|
Liefde met het oog op de wederkomst Bijbelstudie 4 over de brieven aan Thessalonica |
|
|
|
Index Opbouw van het tekstgedeelte Uitwerking
van de kernbegrippen Het doel van een christenleven Een compliment voor de broederliefde Gesprekspunten
Opbouw van het tekstgedeelte – 1Thess.3:12-4:12 Om goed te kunnen begrijpen waar Paulus het precies over
heeft, schrijf ik een dergelijk gedeelte altijd een aantal keren over, om
zodoende allereerst de opbouw van het gedeelte (structuur) helder te krijgen
– als het ware aan te gaan voelen. Dat kost tijd, maar het is altijd de
moeite waard. Het product hiervan is deze
visualisatie. In de visualisatie probeer ik de hoofdzinnen te
benadrukken door ze zo veel mogelijk links te laten beginnen en ze te
verbinden met pijlen. Alle andere zinnen zijn uitweidingen, voorbeelden.
Kenmerkend voor deze twee brieven zijn de verwijzingen van Paulus naar zijn
eigen onderwijs en voorbeeld van destijds (…zoals…). Veel voorkomende stijlfiguren zijn de oorzaak-gevolg
relaties in de volgorde O-G (…opdat…) en G-O (…want…). Verder gebruikt Paulus
ook vergelijkingen (…maar…). Om helder te krijgen wat Paulus met sommige woorden
precies bedoelt, heb ik wat grondwoorden opgezocht (met het programma ISA).
Hieronder vind je de betekenis ervan. Ik ga uit van de Telos-vertaling. 1/3:12 Toenemen pleonazo sterker worden, vermeerderen,
groeien (proces) Overvloedig
worden perisseuo de maat te boven gaan, rijk
voorzien van (toestand) Liefde agapeo = hoogste vorm van liefde,
(zich) gevende liefde 3:13 Versterken sterizo vaststaan Onberispelijk amemptos niet te berispen, zonder fout
(zie ook 5:23) Heiligheid hagiosune = staat, toestand Toekomst parousia aanwezigheid (zie ook 5:23) 4:1 Vragen erota verzoeken, nodigen Vermanen parakleo vermanen, vertroosten Wandelen peripateo gedragen Behagen aresko ter wille zijn Toenemen perisseuo 4:2 Bevelen paggello opdracht, bevel 4:3 Heiliging hagiosmos = proces Hoererij porneia = alle ongeoorloofde
seksuele handelingen 4:4 Vat skeuos gereedschap, werktuig,
instrument Heiliging hagiosmos Eerbaarheid time waardig, eervol 4:5 Begerig pathos lust, passie Hartstocht epithumia verlangens 4:6 Onrecht huperballo te boven gaan, overweldigen Bedriegt pleonekteo zichzelf bevoordelen Ernstig
betuigd hebben diamarturomai met nadruk gezegd, gewaarschuwd 4:7 Onreinheid akatharsia onzuiver, onrein Heiliging hagiosmos 4:8 Veracht atheto verwerpen, terzijde
stellen, buiten werking stellen 4:9 Broederliefde philadelphia = relationele liefde, wederzijds Lief
te hebben agapeo 4:10 Vermanen parakleo Overvloediger perisseuo 4:11 Bevolen paggello 4:12 Betamelijk euschemonos behoorlijk, eerbaar Wandelt peripateo Nodig
hebt chreia ondersteuning,
voorziening Uitwerking
van de kernbegrippen De hoofdlijnen van dit gedeelte worden gevormd door de
begrippen ‘toenemen en overvloedig worden’ en ‘liefde’ (3:12). Beiden worden
ze in hoofdstuk 4 uitgewerkt. Drie keer in dit gedeelte wordt gesproken over toenemen /
overvloedig worden. Er is al veel om voor te danken (4:9-10; zie ook
hoofdstuk 1 van de eerste brief), maar Paulus verlangt dat alles wat er al is
zal blijven groeien. Waar leven is, daar is ook groei, beweging. De reden
hiervan is niet ontmoedigingsbeleid (het is nooit genoeg, altijd de lat maar
hoger leggen), maar het feit dat Jezus het waard is om tot het uiterste te
gaan (2/1:10). Paulus gebruikt in 3:12 twee verschillende woorden:
‘pleonazo’ (sterker worden, groeien – een proces) en ‘perisseuo’ (de maat te
boven gaan, rijk voorzien zijn van – een toestand). In 4:1 en 10 wordt het
woord ‘perisseuo’ gebruikt. Het is al heel wat als we ergens in groeien, maar
het is de bedoeling dat we ergens overvloedig in worden: in liefde, in het
behagen van God, in de broederliefde. Paulus vat alle groei die er plaats vindt in het leven van
een christen, samen onder de noemer van liefde; groeien in liefde. In
hoofdstuk 4 werkt hij dit uit richting concrete leefthema’s. In een tijd
waarin er op zoveel verschillende manieren over liefde gedacht en gesproken
wordt, lijkt dit een wat algemeen begrip, maar dat is het absoluut niet.
Liefde is juist een heel kwetsbaar criterium. Surrogaat valt door de mand.
Echte liefde kan ook nooit vervangen of afgekocht worden door andere ‘goede
daden’. Echte liefde, (zichzelf) gevende liefde, liefde die puur op de ander
gericht is, is schaarser dan vaak gedacht wordt. En daarom is het groeien in
liefde ook een goed synoniem voor het toegroeien naar de ontmoeting met de
Heere Jezus. De Grieken in Paulus’ tijd
kenden voornamelijk de eros-liefde, de liefde die reageert. Er moest volgens hen altijd iets zijn in de ander
waarom ik hem of haar kan liefhebben. De eros-liefde werd ook verbonden met
de seksualiteit, op het gevaar af dat het bij de beleving van seksualiteit
ging draaien om het bevredigen van je eigen lusten. De Bijbel plaatst hier twee
begrippen naast en zelfs tegenover: philos en agape. De philos-liefde is de
vriendschappelijke liefde, kameraadschap, ongeacht geslacht. De agape-liefde is gevende
liefde, liefde die er ook kan zijn als het niet beantwoordt wordt. In de Bijbel is plaats voor
seksualiteit; niet voor de eros-liefde als leidraad voor ons omgaan met
anderen. Het beleven van seksualiteit is een scheppingsgegeven. Jammer genoeg
is dit door de zonde enorm verwrongen. We zijn geboren met aanleg
voor seksualiteit en vriendschap. De agape-liefde zit sinds de zondeval
echter niet meer ‘in het standaardpakket’. Door wedergeboorte ontvang je de
agape-liefde weer terug (Rom.5:5). Vanuit deze Bron kan de liefde in ons
leven in balans en tot ontplooiing komen. In dit bijbelgedeelte zien
we egoïstische (op zichzelf gericht) liefde en gevende liefde (op de ander
gericht) tegenover elkaar staan. In 3:12 gaat het over agape en in 4:3-8 over
egoïstische liefde. Als het accent alleen op de
bevrediging van jouw behoeften (eros) ligt, dan kan dat de vriendschappelijke
liefde onder druk zetten. Daar is ook geen plaats voor agape-liefde.
Als de agape-liefde het
voor het zeggen heeft, dan heb je echter de hoofdvoorwaarde voor het groeien
van echte liefde, op alle vlakken van het leven. Het doel van een christenleven Het hoofddoel van een christenleven is volgens 3:13 het
straks onberispelijk voor God verschijnen in de parousia van de Heere Jezus
Christus. We kunnen dit het lange termijndoel noemen. In dit gedeelte worden echter ook korte termijndoelen
genoemd, doelen die al behaald kunnen worden in het leven hier op aarde: -
het behagen van God (4:1) -
een goed functionerend gezinsleven van God; goed
gemeenteleven (4:6-10), waarin de liefde voor elkaar groeit en bloeit. -
een goede indruk die je geeft aan ‘hen die buiten zijn’
(4:12). In het werken aan kleine doelen wordt zichtbaar of je
bezig bent met het grote doel: hoe je straks zult verschijnen voor je
Schepper. Het doel van een christenleven is volgens 3:13:
‘onberispelijk te zijn in heiligheid voor God de Vader bij de toekomst van
onze Heere Jezus Christus.’ Wat bedoelt Paulus hiermee? Met het woord
‘hagiosune’ wordt een staat of toestand aangegeven, een eindresultaat; geen
groeiproces. Het gaat er hier over in welke staat wij God zullen ontmoeten.
Het zal niemand verbazen dat Paulus in dit kader spreekt van ‘onberispelijk’,
zonder fout. Onze Schepper en Vader is al onze toewijding waard. Betrekken we
dit op het leven wat we nu nog leiden (let
wel: ik spreek tegen gelovigen),
dan kan ons de schrik om het hart slaan. ‘Ik leef niet onberispelijk, dus hoe
kan dit doel ooit in mijn leven gestalte krijgen?’ Het ‘onberispelijk zijn in
heiligheid’ is echter iets wat later vastgesteld zal worden. Voor het hier en
nu schrijft Paulus dat het toenemen en overvloedig worden in de liefde tot
gevolg zal hebben dat onze harten versterkt worden om dat eindstadium – Gods
norm – te behalen. 1Thess.5:23 geeft ons duidelijkheid over wat we ons bij
het ‘onberispelijk’ moeten voorstellen. Het gaat erom dat we op die dag
zonder fout zijn, een mens waarin geest, ziel en lichaam een eenheid vormen.
In 1Kor.2:15 * noemt Paulus deze mens een ‘geestelijke mens’; iemand waarin
de geest (door inwoning van De Geest) de leiding heeft over de ziel en het
lichaam. In 1Kor.3 wordt, net als in 1Thess.4, duidelijk dat het
belangrijkste doel van redding niet is dat we later naar de hemel mogen. Het
doel is dat ons leven tot eer van God zal zijn; dat we hem iets aan te bieden
hebben bij de ontmoeting met Hem; dat ons leven een sprekend getuigenis zal
zijn voor Hem hoe dankbaar we zijn voor dat wat Hij ons gegeven heeft. In 2Thess.1:10 lezen we dat alle inspanning (input) die
God als het ware terug krijgt van Zijn kinderen (heiliging), uitgekeerd zal
worden in eer en heerlijkheid van Jezus Christus. Hij komt om verheerlijkt te
worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in hen die hebben geloofd. In
eigen woorden gezegd: we hoeven niet te werken voor God om straks zelf een
lintje in ontvangst te kunnen nemen. Onze motivatie moet zijn dat we straks
zullen kunnen bijdragen aan de eer die onze Redder en Koning toekomt als de
volken voor Hem zullen verschijnen. * Contextueel gezien mogen we het onderwijs uit de brieven
aan Korinthe gebruiken om passages uit de brieven aan Thessalonica te
verduidelijken. Het zijn brieven uit de zelfde bedeling. We ontmoeten hier niet een God die straks slechts dingen
van ons verwacht en ons verder maar laat ‘aanmodderen’. Integendeel; Hij kan
en wil ons doen toenemen en overvloedig worden in de liefde en Hij kan en zal
ook ons hart versterken (doen vaststaan) om te worden zoals Hij wil dat we
worden. We zien de eisende God, maar ook de gevende God. In 4:7-8
lezen we dat God ons Zijn Geest gegeven heeft. Zijn Geest kan en wil het werk
in ons doen. Ook in 5:24 wordt dat duidelijk. We kunnen ons nergens
achter verschuilen als we niet naar Gods doel toegroeien. ‘Hij die u roept,
is getrouw. Hij zal het ook doen!’ Paulus wil graag het geloof van de gelovigen in
Thessalonica voltooien (3:10), met als doel wat hij schrijft in 3:12-13.
Omdat hij niet naar hen toe kan gaan (zie hoofdstuk 3), moeten ze het in
eerste instantie doen met ‘oude’ voorschriften. In het begin van hoofdstuk 4 maakt Paulus aan de gelovigen
van Thessalonica duidelijk hoe ze in de liefde kunnen wandelen en toenemen en
zich goed kunnen voorbereiden op de ontmoeting met Christus. Kort gezegd komt
het hier op neer: ‘Doe gewoon wat ik jullie gezegd heb.’ Paulus refereert aan
het onderwijs wat hij heeft gegeven in de korte tijd dat hij bij hen was en
brengt het wandelen en toenemen in liefde terug tot ‘het navolgen van
regeltjes en bevelen’ en dan ook nog zoals Paulus ze heeft doorgegeven.
Paulus, initiator van de eerste christelijke gemeenschappen, had de positie
om dit van deze mensen te verlangen. Ø Zie bijbelstudie 2. En daarbij heeft hij er ook nog een goede
reden voor om te verwijzen naar de bevelen die hij gegeven heeft: leven in de
liefde komt tot uiting in de kleine dingen van het leven. In feite is elke
zonde een vorm van anti-liefde. Paulus werkt dit later heel mooi uit in Efeze
5, waar hij het wandelen in de liefde (zoals Jezus dat deed) tegenover het
leven naar het vlees zet, met alle zonden die daar bij horen. Leven en
groeien in liefde is hier synoniem met leven en groeien in gehoorzaamheid aan
Gods Woord, wat in die tijd nog mondeling werd overgebracht, maar wat voor
ons in boekvorm beschikbaar is. Uit 4:1-2 kunnen we afleiden dat Paulus tijdens zijn korte
verblijf in Thessalonica verschillende bevelen gegeven heeft. We moeten dan denken
aan concrete voorschriften voor bijvoorbeeld het leven van alle dag. Over 1
onderwerp wil Paulus graag nog een keer (4:6) wat zeggen: hoererij. Paulus gebruikt hier het woord ‘porneia’, wat staat voor
alle ongeoorloofde handelingen op seksueel gebied, binnen en buiten het
huwelijk. Als de hoofdlijn van het hele gedeelte ‘groeien in liefde’ is, dan
begrijpen we waarom hij hoererij radicaal afwijst. Wie op dit terrein
verstrikt raakt, bederft niet slechts zijn of haar eigen leven (veel
ongeoorloofde dingen gebeuren niet publiekelijk), maar kan tegelijk ook nooit
in de liefde wandelen. Hoererij is ik-gericht, maar de liefde is gericht op
de ander. Wie verder gaat op de weg van de seksuele zonden, groeit precies de
andere kant op en doet niet alleen zichzelf, maar de ander en God ernstig
tekort. Het lijkt mij dat het onderwijs wat Paulus hier geeft ten
aanzien van hoererij, onderscheiden kan worden in twee delen: in vers 4-5
heeft hij het over verkeerde seksuele handelingen in het algemeen en in vers
6 over de verkeerde seksuele handelingen in relatie tot de vrouw van een
broeder. Het eerste kan het beste omschreven worden als toegeven aan je
seksuele lusten, het bevredigen van je verlangens op een verkeerde manier.
Bij het tweede maken de grondwoorden duidelijk dat het niet ‘slechts’ gaat om
het hebben van seksuele omgang met de vrouw van een ander, maar dat je een
broeder in zoiets ‘overweldigt’ en ‘jezelf bevoordeelt’ ten koste van hem.
Het eerste belemmert je om echt op de ander gericht te, maar door een
dergelijke daar onttroon je eigenlijk je broeder en verneder je hem enorm. De
man is het hoofd van zijn vrouw (1Kor.11:3). Je neemt in bezit wat hem
toekomt. Juist in het kader van seksuele zonden gebruikt Paulus het
begrip ‘heiliging’. Het woord ‘hagiosmos’ duidt op een proces, een traject
wat je doorloopt. Vaak wordt het eerste stuk van 4:3 losgemaakt van de rest
van het gedeelte en als algemene opdracht gebruikt: ‘Dit is de wil van God:
je heiliging.’ Dit is op zich een bijbelse uitleg (zie 1Kor.1:30, waar
ook het woord ‘hagiosmos’ wordt gebruikt). In dit gedeelte gebruikt Paulus het begrip ‘heiliging’
echter specifiek in relatie tot hoererij. Dit helpt ons om beter te begrijpen
wat ‘heiliging’ precies inhoudt. Heiliging is het proces wat uiteindelijk zal
leiden tot heiligheid (3:13). Vanaf het moment dat je binnen bent gekomen in
Gods koninkrijk, ben je als het ware niet meer van jezelf. Je ‘vat’ (je
lichaam, werktuig) is niet meer van jezelf, maar voorbestemd om God te eren
(1Kor.6:19-20). Alles wat je binnen Gods koninkrijk doet, dient in het teken
te staan van de ontmoeting met God. Hij die het initiatief genomen heeft tot
jouw redding, verlangt ernaar om daar wat voor terug te ontvangen. Het is
niet meer dan redelijk dat een christen dat verlangen ook graag wil
beantwoorden. Dat kan door een leven te leiden wat gekenmerkt wordt door
‘heiliging’. Tegenover het groeien in heiliging staat het groeien in
onreinheid (4:7). Om in dat laatste te groeien, heeft Christus Zijn kostbare
bloed niet gestort. We dienen niet te groeien in anti-liefde, maar in de
liefde die hij ons ruimschoots wil geven en in ons wil laten groeien (3:12).
Of, zoals Paulus het zegt: in liefde moet je ‘toenemen’ en ‘overvloedig
worden’, maar in hoererij dien je jezelf te ‘onthouden’ In het eerste verwacht God een groeiproces; in het tweede
een radicale afwijzing; geen proces waarin je zondige gewoonten langzaamaan
afbouwt, maar een onmiddellijke stopzetting daarvan. Wie –plat gezegd – wel graag later de hemel in wil, maar
niet nu al passende voorbereidingen voor de ontmoeting met God wil treffen,
veracht God (4:8). God heeft er alles aan gedaan dat we zouden kunnen groeien
in liefde; Hij gaf ons Zijn Geest, zodat we van binnenuit op God gericht
kunnen worden. Hij roept ons tot ‘heiliging’; niet tot ‘onreinheid’ (4:7).
Wie daar geen gebruik van maakt, veracht God; die werpt het goede, wat hem of
haar wordt aangeboden, terzijde en stelt, zoals het grondwoord aangeeft, God
terzijde. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat God deze houding
beantwoordt met wraak. In 4:6 staat dat God de anti-liefde van hoererij en
het onrecht dat je daarmee je broeder aandoet, zal wreken. Ik moet denken aan
wat staat in 1Kor.3:16-17. Daar wordt duidelijk dat een christen die niet
leeft zoals God dat bedoeld heeft, ondanks het feit dat hij wel behouden zal
worden, toch schade zal lijden op de dag van het oordeel. Hoewel het
potentieel aanwezig was, heeft zo’n leven voor Gods eer en koninkrijk niets
opgeleverd. De Heere komt daar op terug. Een compliment voor de
broederliefde Het kan wat vreemd overkomen dat Paulus de christenen in
Thessalonica complimenteert om hun ‘broederliefde’ (4:9-10). Broederliefde is
op geen enkele manier te combineren met dat wat in de verzen daarvoor
beschreven wordt. De herhaling van Paulus’ vermaningen met betrekking tot
hoererij hoeven er niet persé op te wijzen dat die zonden in de gemeente van
Thessalonica nog steeds de boventoon voerden. Strikt genomen lezen we ook
niet dat Paulus hen daarvoor vermaant. Het zou goed kunnen zijn dat Paulus
het gewoon nog een keer herhaalt, omdat hij de verwoestende uitwerking van
seksuele zonden op het groeien in liefde en het gemeenteleven kent. Paulus
waarschuwt hen er nog maar eens voor. Uit het verslag van Timotheüs maakt Paulus echter op dat
de praktijk van het gemeenteleven in Thessalonica op dat moment blijkbaar
anders is: er is broederliefde, niet alleen onderling, maar ook naar alle
broeders in Macedonië toe. We lezen in hoofdstuk 1 over het geweldige
getuigenis wat van de gemeente in Thessalonica uitging, de hele regio door.
Hier zien we in praktijk wat we al lazen in 3:12, het overvloedig zijn in
liefde. Er is zoveel liefde, dat het als het ware overstroomt naar andere
mensen en gebieden. Van overvloed kun je uitdelen. Het geheim van deze broederliefde is het onderwijs wat God
hen zelf heeft gegeven. Wie zich laat onderwijzen in de gevende liefde
(agapeo), is in staat om mee te bouwen aan wederzijdse liefde. In 4:10-12 doet Paulus een appél op het nog verder groeien
in liefde. Waarom? Uit het vervolg van de twee brieven aan Thessalonica
kunnen we opmaken dat niet alle gemeenteleden op de zelfde manier leefden met
God (zie 1/5:14; 2/3:6). Er waren mensen die een ongeregeld leven leidden en
de overige gemeenteleden krijgen de opdracht om hen te vermanen. Eén concrete uiting van anti-liefde vond Paulus in het
feit dat sommigen leefden op de zak van een ander. Mogelijk had dit te maken
met het feit dat ze een spoedige parousia verwachtten en daarom hun
dagelijkse verplichtingen gingen verwaarlozen. Het gevolg daarvan was dat ze
niet meer in hun eigen levensonderhoud konden voorzien en dus anderen
daarvoor nodig hadden; mogelijk ook buitenstaanders. Het werden eigenlijk parasieten.
Dat maakte niet alleen het leven van de hardwerkende broeders iets zwaarder,
maar het was ook een anti-getuigenis tegenover hen die ‘buiten’ stonden.
Paulus gaat van het gegeven uit dat in een goed functionerende gemeente, met
normaal functionerende gemeenteleden, niemand zijn hand hoeft op te houden.
Van alle gemeenteleden wordt verwacht dat ze naar hun kunnen bijdragen aan de
dagelijkse verplichtingen. Uiteraard bedoelt Paulus hier niet te zeggen dat
er geen bezittingen gedeeld mochten worden met anderen, maar het gaat hem
puur om de mensen die niet doen wat ze zouden kunnen doen. Ø Zie verder bijbelstudie 5 Gesprekspunten 1.
Hoe bereid ik mezelf voor op de wederkomst van de Heere
Jezus? 2.
Toenemen, overvloedig worden… Is God eigenlijk wel eens tevreden
over me? 3.
Hoe staat het met de liefde in mijn leven? TIP:
Vertaal de dingen die kenmerkend zijn voor jouw leven eens in ‘liefde’. Waarin kan (moet) ik nog verder
groeien. 4.
Onberispelijk zijn bij de komst van de Heere Jezus. Geloof
ik dat dit ook voor mij haalbaar is? Wat doet God hierin en wat vraagt
Hij van mij? 5.
Hoererij, de macht die het
seksuele kan hebben … heeft Paulus mij hier wat te zeggen? Zijn er
andere dingen in mijn leven waarmee ik móet breken? 6.
We worden bekeken! Welke
dingen in mijn leven of dat van mijn gemeente dragen bij aan het getuigenis? Welke
dingen doen daar afbreuk aan? 7.
Mijn redding is niet Gods
hoogste doel. Dat is: Jezus eren bij Zijn komst. Welke
impuls geeft deze (wellicht nieuwe) zienswijze aan mijn leven met God? NU is
het de bedoeling dan andere mensen Christus in ons zien. STRAKS
is het de bedoeling dat Christus Zichzelf in ons terug ziet. |