Psalm 91

Bijbelstudie volgens de OBT-aanpak

Lezen

 

Ik begin mijn bijbelstudie met het doorlezen van de psalm. Ik neem er, naast de SV, ook wat andere vertalingen bij.

 

SWUEERBEH

NBG

א  יֹשֵׁב, בְּסֵתֶר עֶלְיוֹן;    בְּצֵל שַׁדַּי, יִתְלוֹנָן.

1 Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen.

ב  אֹמַר--לַיהוָה, מַחְסִי וּמְצוּדָתִי;    אֱלֹהַי, אֶבְטַח-בּוֹ.

Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw.

ג  כִּי הוּא יַצִּילְךָ, מִפַּח יָקוּשׁ;    מִדֶּבֶר הַוּוֹת.

Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers, van de verderfelijke pest.

ד  בְּאֶבְרָתוֹ, יָסֶךְ לָךְ--וְתַחַת-כְּנָפָיו תֶּחְסֶה;    צִנָּה וְסֹחֵרָה אֲמִתּוֹ.

Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht; zijn trouw is schild en pantser.

ה  לֹא-תִירָא, מִפַּחַד לָיְלָה;    מֵחֵץ, יָעוּף יוֹמָם.

Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht, voor de pijl, die des daags vliegt;

ו  מִדֶּבֶר, בָּאֹפֶל יַהֲלֹךְ;    מִקֶּטֶב, יָשׁוּד צָהֳרָיִם.

voor de pest, die in het duister rondwaart, voor het verderf, dat op de middag vernielt.

ז  יִפֹּל מִצִּדְּךָ, אֶלֶף--וּרְבָבָה מִימִינֶךָ:    אֵלֶיךָ, לֹא יִגָּשׁ.

Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken;

ח  רַק, בְּעֵינֶיךָ תַבִּיט;    וְשִׁלֻּמַת רְשָׁעִים תִּרְאֶה.

slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien.

ט  כִּי-אַתָּה יְהוָה מַחְסִי;    עֶלְיוֹן,

שַׂמְתָּ מְעוֹנֶךָ.

Want Gij, o HERE, zijt mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld;

י  לֹא-תְאֻנֶּה אֵלֶיךָ רָעָה;    וְנֶגַע, לֹא-יִקְרַב בְּאָהֳלֶךָ.

10 geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen;

יא  כִּי מַלְאָכָיו, יְצַוֶּה-לָּךְ;    לִשְׁמָרְךָ, בְּכָל-דְּרָכֶיךָ.

11 want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen;

יב  עַל-כַּפַּיִם יִשָּׂאוּנְךָ:    פֶּן-תִּגֹּף בָּאֶבֶן רַגְלֶךָ.

12 op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.

יג  עַל-שַׁחַל וָפֶתֶן, תִּדְרֹךְ;    תִּרְמֹס כְּפִיר וְתַנִּין.

13 Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en slang zult gij vertrappen.

יד  כִּי בִי חָשַׁק, וַאֲפַלְּטֵהוּ;    אֲשַׂגְּבֵהוּ, כִּי-יָדַע שְׁמִי.

14 Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem beschutten, omdat hij mijn naam kent.

טו  יִקְרָאֵנִי, וְאֶעֱנֵהוּ--עִמּוֹ-אָנֹכִי בְצָרָה;    אֲחַלְּצֵהוּ, וַאֲכַבְּדֵהוּ.

15 Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen.

טז  אֹרֶךְ יָמִים, אַשְׂבִּיעֵהוּ;    וְאַרְאֵהוּ, בִּישׁוּעָתִי.

16 Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen, en Ik zal hem mijn heil doen zien.

 

NBV

KJV

1 Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,

1 He that dwelleth in the secret place of the most High shall abide under the shadow of the Almighty.

2 Ik zeg tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u vertrouw ik.’

2 I will say of the LORD, He is my refuge and my fortress: my God; in him will I trust.

3 Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke pest,

3 Surely he shall deliver thee from the snare of the fowler, and from the noisome pestilence.

4 hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht, zijn trouw is een veilig schild.

4 He shall cover thee with his feathers, and under his wings shalt thou trust: his truth shall be thy shield and buckler.

5 De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen, ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,

5 Thou shalt not be afraid for the terror by night; nor for the arrow that flieth by day;

6 noch de pest die rondwaart in het donker, noch de plaag die toeslaat midden op de dag.

6 Nor for the pestilence that walketh in darkness; nor for the destruction that wasteth at noonday.

7 Al vallen er duizend aan je linkerzijde en tienduizend aan je rechterhand, jou zal niets overkomen.

7 A thousand shall fall at thy side, and ten thousand at thy right hand; but it shall not come nigh thee.

8 Open je ogen en zie hoe wie kwaad doen worden gestraft.

8 Only with thine eyes shalt thou behold and see the reward of the wicked.

9 U bent mijn toevlucht, HEER. Als je mag wonen bij de Allerhoogste,

9 Because thou hast made the LORD, which is my refuge, even the most High, thy habitation;

10 zal het kwaad je niet bereiken, geen plaag je tent ooit treffen.

10 There shall no evil befall thee, neither shall any plague come nigh thy dwelling.

11 Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat.

11 For he shall give his angels charge over thee, to keep thee in all thy ways.

12 Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen.

12 They shall bear thee up in their hands, lest thou dash thy foot against a stone.

13 Leeuw en adder zul je vertrappen, roofdier en slang vermorzelen.

 13 Thou shalt tread upon the lion and adder: the young lion and the dragon shalt thou trample under feet.

14 ‘Ik zal bevrijden wie mij liefheeft

en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is.

14 Because he hath set his love upon me, therefore will I deliver him: I will set him on high, because he hath known my name.

15 Roep je mij aan, ik geef antwoord, in de nood zal ik bij je zijn, je bevrijden en met roem overladen,

15 He shall call upon me, and I will answer him: I will be with him in trouble; I will deliver him, and honour him.

16 je overvloed geven van dagen. Ik zal je redding zijn.’

16 With long life will I satisfy him, and shew him my salvation.

 

Mijn ontdekkingsvragen

 

Als ik psalm 91 lees, komen de volgende vragen in me op:

 

1.       Wie heeft deze psalm geschreven?

2.       Hoe zou de psalm vroeger gezongen zijn (melodie, uitvoering)?

3.       Hoe werd deze psalm in de tempelliturgie gebruikt (welke gelegenheid)?

4.       Is de schrijver dezelfde als de ik-persoon (vers 2 en 9a)?

5.       In welke tijd is de psalm geschreven?

6.       Wat is de reden waarom deze psalm geschreven is (heftige omstandigheden)?

7.       Kun je alle beloften in de psalm op je eigen leven toepassen?

8.       Past deze psalm bij de psalmen er omheen, en zo ja, hoe?

9.       Zit er sowieso structuur in het boek van de psalmen?

10.   Hoe is de psalm gecomponeerd? Is er een structuur aanwezig?

11.   Kun je zien dat het poëzie is?

12.   Wordt deze psalm ook op andere plaatsen in de Bijbel aangehaald?

13.   Wat betekent ‘schuilplaats van de Allerhoogste’?

14.   Wat betekent ‘schaduw van de Almachtige’?

15.   Waarom wordt er niet gewoon over ‘God’ gesproken?

16.   Wat betekenen de namen van God in deze psalm (Heere, God)?

17.   Wat wordt bedoeld met ‘strik van de vogelvanger’?

18.   Wat wordt bedoeld met ‘verderfelijke pestilentie’?

19.   Wat is een ‘rondas’

20.   Wat is een ‘beukelaar’?

21.   Waarom wordt God vergeleken met eigenschappen van een vogel?

22.   Wat is ‘schrik des nachts’?

23.   Wat wordt bedoeld met de ‘pijl overdags’?

24.   Is de psalm geschreven in oorlogstijd?

25.   Wat wordt bedoeld met het ‘verderf wat op de middag verwoest’?

26.   Grote aantallen doden. Hoezo?

27.   Je zit er middenin, maar het zal je niet raken. Hoe kan dat?

28.   Welke goddelozen?

29.   Is er sprake van een gericht?

30.   Komen de engelen echt op aarde, of is dit beeldspraak?

31.   Lopen op gevaarlijke dieren, waar is dat goed voor?

32.   Hebben gelovigen bovennatuurlijke krachten?

33.   Gaat het er in vers 14 echt om dat God iets doet als reactie (voor wat hoort wat)?

34.   Leef je langer als je op God vertrouwt?

35.   Wat is ‘heil’?

36.   Welke vrijheid heb je bij het vertalen van deze psalm?

 

Structuur en grammatica

 

Psalm 91 (SV)

1 (hij) Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, (hij) die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.

2 Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op  Welken ik vertrouw!

3 Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.

4 Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.

5 Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des  daags vliegt;

6 Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.

7 Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand;  tot u zal het niet genaken.

8 Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding  der goddelozen zien.

9 Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld  tot uw Vertrek;

10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.

11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.

12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

13 Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen  leeuw en den draak vertreden.

14 Omdat hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.

15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik  bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.

16 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.

 

Hoofdstructuur

Door te letten op wie er aan het woord is en tot / over wie er gesproken wordt, ontstaat de volgende opbouw.

 

Vers

wie spreekt (door de schrijver)?

 

over / tot wie wordt gesproken?        

1

Geest

(hij) die

over de ‘gelovige’

2

schrijver ,  de ‘gelovige’

ik / mijn

tot de HEERE (voornemen)

3-8

Geest

gij / u(w)

tot de ‘gelovige’

9a

schrijver ,  de ‘gelovige’

mijn

tot de HEERE (daad)

9b-13

Geest

gij / u(w)

tot de ‘gelovige’

14-16

God (Elohim)

hij / hem

over de ‘gelovige’

 

Deze indeling deelt de psalm in vier stukken, met een herhaling in de twee middelste delen.

Zo ontstaat in het groot een A.B.B.C-structuur, met in de B-delen een a.b-structuur.

 

 

Vers

 

wie spreekt (door de schrijver)?

over / tot wie wordt gesproken?        

Deel 1

1

A

Geest

over de ‘gelovige’

 

Deel 2

2

B

schrijver ,  de ‘gelovige’

a

tot de HEERE (voornemen)

3-8

Geest

b

tot de ‘gelovige’

 

Deel 3

9a

B

schrijver ,  de ‘gelovige’

a

tot de HEERE (daad)

9b-13

Geest

b

tot de ‘gelovige’

 

Deel 4

14-16

C

God (Elohim)

over de ‘gelovige’

 

Door te letten op de voegwoorden wordt er in de psalm ook een oorzaak-gevolg-patroon zichtbaar. Als ‘want’ gebruikt wordt, staat ervóór het gevolg vermeld en erná de oorzaak (de reden voor het gevolg). Als ‘omdat’ gebruikt wordt, staat ervóór de oorzaak, en erná het gevolg (een reactie op de oorzaak).

 

 

Bij reeks 1 moet je eigenlijk achteruit lezen: De ‘gelovige’ trekt conclusies uit Gods daden.

Bij reeks 2 moet je vooruit lezen: God trekt conclusies uit het vertrouwen van de ‘gelovige’.

 

Literaire stijlfiguren

 

1 (hij) Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, (hij) die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.

2 Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op  Welken ik vertrouw!

3 Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.

4 Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.

5 Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des  daags vliegt;

6 Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.

7 Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand;  tot u zal het niet genaken.

8 Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding  der goddelozen zien.

9 Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld  tot uw Vertrek;

10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.

11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.

12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

13 Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen  leeuw en den draak vertreden.

14 Omdat hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.

15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.

16 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.

 

Vers 7-8 tegenover de andere verzen: een enorme tegenstelling tussen het lot van de goddelozen en de ‘gelovigen’.

Vers 4: beeldspraak

Vers 3-4: herhaling

Vers 2-13: nadruk door proportie: Gods daden zijn overweldigend.

Vers 7: hyperbool (?)

Vers 8: tegenstelling

Vers 10: (synoniem?) parallellisme

Vers 11-12: herhaling (zij….)

Vers 13: parallellisme en chiasme

Vers 14: chiasme

Vers 14-16: parallellisme (Ik-zal)

Vers 14-15: herhaling (hij….)

 

Grondtekst en letterlijke vertaling van psalm 91

7-Structuur: 2 x 56 (=8x7) woorden; 35 (= 5x7) lijnstukken; 7 strofen (menorah-patroon)

Maar liefst 8 verzen hebben 7 woorden (2,3,5,9,11,12,13,15); 7x Ik-zal in vers 14-16.

Het centrale lijnstuk is vers 8b. Ervoor zijn 17 lijnstukken, erna ook; samen 35 lijnstukken.

 

 

Uitlegvragen stellen

 

Opstellen van uitlegvragen

Ik neem voor me de lijst met mijn ontdekkingsvragen. De volgende vragen neem ik mee als uitlegvragen:

 

  1. Wie heeft deze psalm geschreven?
  2. Wordt deze psalm ook op andere plaatsen in de Bijbel aangehaald?
  3. Is de schrijver dezelfde als de ik-persoon (vers 2 en 9a)?
  4. In welke tijd is de psalm geschreven?
  5. Wat is de reden waarom deze psalm geschreven is (heftige omstandigheden)?
  6. Kun je alle beloften in de psalm op je eigen leven toepassen?
  7. Past deze psalm bij de psalmen er omheen, en zo ja, hoe?

 

Selectie uitlegvragen

Ik kies voor de volgende drie uitlegvragen:

 

  1.  Wie heeft de psalm geschreven en onder welke omstandigheden?
  2.   (Hoe) wordt deze psalm op andere plaatsen in de Bijbel gebruikt?
  3.  Kan ik al die beloften in deze psalm letterlijk op mezelf toepassen?

 

Motivatie van deze keuze

Als ik te weten kan komen wie de psalm geschreven heeft, heb ik gelijk een goede context (tijd, misschien ook omstandigheden) te pakken waarin ik andere vragen kan oplossen, zoals die over het toepassen van de beloften uit deze psalm op mezelf.

Er staat boven de psalm niet vermeld wie de dichter is, dus ik ga kijken of er andere bijbelsplaatsen zijn waar de psalm gebruikt wordt. Misschien kan ik er zo achter komen.

 

Zoeken naar antwoorden

 

Bijbelcitaten psalm 91

Twee keer in de Bijbel wordt Psalm 91 aangehaald: in Mt.4:6 / Luk.4:10 en in Luk.10:19.

De passage uit Mt.4:6 / Luk.4:10 brengt me op een idee over wie de schrijver van de psalm zou kunnen zijn.

 

De verzoeking van Jezus in de woestijn

In de passages uit Mt.4 en Luk.4 wordt de verzoeking van Jezus in de woestijn beschreven. De duivel probeert Jezus te verleiden tot het doen van zonde, maar Jezus weerstaat deze verzoeking. De verzoeking lijkt op een soort krachtmeting in bijbelkennis. Zowel Jezus als de duivel citeren namelijk passages uit de Bijbel. Hoewel de beschreven volgorde van de citaten in Mt.4 en Luk.4 niet helemaal overeenstemt, wordt wel duidelijk dat Jezus steeds Zijn antwoorden haalt uit de Thora. Hij citeert Dt.6:13, 6:16 en 8:3. Jezus weerstaat de duivel dus met citaten van ‘Mozes’. Opvallend is dat de duivel ook 1 keer een bijbelcitaat gebruikt en wel vers 11 en 12 uit Psalm 91. Nu zou het zo kunnen zijn dat de duivel een willekeurig citaat kiest, maar het is ook goed mogelijk dat ook hij kiest voor een citaat van Mozes, die ook de bron van inspiratie is van Jezus’ antwoorden.

Conclusie: Mozes komt dus in aanmerking als mogelijke schrijver van psalm 91.

 

Mozes de schrijver?

Als ik blader door diverse bijbelcommentaren, lees ik dat men de dichter van de psalm zoekt onder één van de Levieten in de tempel. Sommige commentaren zeggen dat de psalm geschreven is omstreeks de 7e eeuw voor Christus. De optie Mozes wordt wel een keer genoemd vanwege het feit dat er in de psalm over allerlei plagen gesproken wordt.

 

Omdat de gedachte dat Mozes de schrijver zou kunnen zijn me wel intrigeert, besluit ik dit spoor wat verder uit te diepen.

 

Liederen van Mozes

Van psalm 90, die pal voor deze psalm staat, is wel bekend dat die door Mozes geschreven is. In Ex.15 en Dt.32 lezen we nog twee keer over een lied wat door Mozes gemaakt is. Die twee liederen vinden we niet letterlijk terug in het boek van de Psalmen.

Al zoekend op het internet (http://www.labuschagne.nl/) kom ik terecht op de website van Dr. C.J. Labuschagne, die een boek heeft geschreven over de numerieke structuren in de Psalmen.

Als ik me door zijn toelichting op psalm 90 en 91 heb geworsteld, zijn me een aantal dingen helder geworden: psalm 91 zou heel goed door Mozes geschreven kunnen zijn, want de hoofdstructuur vertoont grote overeenkomst met de structuur van psalm 90. [eveneens twee gelijke helften en de centrale verslijn in het midden]. Als het waar zou zijn dat psalm 91 van de hand van Mozes is, betekent dit dat psalm 91 samen met psalm 90 tot de twee oudste psalmen behoort (men gaat er vanuit dat psalm 90 de oudste psalm is die we kennen).

Het feit dat deze twee oudste psalmen niet aan het begin van het boek van de Psalmen staan, brengt me bij mijn derde ontdekking en tevens een uitlegvraag die had genoteerd: is er een bepaalde opbouw in het boek van de psalmen aanwezig en zo ja, hoe dan?

 

Structuur in de Psalmen

In de meeste commentaren over de psalmen wordt gesproken over de koppeling tussen de psalmen en de vijf boeken van Mozes. Deze zienswijze is afkomstig uit de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach. Deze letters vormen het begin van de drie delen waaruit in de Joodse traditie het OT bestaat: T(ora)en(ebiiem)ach(etoebiem), resp. de Tora (de Wet of de vijf Boeken van Mozes); de Nebiiem (de Profeten); de Chetoebiem (de Geschriften). De Psalmen (Tehillim, lofliederen), maken deel uit van de Chetoebim.

Een bekende tekst waar Jezus deze drie delen van de Tenach koppelt (de eenheid benadrukt) is Luk.24:44. Ook in de synagoge koppelt men het lezen van een deel van de Torah vaak aan het zingen van de Psalmen. Op deze wijze wordt de 'stem van God' (het Woord) met de 'tegenstem' van de mens (de Psalmen) verbonden.

 

Een aanwijzing dat de Psalmen niet lukraak in een boek verzameld zijn, maar dat een redactionele hand over de verzameling is gegaan is, blijkt uit de verdeling in vijf boeken:

 

Het eerste boek

Psalm 1 - 41

Het tweede boek

Psalm 42 - 72

Het derde boek

Psalm 73 - 89

Het vierde boek

Psalm 90 - 106

Het vijfde boek

Psalm 107 - 150

 

Deze boeken eindigen allemaal met ongeveer dezelfde lofprijzing, namelijk: ‘Geloofd zij de Heere, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen.’

Omdat het boek van de psalmen uit vijf delen, eigenlijk 5 boeken bestaat, kent de Hebreeuwse Bijbel dan ook geen 66, maar 70 boeken.

 

De verbinding tussen deze geschriften uit de Tenach gaat echter nog dieper. De vijf boeken van de psalmen worden van ouds ook verbonden met de inhoud van de vijf boeken van Mozes.

 

Het eerste boek

Psalm 1 - 41

Genesis

Het tweede boek

Psalm 42 - 72

Exodus

Het derde boek

Psalm 73 - 89

Leviticus

Het vierde boek

Psalm 90 - 106

Numeri

Het vijfde boek

Psalm 107 - 150

Deuteronomium

 

Meer info over de exacte verbanden is bijvoorbeeld te vinden in de Scofield Bijbelscursus of de Companion Bible.

 

Van belang voor mijn onderzoek naar psalm 91 is dat deze psalm in het gedeelte staat wat correspondeert met het boek Numeri.

 

Numeri als context

De link tussen psalm 90 en het boek Numeri is al snel gelegd. Dit beschrijft de geschiedenis van het volk Israël in de woestijn vanaf Sinaď tot aan de nadering van het land Kanaän vanuit het westen. Dit traject wordt beheerst door de tragiek van de 38 jaren. In Num.14 valt het besluit van God dat iedereen van het volk van 20 jaar en ouder in de woestijn zal sterven. Zelfs Mozes en Aäron hebben het Beloofde Land nooit betreden (Num.20:12).

Waarschijnlijk heeft Mozes psalm 90 in deze periode geschreven (1490 v.Chr.). Hij beschrijft de kortheid van het leven; hij schrijft over de toorn van God; hij vraagt de Heere om doorgang van het plan wat Hij met Israël in gang gezet heeft.

 

Woestijndecor

Als we de inhoud van psalm 91 op ons in laten werken, ontdekken we dat deze psalm eveneens goed in deze periode geschreven kan zijn. Bij het bespreken van de omstandigheden wordt soms beeldspraak gebruikt en soms worden letterlijke zaken genoemd. Dat maakt het een beetje lastig om snel een goed beeld te krijgen van de moeilijkheden die ‘de gelovige’ meemaakt.

In vers 3 en 4 hebben we te maken met beeldspraak. De ‘gelovige’ wordt vergeleken met een vogel die schuilt onder de ‘vleugels van God’. Daar is hij veilig voor ‘het net wat voor hem gespannen wordt’ (verleiding, situaties die de dood of straf van God tot gevolg hebben). Daar is hij veilig voor dodelijke ziekten, zoals de pest.

In vers 5-7 worden concrete gevaren en doodsoorzaken genoemd: gevaren van de nacht, pijlen van de vijand overdag, de pest die ’s nachts uitbreekt of ziekten die op klaarlichte dag uitbreken en veel slachtoffers maken. Dat zelfs de aantallen doden die in vers 7 genoemd worden letterlijk genomen kunnen worden, ontdekken we als we de volgende feiten uit het boek Numeri op ons in laten werken.

Bij het vertrek uit Egypte telt het volk Israël 600.000 mannen (Ex.12:37). Bij de telling die in Num.1-3 beschreven wordt telt het volk 603.550 mannen boven de 20 jaar, de Levieten niet meegerekend (dat waren er 22.000 van 1 maand en ouder). In Num.11:21 wordt nog gesproken van 600.000 mannen te voet. Op het moment dat de straf van de 38 jaren begint (Num.14:29) telt het volk dus ruim 600.000 mannen.

Al deze mannen en hun vrouwen van 20 jaar en ouder, zijn in de woestijn gestorven. Enkele keren gaat dat met grote aantallen – 10.000den – tegelijk (Num.16:49; 21:6; 25:9).

De doodsoorzaken waaraan al deze Israëlieten gestorven zijn, zijn oorlog, ziekten, strafmaatregelen van God bij opstand… Het zal duidelijk zijn dat de zaken die in psalm 91:3-7 genoemd worden hier naadloos bij aansluiten. Vers 8 maakt nog eens duidelijk dat het hier gaat om ‘de vergelding van de goddelozen’ (vgl. 1Kor.10:5 en 8).

Het wordt steeds aannemelijker dat Mozes deze psalm geschreven kan hebben.

 

De gelovige uit psalm 91

De overeenkomst tussen psalm 90 en 91 lijkt te zijn dat ze allebei in de zelfde periode geschreven zijn, die van de 38 jaren in de woestijn. Het grote verschil tussen beide psalmen is dat de ‘gelovige’ van psalm 91 wel allerlei gevaren meemaakt, maar daarín door God bewaard wordt. Hierover spreekt de psalm, de ene keer in beeldspraak (poëzie!); de andere keer in letterlijke bewoordingen. Geen van de gevaren en plagen zal hen kunnen schaden (vers 3-4 en 10). Zelfs Gods engelen worden bij deze bescherming ingeschakeld. Vers 12-13 kunnen deels letterlijk (op de adder treden i.p.v. er door gedood te worden), deels figuurlijk gelezen worden (alle gevaren, hoe sterk en venijnig ook, trotseren).

 

Als we meegaan in de uitleg dat degenen die wél de in psalm 91 genoemde gevaren ondergaan met alle gevolgen van dien, de Israëlieten zijn die in de woestijn zijn gestorven, dan kunnen we ook gaan invullen wie de ‘gelovige’ is, die al deze gevaren en straf overleeft.


Optie 1

De eerste optie blijft de schrijver van deze psalm; waarschijnlijk dus Mozes. Zowel in vers 2 als in vers 9 spreekt Mozes zijn vertrouwen in God uit. Dat mag ons niet verbazen van een man die de bijnaam ‘de man Gods’ heeft (Deut.33:1; 34:3). Mozes heeft het Beloofde Land nooit betreden, maar om een andere reden dan de andere Israëlieten die in de woestijn zijn gestorven. Voor hen was het de straf op ongehoorzaamheid, opstand en het opzeggen van het vertrouwen in God. Mozes kon niet ingaan wegens een daad van ongehoorzaamheid, die hem als leider zwaar aangerekend werd. Mozes is tijdens de 38 jaren in de woestijn niet getroffen door allerlei ziekten en gevaren, maar hij is door God op een speciale manier van deze aarde weggenomen (Deut.34). De woorden uit psalm 91 drukken de persoonlijke beleving van Mozes uit, te midden van Gods oordeel over Zijn volk.

 

In Num.26 wordt de balans opgemaakt van de mannen die de straf van God overleefd hebben (Num.26:65). Er worden 601.730 mannen geteld en 23.000 mannelijke Levieten; samen 624.730 mannen. Al deze mannen zijn 57 jaar of jonger. Van alle mannen die in Num.14 20 jaar en ouder waren, leven alleen Jozua, Kaleb en Mozes nog. Mozes overleeft dus de straf, hoewel hij op dat moment al weet dat hij niet zal ingaan in het Beloofde Land.

 

Andere opties

In psalm 91 wordt niet alleen beschreven hoe het ‘de gelovige’ vergaat te midden van alle ellende ten gevolge van Gods oordeel; er wordt ook een vooruitblik gegeven: vers 16.

Mozes ondergaat niet de straf die het volk ondergaat, maar hij mag ook het land niet binnengaan. De nieuwe generatie Israëlieten en Jozua en Kaleb mogen dat echter wel. Zij bereiken het doel waarnaar door iedere Israëliet werd uitgekeken: het Beloofde Land. ‘Heil’ is voor de Israëliet niet in de eerste plaats ‘behoudenis’, maar het leven in het Beloofde Land, in harmonie met God (Ps.85:9).

Hieruit vloeien de volgende twee opties voort.

 

Optie 2

De ‘gelovige’ staat model voor alle Israëlieten die wel het Beloofde Land mogen binnengaan. č niet vanwege verdienste.

 

Optie 3

De ‘gelovige’ staat model voor Jozua en Kaleb, die als enige ‘ouden’ het Beloofde Land mogen binnengaan (Num.14:30; 26:65). č vanwege geloof.

 

Omdat de ‘gelovige’ uit psalm 91 naar voren komt als iemand die op God vertrouwt en die ook dáárom door God bewaard wordt, lijkt mij optie 2 de beste. Alle anderen van het volk Israël die het land wel mogen binnengaan, hebben dat niet allereerst te danken aan hun vertrouwen, maar aan een leeftijdsscheiding die God in Num.14 aanbrengt. Van Jozua en Kaleb wordt daar echter duidelijk dat zij wél op God vertrouwen, terwijl anderen God het vertrouwen opzeggen (Num.32:12).

 

Accent vanuit de compositie

Als we de grondtekst van psalm 91 erbij nemen, zien we dat vers 8b de centrale verslijn van de psalm vormt: ‘…en gij zult de vergelding van de goddelozen zien.’ Het is treffend dat we zowel vanuit de compositie als vanaf de kant van de betekenis bij dezelfde kern uitkomen: de ‘gelovige’ uit psalm 91 ziet om zich heen de vergelding van de goddeloze, maar hijzelf wordt daarin bewaard.


 

Christus in de psalmen (typologie)

In Johannes 5:39 stelt Jezus dat de Schriften van Hem getuigen. Het is niet duidelijk of Jezus hier specifiek de Chetoebim (waarin ook de psalmen begrepen worden) bedoelt, of dat hij doelt op het Oude Testament in het algemeen. Over het algemeen wordt wel gezegd dat je overal in de Bijbel Christus terug kunt vinden, zij het niet letterlijk, dan wel typologisch.

Als er één boek in de Bijbel is waar dit wel heel duidelijk wordt, is dit wel in het boek van de Psalmen (Luk.24:44). Denk aan prachtige typologieën in psalm 22, 40, 72.

 

Is dit ook het geval in psalm 91? Ik zie wel aanwijzingen om als vierde optie voor de ‘gelovige’ de naam van Jezus in te vullen. Jozua, de belichaming van deel van Israël waarin God wel een welbehagen heeft, wordt na de dood van Mozes diens opvolger. Hij is de man in wie de Geest is (Num.27:18).

 

Optie 4

Jezus Christus is typologisch gezien de ‘gelovige’ van psalm 91. Hij is de Jozua (Jozua en Jezus betekenen het zelfde) die na Mozes (de wet) komt en het volk binnenleidt in het land. Als we deze lijn doortrekken komen we onder andere uit in Gal.3:23-24, waar staat dat de wet ‘onze tuchtmeester is geweest tot op Christus’ (zie ook Hebr.3:5).

Als we terug keren naar de start van deze reis door de Bijbel, zijn we weer in de woestijn, waar Jezus verzocht werd door de duivel. Hij werd aangevallen en getest door DE slang, maar hij beleef trouw aan Zijn Vader en doorstond de verzoeking. Hij zou de kop van DE slang vermorzelen. ‘En de engelen dienden Hem’ (Mt.4:11).

 

WAUW!

 

Conclusies integreren

 

De uitlegvragen

Dit waren mijn uitlegvragen:

 

  1. Wie heeft deze psalm geschreven?
  2. Wordt deze psalm ook op andere plaatsen in de Bijbel aangehaald?
  3. Is de schrijver dezelfde als de ik-persoon (vers 2 en 9a)?
  4. In welke tijd is de psalm geschreven?
  5. Wat is de reden waarom deze psalm geschreven is (heftige omstandigheden)?
  6. Kun je alle beloften in de psalm op je eigen leven toepassen?
  7. Past deze psalm bij de psalmen er omheen, en zo ja, hoe?

 

En dit waren de vragen die ik geselecteerd heb en waar ik in eerste instantie mee aan de slag ben gegaan.

 

  1. Wie heeft de psalm geschreven en onder welke omstandigheden?
  2. (Hoe) wordt deze psalm op andere plaatsen in de Bijbel gebruikt?
  3. Kan ik al die beloften in deze psalm letterlijk op mezelf toepassen?

 

Mijn conclusies

Ik denk dat psalm 91 geschreven is door Mozes.

 

  1. Psalm 90 en 91 bevinden zich beide in dat deel van de Psalmen (boek 4) wat vanouds gekoppeld wordt aan het boek Numeri.

De psalm heeft zo, samen met psalm 90, betrekking op laatste 38 jaren van de woestijnreis, waarin het volk Israël door God gestraft wordt: alle mensen van 20 jaar en ouder sterven. Alleen Mozes, Jozua en Kaleb overleven dit oordeel. Mozes is in dit geval de ik-persoon, de ‘gelovige’ uit de psalm.

  1. De structuur van psalm 91 komt op belangrijke punten overeen met die van psalm 90, wat het dichterschap van Mozes aannemelijk maakt. Ook de passage over de verzoeking van Jezus in de woestijn geeft aanleiding om Mozes als dichter te zien.
  2. Psalm 91 geeft een vooruitblik naar de toekomst. Achteraf beschouwd schrijft Mozes niet over alleen over zichzelf, maar ook over zijn opvolger Jozua, die (samen met Kaleb) wel het Beloofde Land mag binnengaan.
  3. Typologisch gezien is Jezus de ‘gelovige’ van deze psalm. Hij is de ‘Jozua’ die na Mozes (de wet) komt en het volk binnenleidt in het land (de zaligheid brengt).
  4. Omdat deze psalm in een historisch kader te plaatsen is, zullen we er bij het toepassen op moeten letten wat we letterlijk of figuurlijk op onszelf mogen toepassen.

 

Toepassingen en principes

 

De volgende toepassingen / principes leid ik af uit psalm 91:

 

De gelovige en het gericht van God

Vanuit de (getal)structuur werd duidelijk dat vers 8b de centrale verslijn is: ‘…en de vergelding van de goddelozen zien.’ Het ‘zien’, het aanschouwen impliceert vanuit psalm 91 ook het ‘overleven’ van die vergelding.

Principe č Gods toorn gaat over de goddelozen; de gelovige echter zal in Gods gericht niet omkomen, maar blijven.

Vgl. Ps.97:10; Joh.3:36; Rom.1:18; 1Thess.1:10.

 

Een onverbrekelijke band

Ook gelovigen krijgen te maken met oordelen, rampen en ellende, maar het zal hen niet kunnen scheiden van God.

Principe č Als ik op God vertrouw, zal dat niet tevergeefs zijn.

Vgl. Ps.34:7; 103:17-18; Rom.8:31-39; 1Kor.10:13; 2Thess.3:2-3.

 

Gods trouw en onze trouw

Door te letten op de voegwoorden in de psalm ontstaat er een oorzaak-gevolg-patroon. Twee dingen kun je daaruit afleiden:

·         De gelovige vertrouwt op God en put de kracht daarvoor uit Gods daden. God reageert echter ook ‘positief’ (met daden) op het vertrouwen van de gelovige in Hem. Er is dus sprake van een wisselwerking tussen de trouw van God en het vertrouwen van de gelovige.

·         In deze wisselwerking overtreft Gods trouw ons vertrouwen. Dit zien we als we de drie redenen die God signaleert bij de gelovige (vers 14-15) vergelijken met het zevenvoudig Ik-zal van God zelf (vers 14-16).

 

Principe č Ik leer op God te vertrouwen door naar Zijn daden te kijken.

Vgl. Joz.24:13-14; Ps.78:4-7, 11.

 

De naam ‘God’ (Elohim), die in vers 2 genoemd wordt, betekent ook letterlijk ‘de Betrouwbare, de Sterke’. Gods Naam correspondeert met Zijn daden.

Principe č Gods trouw is vele malen groter dan mijn trouw.

Vgl. Klaagl.3:22; 2Tim.2:13.

 

Schuilen bij God

God, de Allerhoogste, bemoeit zich met schepselen. Onze God is een God die geeft; en niet zoals alle afgoden, die nemen.

In vers 1 wordt God ‘El Shaddai’ genoemd, de Almachtige. Shaddai betekent letterlijk: ‘hij die borsten heeft’. Deze naam benadrukt het feit dat God een gevende God is. Een kind wat aan de moederborst drinkt, ontvangt voedsel, maar tegelijk ook geborgenheid. Geen wonder dat de dichter twee keer (vers 2 en 9) God zijn ‘Toevlucht’ noemt.

Principe č God is een gevende God, bij wie ik kan schuilen.

Vgl. Ps.61:4; 84:11-12.

 

Doelen concretiseren

 

Persoonlijke lessen

Concrete acties die ik afleid uit de principes die ik gevonden heb, zijn:

 

·         Als ik in Jezus geloof (een gelovige ben), hoef ik nooit meer bang te zijn voor Gods gerichten. ‘Dank U Heere, dat ik voor altijd bij U mag zijn.’

 

·         Ik wil nog meer proberen om de ongelovige medemensen die ik ken te vertellen wat ze missen als ze God niet kennen als Schuilplaats. ‘Heere, laat me zien hoe ik dat aan kan pakken.’

 

·         Wat er ook met me gebeurt, ik hoef niet bang te zijn. God houdt me vast. Hij weet ook het beste wat een goede weg voor mij is. ‘Heere, help me om in moeilijke tijden te zien op Uw pad en Uw plan.’

 

·         Als ik weer eens twijfel aan God en de zekerheid van mijn behoud, ga ik in de Bijbel lezen. Ik ga opnieuw nadenken over wie God is. En ik geloof dat dit helpt! Ik zal dat ook vaker tegen anderen zeggen, want van twijfel wordt niemand gelukkig.

 

·         Als God wil dat ik op Hem (op Jezus) ga lijken, dan betekent dit dat ik trouw moet zijn. Zo trouw als Hem kan ik niet worden, maar wel trouwer als ik nu ben. ‘Heere, ik wil graag dat mensen door mij heen U ontdekken.’

 

·         Ik wil de Heere veel meer gaan prijzen en danken voor Wie Hij is. Ik stop mijn gebeden zo makkelijke vol met allerlei vragen, maar ik wil leren om meer te danken; tegen hem zelf te zeggen wat ik van Hem vind.

 

Afspraken met mezelf

Algemene afspraken t.a.v. vertrouwen, omgaan met angst en twijfel vastheid zoeken in de Bjbel, trouw zijn – lijken op Jezus.

 

Specifieke afspraken (in mijn agenda):

·         Ik zal volgende week xxxxxxx weer eens bellen. Ik merkte pas dat hij twijfelt aan het feit dat hij een kind van God is. Misschien kan ik hem goede raad geven.

 

·         Ik wil dit jaar een keer meedoen met een evangelisatie-actie. Ik zal xxxxxx dinsdagavond even bellen. Zij heeft daar vast meer informatie over.

 

·         Ik ga de komende maand al mijn gebeden beginnen met het uitspreken van een paar dingen waarvoor ik de Heere wil danken. Ik ga ook proberen te zeggen wat ik voor Hem voel.

 

Ik ga deze voornemens ook delen met Colinda. Dan kan ze mij erbij helpen.

 

Evaluatiemoment

Op 29 november lees ik psalm 91 nog eens door + deze bladzijde en dan wil ik zien wat er van mijn voornemens terecht gekomen is.

Even in mijn agenda schrijven.