Navolgers van Paulus

Bijbelstudie 2 over de brieven aan Thessalonica

Index

 

Inleiding

Aandacht gevraagd voor mensenwerk…

1. De houding van Paulus

Vrijmoedigheid (1Thess.2:1-5)

Vriendelijkheid (1Thess.2:6-9)

Moederlijk en vaderlijk gedrag

Samenvatting houdingsaspecten

2. De boodschap van Paulus

Ons evangelie

Het evangelie van God

Evangelie van God en evangelie van Christus

3. De herinnering oproepen

Terugkijken en vooruitwijzen

Een levend voorbeeld

4. Het belang van de navolging van Paulus

Toevertrouwd

Apostel

De noodzaak van duidelijkheid in een tijd zonder Nieuwe Testament

Tot slot

Gesprekspunten

 

Inleiding

Als uitvalsbasis voor deze bijbelstudie nemen we de volgende uitspraak van Paulus:

 

‘…gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.

En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren…’ (1Thess.1:5-6)

 

Deze woorden maken deel uit van een passage waarin Paulus schrijft over de periode dat hij werkzaam was in Thessalonica (Hand.17:1-9; 1Thess.1:4-6).

Paulus is dankbaar als hij zich realiseert welke impact het evangelie op het leven van deze mensen heeft (gehad). Hij is ervan overtuigd dat zij door God uitverkoren zijn (1Thess.1:2-4) en leidt dit af uit twee dingen: (1) het feit dat hij destijds heel krachtig de boodschap van het evangelie heeft kunnen brengen en (2) het feit dat ze navolgers van hemzelf en van de Heere geworden zijn, doordat ze het Woord hebben aangenomen in veel verdrukking en met veel blijdschap van de Heilige Geest (1Thess.1:5-6).

Kenmerkend voor het getuigenis wat van hen uitgaat (1Thess.1:7-10), zijn de drie volgende punten:

-          De plaats die ze geven aan de persoon en het onderwijs van Paulus.

-          De radicale omkeer van afgodendienst naar de het dienen van de waarachtige God.

-          Het feit dat ze de Zoon van God uit de hemelen verwachten.

Aan alle drie deze items besteedt Paulus in zijn twee brieven aan hen aandacht. In deze bijbelstudie focussen we in op het eerste punt.

 

Aandacht gevraagd voor mensenwerk…

In de brieven aan Thessalonica komen we regelmatig teksten tegen waarin Paulus beschrijft hoe hij destijds zijn werk gedaan heeft en hoe belangrijk het is dat men hem nog steeds blijft volgen. Neem bijvoorbeeld de afgedrukte tekst hierboven, of wat er staat in 2Thess.2:15. Het is begrijpelijk als we hierbij onze wenkbrauwen wat fronsen. Paulus lijkt immers erg met zichzelf bezig te zijn. Hij is ‘slechts’ een instrument, maar benadrukt wel steeds zijn plek in het geheel.

In deze bijbelstudie zullen we nagaan waarom Paulus toch op deze wijze meent te moeten schrijven.

Ik wil dit uitwerken vanuit drie vragen die ik stel bij 1Thess.1:5-6.

 

·         Hoe was Paulus destijds in de gemeente van Thessalonica bezig?

·         Waarom probeert Paulus de herinnering aan zijn optreden van destijds op te roepen?

·         Hoe essentieel is het dat deze gelovigen Paulus en zijn leer (blijven) navolgen?

 

Misschien heb je aan het begin van deze bijbelstudie het gevoel dat deze informatie niet zo direct van toepassing zal zijn op je persoonlijke leven. De conclusies kennende, denk ik dat dit wel mee zal vallen. Ook dit onderwijs zal blijken nuttig te zijn voor je leven met God en, breder, voor het functioneren van de gemeente als geheel, tot eer van God.

 

1. De houding van Paulus

In 1Thess.1:5 herinnert Paulus de gelovigen van Thessalonica aan zijn optreden van destijds (Hand.17:1-11). In 1Thess.2:1-2 werkt hij dit uit.

Samenvattend kunnen we zeggen dat Paulus ons hier over twee dingen informatie geeft: zijn houding en zijn boodschap. Eerst wil ik een aantal dingen zeggen over de houding van Paulus. Die werd gekenmerkt door twee aspecten: vrijmoedigheid en vriendelijkheid.

 

Vrijmoedigheid (1Thess.2:1-5)

Gij weet zelf…’ In hoofdstuk 1 heeft Paulus al laten merken dat zijn werk onder hen niet tevergeefs is geweest en dat ook anderen daarvan getuigen. Nu neemt hij hen bewust mee naar de tijd dat hij bij hen was. Hij wil hen diezelfde conclusie laten trekken als hijzelf en anderen gedaan hebben.

Paulus leidt dit ‘niet tevergeefs’ af uit het feit dat hij bij zijn werk in Thessalonica ondanks de strijd (kort daarvoor en op dat moment opnieuw), toch veel vrijmoedigheid heeft gehad om het Evangelie van God te spreken. Ondanks de strijd was er de vrijmoedigheid en dankzij dit is er ook vrucht geweest.

In vers 1 t/m 5 worden twee zaken genoemd die het bijzondere van deze vrijmoedigheid extra benadrukken; die als het ware spanning op deze vrijmoedigheid zetten: (1) moeilijke ervaringen in het verleden en (2) de wensen van mensen ten aanzien van de boodschap.

 

Over het eerste schrijft Paulus in vers 1. Ondanks het gebeuren in Filippi (Hand.16:12 e.v.), heeft hij nieuwe kracht en vrijmoedigheid om door te gaan. Je proeft in de wijze waarop Paulus hierover schrijft de verwondering. Blijkbaar is het niet vanzelfsprekend dat ‘mensen’ na moeilijke ervaringen met onverminderd enthousiasme verder gaan, wetend dat er nieuwe moeilijkheden kunnen komen.

 

Over het tweede schrijft hij in vers 3-6. Het begin van vers 3 maakt duidelijk dat het hier gaat om een aanvulling op (verklaring van) vers 1-2. Het kunnen volharden in vrijmoedigheid was ook een wonder gezien de wijze waaróp Paulus het Evangelie bracht: onverbloemd en volledig volgens de wil van zijn Zender. In vers 2 en 3 worden ‘het Evangelie van God’ (2) en ‘vermaning’ (3) gekoppeld. Het woord ‘vermanen’ (parakleos) kan vertaald worden met ‘vermanen’ en ‘vertroosten’. De woorden van Paulus zijn niet alleen voedsel voor hongerige harten, maar ook azijn in open wonden. De wijze waarop Paulus bezig was in Thessalonica riep ongetwijfeld weer nieuwe weerstand en vijandschap op bij mensen die liever niet vermaand wilden worden.

Als we vers 4 zien als verklaring van vers 3, hebben de drie verkeerde uitingen in vers 3 alles te maken met het behagen van mensen. Paulus’ boodschap komt niet voort uit dwaling, onoprechte bedoelingen of list, maar omdat God hem de opdracht ertoe gegeven heeft. Hij wil geen mensen behagen of eigen eer zoeken, maar alleen doen wat zijn Zender hem heeft opgedragen. Paulus zegt dat God hem /hen heeft waardig geacht om het evangelie van Gods toevertrouwd te krijgen (1Thess.2:4). In paragraaf 4 zal dit verder worden uitgewerkt.

Je kunt blijkbaar strijd ontlopen door de mensen naar de mond te gaan praten.

In vers 5 vult Paulus nog even aan wat hij in vers 3-4 begon te zeggen. Hij is volledig oprecht bij hen geweest en heeft zich niet anders gedragen dan dat God van hem zou mogen verwachten.

 

Nog een paar losse opmerkingen:

·         We lezen in vers 2-3 iets van de houding die Paulus had bij het brengen van het Evangelie. Het woord ‘vermanen’ (parakleos) kan, zoals gezegd, vertaald worden met ‘vermanen’ en ‘vertroosten’. Paulus lijkt hierin op zijn Meester, die ook het Woord eerlijk bracht, maar altijd oog had voor degene die voor Hem stond. De aanpak kon verschillen, maar het doel was altijd gelijk: dat mensen tot de bestemming zouden komen, zoals God hen bedoeld had.

 

·         In vers 4 zegt Paulus dat God de harten keurt. Hij betrekt dit op het bezig zijn in Zijn dienst, zonder zich iets aan te trekken van wat mensen willen horen. Paulus is door God eens geschikt bevonden (Hand.9:15; Rom.1:5), maar wordt nog steeds door God gekeurd, ‘gescreend’ of hij nog geschikt is. Blijkbaar kun je gedurende je missie ook minder geschikt, of ongeschikt raken (vgl. Matth.5:13; 2Tim.3:16-17; 1Kor.15:58). Geschiktheid = (gaan) doen en blijven doen wat je Zender van je verwacht.

·         In vers 5-6 spreekt Paulus in de wij-vorm. Het zou kunnen dat hij hier ook zijn medewerkers, Silas en Timotheüs, erbij betrekt. Ook zij stonden op gelijke wijze als Paulus in de bediening van het evangelie. Wat betreft de wij-vorm: als je de het gebruik van het woordje ‘wij’ in de brieven aan Thessalonica bestudeert, zie je dat het hier niet alleen gaat om een beleefdheidsvorm waarmee eigenlijk ‘ik’ bedoeld wordt (zoals je dat nu predikers wel eens hoort zeggen), maar dat Paulus voor meerdere mensen spreekt. Hij gebruikt ook enkele keren het woord ‘ik’, ter onderscheiding van ‘wij’ en in 1Thess.2:8 gebruikt hij het woord ‘zielen’, wat zeker niet op 1 persoon kan slaan.

 

Een prachtige tekst om het aspect ‘vrijmoedigheid’ mee af te sluiten is deze (2Tim.4:5):

‘Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.’

 

Vriendelijkheid (1Thess.2:6-9)

Paulus heeft zich, hoewel hij dat zou mogen doen (zie paragraaf 4), niet beroepen op het feit dat hij apostel van Christus was, om daarmee zijn woorden kracht bij te zetten. Zijn omgang met de mensen in Thessalonica had het karakter van vriendschap. Paulus spreekt zelfs over een houding die lijkt op die van een moeder die haar kinderen koestert. Als sprekend voorbeeld hiervan herinnert Paulus hen eraan dat hij tijdens zijn verblijf onder hen zelf in zijn onderhoud heeft voorzien. Hij is niet (geweest) zoals rondreizende (dwaal)leraars, die als parasieten de gemeenten uitzuigen en het er zelf lekker van nemen (zie ook 1/4:11-12; 2/3:6-15; Tit.1:11). Dit onderwerp wordt uitgewerkt in bijbelstudie 5.

Met een rug vol littekens, afkomstig uit Filippi, hebben Paulus en Silas in Thessalonica na aankomst in Thessalonica werk gezocht. Behalve dat heeft Paulus op de sabbatten onderwijs gegeven in de synagoge. Daarnaast hebben Paulus en zijn helpers onderricht gegeven aan de pasbekeeren.

De vriendelijkheid van Paulus kan samengevat worden als een gevende houding. Paulus cijferde zichzelf weg. Hij bracht hen het evangelie van God, maar gaf daarbij ook zijn leven. Het woord ‘meedelen’ wat in vers 8 gebruikt wordt, heeft de betekenis van ‘offer’, ‘iets geven van jezelf’. Het geheim van deze vriendelijkheid is liefde (vers 8). Liefde werkt een gevende, een dienende houding uit. Om bij het beeld van de moeder te blijven: het koesteren van je kinderen is een sterke uiting van onvoorwaardelijke liefde. Echte liefde geeft niet om vervolgens te ontvangen; echte liefde is volledig gericht op de ander, onbaatzuchtig. Dit is de liefde die God gelovigen wil schenken (agapé); de opofferende liefde die we ook zien bij onze Heere Jezus Christus.

 

Als we het woord ‘vriendelijkheid’ (1Thess.2:7) in de grondtekst nazoeken, ontdekken we dat het (nepios) doorgaans vertaald wordt met ‘onmondig’, ‘als een kind’, ‘kinderlijk’. Paulus liefde voor de gemeente is als die van een moeder voor haar kinderen, maar zijn houding gaat verder dan dat: hij gedraagt zich letterlijk als een kind, kinderlijk. Dat Paulus hiermee niet het kinderlijke gedrag mee bedoelt dat hij alles maar wil hebben en op zijn wensen bediend wil worden, moge duidelijk zijn. Het gebruik van dit woord benadrukt des te meer dat hij zich in vergelijking met wat hij had mogen eisen (vers 6), zeer liefdevol en dienend gedragen heeft. Van een jong kind mag je niet verwachten dat het zich dienend gedraagt, maar Paulus heeft zich vanuit de kind-positie moederlijk gedragen.

 

Moederlijk en vaderlijk gedrag

Het is opvallend dat Paulus in vers 7 zijn houding vergelijkt met die van een moeder en in vers 11 met die van een vader. Het moederlijke gedrag onderstreept zijn liefde, vriendelijkheid en dienstbare houding. Het vaderlijke gedrag wordt verbonden met vermaning, aanmoediging en een dringend appél om waardig te wandelen voor God. Eigenlijk komen we hiermee weer terug bij dat wat we hebben beschreven bij het aspect ‘vrijmoedigheid’.

Als ‘vader’ neemt Paulus zijn verantwoordelijkheid om hen eerlijk en volledig de boodschap van God te brengen, ook al brengt dit strijd met zich mee.

Als ‘moeder’ geeft hij zichzelf aan deze mensen en doet hij er alles aan om hen zijn liefde te laten blijken en hen in alles te dienen.

 

Het is een bijbelstudie waard om na te gaan hoe deze twee aspecten ook in het leven van Jezus tot uiting komen. Bij Jezus waren de verkondiging van de waarheid en Zijn liefde in volmaakte balans. Ook in het Oude Testament kom je passages tegen waarin God Zichzelf identificeert met het moederlijke en het vaderlijke (Jes.49:15; Jer.31:9; Hos.11:1-4) en wordt duidelijk dat vermaning (zelfs kastijding) en liefde samen kunnen gaan.

 

Paulus herinnert de gelovigen aan zijn levensstijl, in overeenstemming met het appél om een waardig leven te leiden voor God. Daden stemden overeen met woorden.

De laatste tekst van 1Thess.2 zet Paulus’ oproep aan de gelovigen, om zijn optreden van destijds te herinneren, in het juiste licht. Het gaat uiteindelijk om het waardig wandelen voor God, die zowel Paulus, als ook alle andere gelovigen roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.

 

Samenvatting houdingsaspecten

Hoofdkenmerken van de houding van Paulus zijn, volgens 1Thess.2:1-12, vrijmoedigheid (zijn vaderlijke gedrag) en vriendelijkheid (zijn moederlijke gedrag).

We komen de volgende aspecten tegen die kenmerkend zijn (geweest) voor Paulus’ optreden in Thessalonica:

·         Volharding in de taak, ondanks de pijn van het verleden

·         Volharding in dezelfde boodschap, wetende dat daar opnieuw strijd door zal ontstaan.

·         Een eerlijk evangelie brengen en niet de mensen naar de mond praten.

·         Vermanen en vertroosten; een passend woord voor ieder.

·         Bewust zijn van te voortdurende ‘keuring’ van God en erop toezien dat je geschikt blijft.

·         Liefde voor de mensen met wie je werkt; een dienende houding.

·         Een leven wat volledig overeenstemt met de boodschap die je brengt.

 

Als we hierbij bedenken dat dit de houding is van iemand die zwaar onder druk staat en dat al deze aspecten tot uiting zijn gekomen in een heel korte periode, dan kan Paulus met recht een voorbeeld genoemd worden voor alle gelovigen.

 

2. De boodschap van Paulus

 

Ons evangelie

In 1Thess.1:5 heeft Paulus het over ‘onze evangelieprediking’. Het woord ‘evangelie’ betekent ‘blijde boodschap’. Als Paulus daarom schrijft (1Thess.1:5; 2Thess.2:14) over ‘ons evangelie’, dan bedoelt hij daar niet een zelfbedachte boodschap mee, maar dat hij een blijde boodschap doorgeeft en doorgegeven heeft. Wat is echter de inhoud van deze blijde boodschap?

 

Het evangelie van God

In 1Thess.2 spreekt Paulus 3 keer letterlijk over het ‘evangelie van God’ en 1 keer indirect.

·         2:2 Het evangelie van God (de boodschap van God)

·         2:4 Het evangelie (= het evangelie van God – zie link met vers 2)

·         2:8 Het evangelie van God

·         2:9 Het evangelie van God

Aangezien de Bijbel over meerdere evangeliën spreekt (denk bijvoorbeeld aan ‘het evangelie van het Koninkrijk’ - een studie apart) moeten we nagaan wat Paulus hier met het ‘evangelie van God’ bedoelt.

We gebruiken hierbij de gegevens uit het boek Handelingen, zijn tweede brief aan Korinthe en de brief aan de Romeinen, gegevens die dicht bij de context staan van waaruit Paulus schrijft.

De brieven aan Thessalonica zijn geschreven vanuit Korinthe, tijdens de tweede zendingsreis. Aan de gelovigen in Korinthe schrijft Paulus later dat hij hen ‘het evangelie van God’ gebracht heeft (2Kor.11:7). Zowel in Thessalonica als in Korinthe bracht Paulus dus dezelfde boodschap.

Tijdens zijn derde reis vertelt Paulus aan de ouderlingen van Efeze wat zijn boodschap tot dan toe is geweest: ‘Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus’ (Hand.20:21). Deze boodschap zegt hij drie verzen later ‘om te betuigen het Evangelie der genade Gods’ (Hand.20:24).

In zijn brief aan de gemeente van Rome, geschreven aan het einde van zijn derde zendingsreis, verwoordt Paulus heel duidelijk zijn missie en boodschap: Rom.1:1-4. Hij is geroepen om het evangelie van God te spreken (zie ook Rom.15:15-16). De inhoud van dit evangelie vinden we in Rom.1:16-17: behoudenis voor iedereen beschikbaar, door het geloof in Jezus Christus alleen.

 

Evangelie van God en evangelie van Christus

In 1Thess.3:2 en 2Thess.1:8 gebruikt Paulus de omschrijving ‘evangelie van (onze Heere Jezus) Christus’. Is er een verschil tussen het evangelie van God en dat van Christus? Op grond van de teksten die ook hier boven aangehaald werden, meen ik op te maken dat het hier om het zelfde evangelie gaat. Lees Rom.1:1-4 en 9 en Rom.15:16+19.

 

Paulus en zijn metgezellen getuig(d)en van de blijde boodschap van God, met als kernwaarheid de blijde boodschap van de redding die er is in Christus Jezus alleen.

We dienen hierbij wel te bedenken dat het unieke van deze boodschap was, dat hij werd gebracht aan zowel Joden als heidenen, besnedenen en onbesnedenen. Omdat Paulus zich hierin onderscheidde van bijvoorbeeld Petrus (Gal.2:7-8), kunnen we ook begrijpen waarom hij het evangelie van God ‘mijn’ of ‘ons’ evangelie durft te noemen.

Dit evangelie heeft Paulus gebracht tot aan zijn gevangenschap in Rome. In die tijd heeft hij nieuwe elementen ontdekt (het geheimenis – zie bijvoorbeeld de Efeze-brief), en is zijn boodschap uitgebreid.

 

3. De herinnering oproepen

 

Zowel in 1Thess.1 als 2 merken we dat Paulus de gelovigen van Thessalonica oproept om terug te denken aan de tijd dat hij bij hen was (1Thess.1:5; 2:1,10; 3:6). Waarom?

Herinneringen oproepen doe je doorgaans als je in het verleden samen iets fijns hebt meegemaakt. Dat kun je in dit geval niet zeggen…

 

Hoofdstuk 2:1-12 staat ingeklemd tussen twee passages waarin Paulus benadrukt hoe dankbaar hij is om wat God in het leven van deze mensen heeft gedaan (1Thess.1:2-10 en 2:13-16). En om uit te leggen waarom hij dan zo dankbaar is, zou Paulus dan terugkijken op de periode waarin hij bij hen was. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor deze uitstap naar het verleden…

 

Terugkijken en vooruitwijzen

Toch wil ik ook het merkwaardige van dit terugkijken onderstrepen. De brieven aan Thessalonica staan immers bol van de vooruitwijzingen. Lees 1Thess.1:10; 2:12; 3:13; 5:11 (met het oog op de Dag des Heeren – 5:1-10); 5:23; 2Thess.1:7-10. Centraal in deze brieven staat het onderwijs over het christenleven in de tegenwoordige tijd met het oog op de toekomende tijd. En wat voegt dan de oproep om terug te kijken daar aan toe?

 

Een levend voorbeeld

Het antwoord op deze vraag is het feit dat in 1Thess.2:1-12 het gedrag beschreven wordt van iemand die onder zware druk staat. De heerlijke vrucht van Gods werk in deze gelovigen is geboren in een situatie van immense strijd. Paulus heeft die strijd moeten doormaken om zo een krachtig instrument in Gods hand te zijn.

Op het moment dat Paulus zijn brieven schrijft, verkeren ook de gelovigen in Thessalonica in dergelijke omstandigheden (1Thess.2:14; 3:3; 2Thess.1:4). Net als Paulus tóen, maken zij nu verdrukking mee en groeit door de volharding daarin het getuigenis en wordt de weg voor de uitbreiding van Gods koninkrijk gebaand (1Thess.1:8-9; 2Thess.1:4). De houding die Paulus tóen had, ondanks de strijd, moet een voorbeeld en stimulans voor deze gelovigen zijn. En dat is de reden dat Paulus hen daaraan laat terugdenken. Hij vestigt niet zomaar de aandacht op zichzelf, maar wil de ervaring van toen benutten voor de situatie waarin de gelovigen op het moment van schrijven verkeren.

 

Je ziet vaak gebeuren dat mensen die onder druk staan juist op zichzelf gericht worden, eigenlijk bezig zijn met ‘overleven’. Paulus pleit echter voor het tegenovergestelde: ondanks verdrukking toch volledig gericht blijven op God (vrijmoedigheid) en volledig gericht op de ander (vriendelijkheid).

 

Waarschijnlijk heeft Paulus al toen hij bij hen was beseft hoe belangrijk zijn voorbeeld zou zijn en was dat voor hem een extra reden om zich zo te gedragen. Lees 1Thess.1:5 ‘…om uwentwil…’ Dit wordt bevestigd door wat staat in 1Thess.3:3-4. Paulus heeft hen toen al voorbereid op het feit dat er verdrukking zou volgen. Uit de context maak ik op dat hij daar met ‘wij’ niet alleen zichzelf en zijn medewerkers bedoelde, maar ook de nieuwe gelovigen daarbij insloot.

 

4. Het belang van de navolging van Paulus

Wat moeten we aan met uitspraken als ‘…en gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren…’ (1Thess.1:5-6) of ‘…broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd  zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief…’ (2Thess.2:15) of ‘…u geroepen heeft door ons Evangelie...’ (2Thess.2:14)? Ook in andere brieven komen we vaak vergelijkbare uitspraken tegen.

Niemand kan ontkennen dat Paulus in deze twee brieven een groot accent op zijn boodschap legt.

We vragen onszelf wellicht af om wie het nu eigenlijk gaat. Om Paulus of om Jezus Christus? Om dat wat God te zeggen heeft of om dat wat Paulus te zeggen heeft?

Door wat we inmiddels ontdekt hebben vanuit 1Thess.2, is de prikkel van dergelijke uitspraken er voor ons waarschijnlijk al uit. Gezien het feit dat God Zijn plaats met geen enkel schepsel wil delen, moet er een heel goede reden voor zijn dat Paulus zo over zichzelf schrijft. Ik wil dit uitwerken in een aantal stappen.

 

Toevertrouwd

In 1Thess.2:4 zegt Paulus dat God hem (en zijn naaste medewerkers) waardig heeft gekeurd om hen het evangelie van God toe te vertrouwen. Paulus is door God voor de evangelieverkondiging uitgekozen onder de heidenen (Hand.9:15; Rom.1:5; Gal.2:7-8). In het zelfde vers spreekt Paulus ook van het feit dat God de harten blijft keuren en dat hij daarom alleen het evangelie van God wil brengen, zonder zich iets aan te trekken wat anderen daarvan vinden. Paulus beseft terdege welke taak God bij hem en zijn medewerkers gelegd heeft en neemt deze verantwoordelijkheid dan ook heel serieus. Vanuit zijn optiek is er geen reden geweest waarom hij hierover moest zwijgen. Paulus trad op in een tijd waarin de eerste christelijke gemeenten gesticht werden en het was van groot belang dat er absolute duidelijkheid zou bestaan over de kernbegrippen van het geloof. Duidelijkheid schep je door duidelijk te zijn, in het geval van Paulus over zijn missie en boodschap.

In 2Thess.2:14-15 spreekt Paulus over ‘ons evangelie’ en het houden van ‘onze voorschriften’. We kunnen deze termen begrijpen in het licht van het bovenstaande. Zie ook 1Kor.4:16 en 11:1; Fil.3:17.

 

Het is wellicht een opgave voor Paulus geweest om een nederige en liefdevolle houding te combineren met de duidelijkheid die men van een apostel mag verwachten, maar in 1Thess.2 blijkt heel mooi hoe hem dat toch gelukt is.

De Heere God wil Zijn plaats niet delen met een schepsel. Juist door zijn missie getrouw uit te voeren, geeft Paulus God alle eer die Hem toekomt. Het is hem er alles aan gelegen dat mensen gaan leven zoals God het bedoeld heeft.

 

Eén van de mooiste verwoordingen van Paulus’ levensmotto vinden we in Gal.2:20

‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.’

Hieraan merk je dat Paulus volledig afstand had gedaan van alles waarop hij zich zou kunnen beroemen (Fil.3:4-10).

 

Apostel

In 1Thess.2:6 zegt Paulus zegt dat hij zijn eigen eer niet heeft gezocht, hoewel hij zich als apostel wel zou kunnen laten gelden. Dat roept de vraag op wat de status van een apostel is.

 

Het woord ‘apostel’ betekent in het Grieks ‘afgezant’ (Joh.13:16) en in het Hebreeuws ‘afgezant met een volmacht tot een bepaalde opdracht’.

De eersten die de naam van apostelen droegen, waren de 12 discipelen die Jezus van nabij hebben meegemaakt (Luk.6:13). Dat het aantal van 12 belangrijk was, merken we uit het feit dat er na de dood van Judas een nieuwe apostel wordt gekozen (Hand.1).

Ook Paulus wordt tot de apostelen gerekend. In Gal.1:1; 1Tim.2:7 en 2Tim.1:11 benoemt Paulus heel duidelijk dat hij aangesteld is als apostel.

De volgende criteria lijken van toepassing te zijn op de 13 (12+1) apostelen:

-          Ze moeten Jezus gezien hebben (1Kor.9:1; 1Kor.15:7-8).

-          Ze moeten door God geroepen zijn tot hun taak (Luk.6:13; Gal.1:1).

-          Ze initiëren de eerste christelijke gemeenten (Hand.2:42).

-          Ze deden hun werk met betoon van tekenen en wonderen (2Kor.12:12; Hand.4:33, 5:12).

In bredere zin wordt de naam van apostel ook gegeven aan rondreizende predikers.

-          Zo wordt Barnabas ook een apostel genoemd (Hand.14:14).

-          Dit geldt mogelijk ook voor Apollos (1Kor.4:9).

-          In 1Thess.2:6 noemt Paulus zijn naaste medewerkers ook ‘apostelen’.

-          In 2Kor.11:13 en Op.2:2 wordt ook gesproken van valse apostelen.

Paulus spreekt in het kader van gaven ook over apostelen in de gemeente (1Kor.12:28; Ef.4:11).

Zelfs van Jezus wordt gezegd dat Hij een Apostel is (Hebr.3:1).

 

Concluderend kunnen we zeggen dat van al de soorten apostelen die genoemd worden, geldt dat zij een afgezant zijn, in het goede geval van God. Paulus is meer dan dat: hij hoort namelijk bij de groep apostelen die van God (van Jezus) een specifieke taak ontvangen hebben. Over deze taak van Paulus is hierboven al het een en ander gezegd.

 

In plaats van zich te laten gelden, heeft Paulus zich dienend opgesteld. In Gal.6:6 en 1Kor.9:11-14 beschrijft hij het principe dat degenen die het evangelie verkondigen, ook van het evangelie mogen leven. Dat betekent concreet dat de mensen in Thessalonica eigenlijk Paulus en zijn medewerkers van eten zouden hebben moeten voorzien. Paulus heeft echter zelf niet volgens dit principe gehandeld, maar heeft zijn eigen brood met zijn eigen handen verdiend. Meer hierover in bijbelstudie 5.

 

De noodzaak van duidelijkheid in een tijd zonder Nieuwe Testament

Als we bedenken dat er in Paulus’ tijd nog geen Nieuwe Testament was, dan begrijpen we ook beter de noodzaak van mondelinge en schriftelijke duidelijkheid. Daarbij komt dat er ook in die tijd predikers waren met een verkeerde boodschap (dwaalleraren). Uit de brieven van Paulus blijkt dat juist zijn onderwijs op de korrel heeft gelegen. Qua welbespraaktheid moest Paulus het afleggen tegen veel leraars in zijn tijd. Voor Paulus des te meer een reden om bij de christenen het vasthouden aan zijn onderwijs te bepleiten. Door duidelijk te zijn, maakte hij het voor hen juist makkelijker. Hij hielp de bekeerlingen om het geloof te kunnen onderbouwen in discussies met tegenstanders (2Kor.5:12).

Door te wijzen op zijn houding onder hen, maakte hij duidelijk dat hij het echt goed met hen voorhad.

Laten we beseffen dat Paulus voor deze mensen het eerste voorbeeld was van iemand die God diende. Er waren veel minder levende voorbeelden voorhanden dan nu (??). Des te meer een reden voor Paulus om hen te wijzen op het voorbeeld wat hij zelf gegeven had.

 

Verder moest ook deze apostel het loslaten. We weten dat later veel gelovigen zich van Paulus afgekeerd hebben (2Tim.1:15; 2Tim.4). Maar in 2Tim.4, het laatste hoofdstuk uit Paulus’ leven, lezen we dat hij zijn taak volbracht heeft. Hij is er zeker van dat hij de kroon van de rechtvaardigheid zal ontvangen (2Tim.4:7-8). En daar gaat het uiteindelijk om; om de wijze waarop God je leven zal beoordelen.

 

Ik moet denken aan wat Paulus schrijft aan het einde van 1Thess.2:

‘Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.’

Iemand in wie Gods Geest aan het werk is, zal onderscheiden wat waar en wat niet waar is. Dat was toen zo en dat is nog zo.

 

Tot slot

Is het je wel eens opgevallen dat juist de zaken waarover Paulus zich in zijn brieven zo expliciet uitspreekt, zo onder druk staan in deze tijd?

-          Veel predikanten verspreiden tegenwoordig de gedachte dat Jezus niet echt lichamelijk zou zijn opgestaan. Ze benutten de ruimte die de evangeliën daarvoor (lijken te) geven en doen de duidelijke woorden van Paulus hierover af met de opmerking dat hij maar één van de rabbijnen was, waarvan ‘toevallig’ de brieven in de canon terecht zijn gekomen.

-          Denk aan de aversie die er bestaat tegen het onderwijs van Paulus over het huwelijk en over de verhoudingen tussen man en vrouw. Ik heb mensen die zich uitgeven voor christen horen zeggen dat Paulus een vrouwenhater was.

-          Als wij de boodschap van Paulus goed zouden begrijpen, zou er dan in ons land nog zoveel halfslachtigheid onder christenen zijn? De christelijke vrijheid, waarover Paulus schrijft, wordt vaak te pas en te onpas gebruikt, om ruimte te creëren voor een leven waarin de oude natuur volop de ruimte krijgt om te ontwikkelen.

 

En als je de waarde van de brieven van Paulus kunt relativeren, wat blijft er dan bijvoorbeeld nog over van de hartstochtelijke oproep tot levensheiliging, het onderwijs over het eigene van Israël en de gemeente van Christus, het onderwijs over de Heilige Geest, het onderwijs over de laatste dagen?

 

De ‘vaderlijke kant’ van Paulus, het vermanen, de duidelijke leeruitspraken, het stoot velen af. Wellicht is deze studie zo belangrijk om te kunnen ontdekken dat Paulus altijd het ‘vaderlijke’ combineerde met het ‘moederlijke’, in navolging van zijn Grote Meester.

 

Ik wil besluiten met te wijzen op 1Thess.1:9

‘…hoedanige ingang wij tot u hadden en hoe gij tot God bekeerd bent van de afgoden…’

 

Ik ben ervan overtuigd dat deze twee zaken nog steeds hand in hand gaan: het accepteren van de boodschap van Paulus en een leven van heiligmaking, een leven wat gericht is op de ontmoeting met Christus.

 


Gesprekspunten

 

Gesprekspunt 1

Hoofdkenmerken van Paulus’houding zijn volgens 1Thess.2:1-12: vrijmoedigheid (zijn vaderlijke gedrag) en vriendelijkheid (zijn moederlijke gedrag).

We komen de volgende aspecten tegen die kenmerkend zijn (geweest) voor zijn optreden:

·         Volharding in de taak, ondanks de pijn van het verleden. Ervaringen kunnen je lam leggen.

·         Volharding in dezelfde boodschap, wetende dat daar opnieuw strijd door zal ontstaan.

·         Een eerlijk evangelie brengen en niet de mensen naar de mond praten. Zoek je in je leven nog mensen te behagen, of ben je volledig op God gericht?

·         Vermanen en vertroosten; een passend woord voor ieder.

·         Bewust zijn van te voortdurende ‘keuring’ van God en erop toezien dat je geschikt blijft.

·         Liefde voor de mensen met wie je werkt; een dienende houding.

·         Een leven wat volledig overeenstemt met de boodschap die je brengt.

 

Welke aspecten herken je in je eigen leven?

Hoe verhouden God-gerichtheid en mensgerichtheid zich in jouw leven?

 

Gesprekspunt 2

Paulus roept de herinnering op aan zijn optreden en doet dit om die ervaring te gebruiken voor de situatie waarin de gelovigen van Thessalonica nu staan.

Is dit niet een voorbeeld voor allen die de Heere Jezus willen volgen?

 

Praat eens door over het volgende:

·         Door jouw gedrag in een bepaalde situatie kun je anderen helpen of het juist moeilijk maken.

·         Een levend voorbeeld zijn, dit keer niet voor ongelovigen, maar voor gelovigen.

·         Door te volharden in het uitdelen van Gods Woord en een dienstbare houding, ben je een schakel in de voortzetting van Gods werk. In deze context gaat ook 2Thess.1:5-7 meer spreken. Wie nu het onrecht niet wil dragen, is het koninkrijk van God niet waardig…

·         Moeilijke ervaringen kunnen benut worden voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk.

·         Niet alleen het gesproken woord telt in de evangelieverkondiging, maar misschien nog wel veel meer je gedrag.

 

Gesprekspunt 3

Het belang van het onderwijs van Paulus voor deze tijd…

 

‘…hoedanige ingang wij tot u hadden en hoe gij tot God bekeerd bent van de afgoden…’ (1Thess.1:9)

 

‘…staat vast en houdt de inzettingen die u geleerd zijn…’ (2Thess.2:15)

 

In hoeverre ben je het eens met de volgende uitspraak:

‘Het letterlijk navolgen van het onderwijs Paulus is nu nog steeds een voorwaarde voor een op God gericht leven.’

 

Bespreek met elkaar wat je aanspreekt in de brieven van Paulus of wat je juist moeilijk vindt.