaken waaraan al
deze Israëlieten gestorven zijn, zijn oorlog, ziekten, strafmaatregelen van
God bij opstand… Het zal duidelijk zijn dat de zaken die in psalm 91:3-7
genoemd worden hier naadloos bij aansluiten. Vers 8 maakt nog eens duidelijk
dat het hier gaat om ‘de vergelding van de goddelozen’ (vgl. 1Kor.10:5 en 8). Het wordt steeds
aannemelijker dat Mozes deze psalm geschreven kan hebben. De gelovige uit psalm 91 De overeenkomst tussen
psalm 90 en 91 lijkt te zijn dat ze allebei in de zelfde periode geschreven
zijn, die van de 38 jaren in de woestijn. Het grote verschil tussen beide
psalmen is dat de ‘gelovige’ van psalm 91 wel allerlei gevaren meemaakt, maar
daarín door God bewaard wordt. Hierover spreekt de
psalm, de ene keer in beeldspraak (poëzie!); de andere keer in letterlijke
bewoordingen. Geen van de gevaren en plagen zal hen kunnen schaden (vers 3-4
en 10). Zelfs Gods engelen worden bij deze bescherming ingeschakeld. Vers
12-13 kunnen deels letterlijk (op de adder treden i.p.v. er door gedood te
worden), deels figuurlijk gelezen worden (alle gevaren, hoe sterk en venijnig
ook, trotseren). Als we meegaan in de uitleg
dat degenen die wél de in psalm 91 genoemde gevaren ondergaan met alle
gevolgen van dien, de Israëlieten zijn die in de woestijn zijn gestorven, dan
kunnen we ook gaan invullen wie de ‘gelovige’ is, die al deze gevaren en
straf overleeft. Optie 1 De eerste optie blijft de
schrijver van deze psalm; waarschijnlijk dus Mozes. Zowel in vers 2 als in
vers 9 spreekt Mozes zijn vertrouwen in God uit. Dat mag
ons niet verbazen van een man die de bijnaam ‘de man Gods’ heeft (Deut.33:1; 34:3). Mozes heeft het Beloofde Land
nooit betreden, maar om een andere reden dan de andere Israëlieten die in de
woestijn zijn gestorven. Voor hen was het de straf op ongehoorzaamheid,
opstand en het opzeggen van het vertrouwen in God. Mozes kon niet ingaan
wegens een daad van ongehoorzaamheid, die hem als leider zwaar aangerekend
werd. Mozes is tijdens de 38 jaren in de woestijn niet getroffen door
allerlei ziekten en gevaren, maar hij is door God op een speciale manier van
deze aarde weggenomen (Deut.34). De woorden uit
psalm 91 drukken de persoonlijke beleving van Mozes uit, te midden van Gods
oordeel over Zijn volk. In Num.26
wordt de balans opgemaakt van de mannen die de straf van God overleefd hebben
(Num.26:65). Er worden 601.730 mannen geteld en
23.000 mannelijke Levieten; samen 624.730 mannen. Al deze mannen zijn 57 jaar
of jonger. Van alle mannen die in Num.14 20 jaar en
ouder waren, leven alleen Jozua, Kaleb en Mozes
nog. Mozes overleeft dus de straf, hoewel hij op dat moment al weet dat hij
niet zal ingaan in het Beloofde Land. Andere opties In psalm 91 wordt niet
alleen beschreven hoe het ‘de gelovige’ vergaat te midden van alle ellende
ten gevolge van Gods oordeel; er wordt ook een vooruitblik gegeven: vers 16. Mozes ondergaat niet de
straf die het volk ondergaat, maar hij mag ook het land niet binnengaan. De
nieuwe generatie Israëlieten en Jozua en Kaleb
mogen dat echter wel. Zij bereiken het doel waarnaar door iedere Israëliet
werd uitgekeken: het Beloofde Land. ‘Heil’ is voor de Israëliet niet in de
eerste plaats ‘behoudenis’, maar het leven in het Beloofde Land, in harmonie
met God (Ps.85:9). Hieruit vloeien de volgende
twee opties voort. Optie 2 De ‘gelovige’ staat model
voor alle Israëlieten die wel het Beloofde Land mogen binnengaan. č niet vanwege verdienste. Optie 3 De
‘gelovige’ staat model voor Jozua en Kaleb, die als
enige ‘ouden’ het Beloofde Land mogen binnengaan (Num.14:30;
26:65). č vanwege geloof. Omdat de ‘gelovige’ uit
psalm 91 naar voren komt als iemand die op God vertrouwt en die ook dáárom
door God bewaard wordt, lijkt mij optie 2 de beste. Alle anderen van het volk
Israël die het land wel mogen binnengaan, hebben dat niet allereerst te
danken aan hun vertrouwen, maar aan een leeftijdsscheiding die God in Num.14 aanbrengt. Van Jozua en Kaleb
wordt daar echter duidelijk dat zij wél op God vertrouwen, terwijl anderen
God het vertrouwen opzeggen (Num.32:12). Accent vanuit de
compositie Als we de grondtekst van
psalm 91 erbij nemen, zien we dat vers 8b de centrale verslijn van de psalm
vormt: ‘…en gij zult de vergelding van de goddelozen zien.’ Het is treffend dat we zowel vanuit de compositie
als vanaf de kant van de betekenis bij dezelfde kern uitkomen:
de ‘gelovige’ uit psalm 91 ziet om zich heen de vergelding van de
goddeloze, maar hijzelf wordt daarin bewaard. Christus in de psalmen (typologie) In Johannes 5:39 stelt
Jezus dat de Schriften van Hem getuigen. Het is niet duidelijk of Jezus hier
specifiek de Chetoebim (waarin ook de psalmen
begrepen worden) bedoelt, of dat hij doelt op het
Oude Testament in het algemeen. Over het algemeen wordt wel gezegd dat je
overal in de Bijbel Christus terug kunt vinden, zij het niet letterlijk, dan
wel typologisch. Als er één boek in de
Bijbel is waar dit wel heel duidelijk wordt, is dit wel in het boek van de
Psalmen (Luk.24:44). Denk aan prachtige typologieën in psalm 22, 40, 72. Is dit ook het geval in
psalm 91? Ik zie wel aanwijzingen om als vierde optie voor de ‘gelovige’ de
naam van Jezus in te vullen. Jozua, de belichaming van deel van Israël waarin
God wel een welbehagen heeft, wordt na de dood van Mozes diens opvolger. Hij
is de man in wie de Geest is (Num.27:18). Optie 4 Jezus Christus is typologisch gezien de ‘gelovige’ van
psalm 91. Hij is de Jozua (Jozua en Jezus betekenen het zelfde) die na Mozes
(de wet) komt en het volk binnenleidt in het land. Als we deze lijn
doortrekken komen we onder andere uit in Gal.3:23-24, waar staat dat de wet
‘onze tuchtmeester is geweest tot op Christus’ (zie ook Hebr.3:5). Als we terug keren naar de
start van deze reis door de Bijbel, zijn we weer in de woestijn, waar
Jezus verzocht werd door de duivel. Hij werd aangevallen en getest door DE
slang, maar hij beleef trouw aan Zijn Vader en doorstond de verzoeking. Hij
zou de kop van DE slang vermorzelen. ‘En de engelen dienden Hem’ (Mt.4:11). WAUW! Conclusies integreren De uitlegvragen Dit waren mijn
uitlegvragen:
En dit waren de vragen die
ik geselecteerd heb en waar ik in eerste instantie mee aan de slag ben
gegaan.
Mijn conclusies Ik denk dat psalm 91
geschreven is door Mozes.
De
psalm heeft zo, samen met psalm 90, betrekking op laatste 38 jaren van de
woestijnreis, waarin het volk Israël door God gestraft wordt: alle mensen van
20 jaar en ouder sterven. Alleen Mozes, Jozua en Kaleb
overleven dit oordeel. Mozes is in dit geval de ik-persoon,
de ‘gelovige’ uit de psalm.
Toepassingen en principes De volgende toepassingen /
principes leid ik af uit psalm 91: De gelovige en het gericht van God Vanuit de
(getal)structuur werd duidelijk dat vers 8b de centrale verslijn is: ‘…en de
vergelding van de goddelozen zien.’ Het ‘zien’, het
aanschouwen impliceert vanuit psalm 91 ook het ‘overleven’ van die
vergelding. Principe č Gods toorn gaat over de goddelozen; de gelovige echter zal in Gods gericht niet
omkomen, maar blijven. Vgl. Ps.97:10; Joh.3:36; Rom.1:18; 1Thess.1:10. Een onverbrekelijke band Ook gelovigen krijgen te
maken met oordelen, rampen en ellende, maar het zal hen niet kunnen scheiden
van God. Principe č Als ik op God vertrouw, zal dat niet tevergeefs
zijn. Vgl. Ps.34:7; 103:17-18; Rom.8:31-39;
1Kor.10:13; 2Thess.3:2-3. Gods trouw en onze trouw Door te letten op de
voegwoorden in de psalm ontstaat er een oorzaak-gevolg-patroon.
Twee dingen kun je daaruit afleiden: ·
De gelovige
vertrouwt op God en put de kracht daarvoor uit Gods daden. God reageert
echter ook ‘positief’ (met daden) op het vertrouwen van de gelovige in Hem.
Er is dus sprake van een wisselwerking tussen de trouw van God en het
vertrouwen van de gelovige. ·
In deze
wisselwerking overtreft Gods trouw ons vertrouwen. Dit zien we als we de drie
redenen die God signaleert bij de gelovige (vers
14-15) vergelijken met het zevenvoudig Ik-zal van
God zelf (vers 14-16). Principe č Ik leer op God te vertrouwen door naar Zijn daden
te kijken. Vgl. Joz.24:13-14; Ps.78:4-7,
11. De naam ‘God’ (Elohim), die
in vers 2 genoemd wordt, betekent ook letterlijk ‘de
Betrouwbare, de Sterke’. Gods Naam correspondeert met Zijn daden. Principe č Gods trouw is vele malen groter dan mijn trouw. Vgl. Klaagl.3:22; 2Tim.2:13. Schuilen bij God God, de Allerhoogste, bemoeit
zich met schepselen. Onze God is een God die geeft; en niet zoals alle
afgoden, die nemen. In vers 1 wordt God ‘El Shaddai’ genoemd, de Almachtige. Shaddai
betekent letterlijk: ‘hij die borsten heeft’. Deze naam benadrukt het feit
dat God een gevende God is. Een kind wat aan de moederborst drinkt, ontvangt
voedsel, maar tegelijk ook geborgenheid. Geen wonder dat de dichter twee keer
(vers 2 en 9) God zijn ‘Toevlucht’ noemt. Principe č God is een gevende God, bij wie ik kan schuilen. Vgl. Ps.61:4; 84:11-12. Doelen concretiseren Persoonlijke lessen Concrete acties die ik
afleid uit de principes die ik gevonden heb, zijn: ·
Als ik in Jezus
geloof (een gelovige ben), hoef ik nooit meer bang te zijn voor Gods gerichten. ‘Dank U
Heere, dat ik voor altijd bij U mag zijn.’ ·
Ik wil nog meer
proberen om de ongelovige medemensen die ik ken te vertellen wat ze missen
als ze God niet kennen als Schuilplaats. ‘Heere,
laat me zien hoe ik dat aan kan pakken.’ ·
Wat er ook met
me gebeurt, ik hoef niet bang te zijn. God houdt me vast. Hij weet ook het
beste wat een goede weg voor mij is. ‘Heere,
help me om in moeilijke tijden te zien op Uw pad en Uw plan.’ ·
Als ik weer
eens twijfel aan God en de zekerheid van mijn behoud, ga ik in de Bijbel
lezen. Ik ga opnieuw nadenken over wie God is. En ik
geloof dat dit helpt! Ik zal dat ook vaker tegen anderen zeggen, want van
twijfel wordt niemand gelukkig. ·
Als God wil dat
ik op Hem (op Jezus) ga lijken, dan betekent dit dat ik trouw moet zijn. Zo
trouw als Hem kan ik niet worden, maar wel trouwer als ik nu ben. ‘Heere, ik wil graag dat mensen door mij
heen U ontdekken.’ ·
Ik wil de Heere
veel meer gaan prijzen en danken voor Wie Hij is. Ik stop mijn gebeden zo
makkelijke vol met allerlei vragen, maar ik wil leren om meer te danken;
tegen hem zelf te zeggen wat ik van Hem vind. Afspraken met mezelf Algemene afspraken t.a.v.
vertrouwen, omgaan met angst en twijfel vastheid zoeken in de Bjbel, trouw zijn – lijken op Jezus. Specifieke afspraken (in
mijn agenda): ·
Ik zal volgende
week xxxxxxx
weer eens bellen. Ik merkte pas dat hij twijfelt aan het feit dat hij een
kind van God is. Misschien kan ik hem goede raad geven. ·
Ik wil dit jaar
een keer meedoen met een evangelisatie-actie. Ik
zal xxxxxx
dinsdagavond even bellen. Zij heeft daar vast meer informatie over. ·
Ik ga de
komende maand al mijn gebeden beginnen met het uitspreken van een paar dingen
waarvoor ik de Heere wil danken. Ik ga ook proberen te zeggen wat ik voor Hem
voel. Ik ga deze voornemens ook
delen met Colinda. Dan kan ze mij erbij helpen. Evaluatiemoment Op 29 november lees ik
psalm 91 nog eens door + deze bladzijde en dan wil ik zien wat er van mijn
voornemens terecht gekomen is. Even in mijn agenda
schrijven. |
|||||||||||||||||||||||