Reageren op ongeregeldheid

Bijbelstudie 5 over de brieven aan Thessalonica

Index

 

Inleiding

Nu en straks

De structuur van het gedeelte

2 Thessalonicenzen 3

Vers 1-5

Medestrijders gevraagd

Het Woord van de Heere

De tegenstanders

Verlossing

Het werk van de boze

De Heere is trouw

Gerichtheid gewenst

Reageren op ongeregeldheid (vers 6-16)

Ongeregeldheid

Niet willen werken, maar wel willen eten

Het voorbeeld van Paulus

Algemene ongeregeldheid

Zich onttrekken

Pastoraal

Laat je niet van de wijs brengen

Broeders

Algemene aanpak van ongeregeldheid

De hand in eigen boezem

De beste wensen

Gesprekspunten

 

Inleiding

 

Nu en straks

In de vorige bijbelstudie stond de boodschap uit 1Thess.3:12-13 centraal. Paulus wenst de gelovigen toe dat ze zullen toenemen en overvloedig worden in liefde, met als doel het onberispelijk verschijnen in heiligheid bij de komst van Jezus Christus. Het doel is dat Christus op die dag verheerlijkt zal worden in gelovigen (2Thess.1:10).

In deze bijbelstudie houden we ons bezig met wat Paulus schrijft in 2Thess.3. In de aanloop naar dat gedeelte (2Thess.2) wordt opnieuw het verband gelegd tussen het ‘straks’ en het ‘nu’, alleen dan omgekeerd. Vanuit het gezichtspunt van ‘straks’ is het zaak dat het leven ‘nu’ daardoor gevormd wordt. Concreet noemt Paulus hier: goede werken en woorden.

‘Nu’ en ‘straks’ fungeren beiden als oorzaak en gevolg.

Het leven hier op aarde moet staan in het teken van ‘straks’ (1Thess.2:12-13).

Dat wat er ‘straks’ zal gebeuren, moet consequenties hebben voor het ‘nu’ (2Thess.1:10-12).

Het leven wat we nu met Christus leven, moet in balans zijn met het doel wat ‘straks’ bereikt moet worden.

 

In dit kader praten we over ongeregeldheid. Vragen die aan de orde zullen komen, zijn:

-          Wat wordt er bedoeld met ongeregeldheid?

-          Hoe zwaar weegt dit, in relatie tot het doel van ons geestelijke groeiproces?

-          Hoe gaan we om met ongeregeldheid in ons eigen leven?

-          Hoe reageren we op ongeregeldheid in het leven van een andere gelovige?

 

De structuur van het gedeelte

Om grip te krijgen om de boodschap van 2Thess.3, heb ik zoals gewoonlijk geprobeerd om een visualisatie te maken. Ik heb daarbij ook de hoofdlijnen van 2Thess.1 en 2 weergegeven. Hoofdstuk 3 staat niet los van de twee hoofdstukken daarvoor.

Wat betreft de structuur viel het me op dat Paulus zich in deze brief vijf keer richt tot de broeders. Elke keer dat hij dat doet, volgen er een aantal vermaningen, vragen of bevelen.

Vanuit de algemene toekomstbeschouwing van hoofdstuk 1, behandelt Paulus in de hoofdstukken daarna drie thema’s:

-          de afval die vooraf zal gaan aan de Dag des Heeren

-          de vraag om gebed voor de situatie waarin hij verkeert

-          het omgaan met ongeregeldheid in de gemeente

Elk van deze thema’s wordt afgesloten met een wens van Paulus.

Paulus eigen, is het ook voor het verstaan van de boodschap weer belangrijk om de hoofdlijnen te onderscheiden van uitwijdingen. In elke van de drie gedeelten is een uitwijding aanwezig, die steeds begint met ‘want’.

 

2 Thessalonicenzen 3

 

Vers 1-5

In dit hoofdstuk beschrijft Paulus twee verschillende reacties op mensen. Het is belangrijk om dit onderscheid helder te hebben.

In vers 1-5 heeft hij het over onbehoorlijke en boze mensen, waarvan hij verderop laat merken dat ze niet trouw zijn; niet het geloof hebben. Van hen wil hij verlost worden.

In vers 7-16 heeft hij het echter over broeders die een ongeregelde levenswandel hebben. Zij hebben een stevige aanpak nodig, maar wel in de relationele, gemeentelijke sfeer. Het blijven wel broeders, ondanks het leven wat ze leiden.

 

Medestrijders gevraagd

Paulus begint deze paragraaf met de vraag om gebed, gebed om de voortgang en verheerlijking van Gods Woord en om redding van de onbehoorlijke en boze mensen. Deze vraag om gebed helpt ons om de situatie helder te krijgen waarin Paulus verkeert. Hij is op dat moment in Korinthe (Hand.18:1-17). De periode dat hij daar gewerkt heeft, is er een van strijd geweest. We krijgen daar in Hand.18:6, 12 een indruk van.

Paulus vraagt allereerst om gebed voor de voortgang en verheerlijking van Gods Woord. Ook in Korinthe heeft Paulus Gods Woord kunnen doorgeven, maar er is meer nodig dan dat. Er is gebed nodig voor de uitwerking en doorwerking van dat Woord. Gods Woord komt pas tot zijn doel als het doet wat Hem behaagt (Jes.55:11). Een krachtige prediking van het Woord lokt ongetwijfeld ook de krachtige weerstand van de tegenstander op. Het is een strijdterrein en in die strijd vraagt Paulus hulp. Het is niet de enige keer dat Paulus in zijn brieven het gebed koppelt aan strijd (Rom.15:30; Ef.6:18; Kol.4:12). Hij zoekt medestrijders in de gebedsstrijd.

 

Het Woord van de Heere

Het Woord van de Heere moet namelijk zijn voortgang hebben. Het Woord van de Heere wordt hier vergeleken met een boodschapper; een bijbels beeld (Jes.55:11; Ps.147:15; Hand.12:24). Het Woord beweegt zich voort.

Het Woord van de Heere moet ook verheerlijkt worden. Het grondwoord wat hier gebruikt wordt (doxazo - 1392), maakt duidelijk dat het gaat om de eer en verhoging van Gods Woord. Gods Woord wordt verheerlijkt in het komen tot het doel. Het proces wat in gang gezet wordt als Gods Woord gezaaid wordt, moet doorgaan, afgemaakt worden. Denk aan een atleet, die zich beweegt in de renbaan. Hij is er helemaal op gericht om het doel te bereiken.

 

De tegenstanders

De tegenstander zal proberen om dit werk te dwarsbomen. In de situatie waarin Paulus zich bevindt, gebruikt hij daar mensen voor. Paulus omschrijft hen als onbehoorlijke (atopos – 824 – boosaardig, schadelijk) en boze (poneros – 4190 – slecht, boos, misdadig) mensen. Het zelfde woord voor ‘boos’ gebruikt hij in het vers erna voor ‘de boze’, de satan zelf. Uit het woordgebruik van Paulus kunnen we duidelijk opmaken dat hij het hier heeft over mensen die geen broeders zijn (zie ook Matth.6:12; 1Thess.5:12). Deze mensen zijn verbonden aan het kwaad. Bij hen is geen trouw of geloof (pistis – 4102 – geloof, betrouwbaarheid) te vinden.

Specifiek doelt Paulus waarschijnlijk op Joden in Korinthe (Hand.18:6,12). Ze hadden zo’n enorme kennis van de Schriften, maar keerden zich radicaal tegen het evangelie van de Christus der Schriften. Hun aversie uitte zich in het verdrukken van mensen, ook Joden, die tot geloof kwamen (1Thess.2:15-16).

 

Verlossing

Paulus vraagt gebed om de verlossing van deze mensen (zie ook Rom.15:31). Hij gebruikt hier het zelfde woord wat hij ook in 1Thess.1:10 gebruikt (rhuomai – 4506 – redden, bevrijden). Paulus is nooit de confrontatie met tegenstanders uit de weg gegaan. Hij ging ook nooit verdrukking uit de weg. Het is verbazingwekkend hoe volhardend hij was in het betreden van nieuwe ‘strijdterreinen’, om mensen, te winnen voor Gods Koninkrijk. Het was zijn gewoonte om steeds eerst bij de Joden te beginnen met zijn prediking. We zien echter in het boek Handelingen ook herhaaldelijk dat hij na verloop van tijd zijn conclusies trekt en daarna zijn doelgroep verbreedt, Joden en Grieken. Hij geeft de Joden de eerste kans, maar blijft zijn energie niet eindeloos aan hen verspillen. In eerste instantie was voor Paulus iedere mens die hij tegenkwam iemand om te redden, maar keerden mensen zich echter tegen hem en gingen ze zijn werk dwarsbomen, dan behoorden ze tot de groep tegenstanders. Het is niet waarschijnlijk dat Paulus met de vraag om verlossing bedoeld heeft dat God deze mensen zou wegnemen of dat ze bij hem uit de buurt zouden blijven. Veel waarschijnlijker is het dat hij met ‘verlossen’ bedoeld heeft dat zij hem niet zouden hinderen bij het voortzetten van zijn werk. Paulus bevond zich midden in de geestelijke strijd en, zoals dat ook bij ons het geval kan zijn, waren er genoeg manieren te bedenken, hoe het gedrag van deze mensen hem lam konden leggen bij zijn taak. Bedenken we dat deze tegenstanders opereren in lijn met ‘de boze’, dan begrijpen we dat Paulus vraagt om verlossing van hen; dat ze hem niet lam kunnen leggen. Op een zelfde manier schrijft hij in Ef.5:10-18 over de geestelijke strijd die we te voeren hebben tegen de boze machten in de hemelse gewesten. Als wij, in gebed, onze wapens niet aandoen, kunnen we ook geen stand houden in deze strijd. Alleen door gebed kunnen we standhouden en onze loop op aarde volbrengen.

 

Het werk van de boze

Het is opvallend hoe vaak Paulus in zijn twee brieven aan Thessalonica het werk van de boze benoemt. Satan is erg actief geweest rondom het werk van God in deze gemeente. Denk aan het verhinderen van Paulus om tot hen te komen en hun geloof te versterken (1Thess.2:18) en aan zijn zorg over het feit dat de verzoeker wellicht grip op deze gemeente gekregen zou hebben (1Thess.3:5). In zijn tweede brief schrijft Paulus over het werk van de satan, voorafgaand aan de Dag des Heeren (2Thess.2:7, 9).

 

De Heere is trouw

De broeders mogen echter weten dat de Heere hen zal bewaren voor de boze. Mensen kunnen ontrouw zijn, maar de Heere is en blijft altijd trouw. Gelovigen ervaren de strijd, maar het doel van God met hen zal door alles heen gerealiseerd worden. Het vervolg van 2Thess.3 laat echter zien dat de satan Gods werk wel gevoelige klappen kan toebrengen. Daarom is het ook steeds weer zaak om daar alert op te zijn en de geestelijke strijd te strijden (Ef.6:10-18).

 

Gerichtheid gewenst

Paulus besluit deze vijf verzen met een wens en ongetwijfeld heeft hij deze wens ook meegenomen in zijn gebeden voor deze gelovigen. Hij wenst hen toe dat de Heere hun hart zal richten tot de liefde van God en de volharding van Christus.

Met ‘richten’ bedoelt hij het ‘afgestemd zijn op’. Het gaat hier om meer dan een gerichtheid van het hart (het innerlijk) alleen; het gaat erom dat hun leven gekenmerkt moet worden door dat wat in hun hart is. Dat is allereerst de gerichtheid op de liefde van God. Binnen het kader van deze brief kunnen we hier zowel de liefde van God tot henzelf als de liefde van God die ze mogen doorgeven aan anderen verstaan. De liefde die God geeft is de bron van liefde tot de naaste (1Thess.3:12).

Met de volharding van Christus doelt Paulus waarschijnlijk op het feit dat ook Christus tegenstand heeft meegemaakt en toch is doorgegaan (vgl. Hebr.12:2-3). Christus ‘wacht Zijn tijd af’ om definitief af te rekenen met de vijanden (vgl. Hebr.10:13). In 2Thess.1:6-7 zegt Paulus iets vergelijkbaars tegen de gelovigen. De vergelding zal wachten tot straks. Gelovigen moeten leren om te volharden, door te gaan, zich niet van de wijs te laten brengen en af te wachten totdat het moment daar is dat God recht zal doen.

 

Reageren op ongeregeldheid (vers 6-16)

Van boze mensen, tegenstanders, moet je verlost worden. Er is hier geen op geen enkele manier enige vorm van relatie gewenst.

Bij de tweede groep mensen waarover Paulus in 2Thess.3 schrijft ligt dat echter anders. Ook tegen hen moeten stappen ondernomen worden, maar met het doel om hen te winnen voor Gods Koninkrijk; hen terug te brengen tot het juiste leven met God.

 

Ongeregeldheid

Eén van de doelen die Paulus noemt voor het leven van een christen op aarde, is dat de Naam van Christus in je verheerlijkt wordt (2Thess.1:12). Met het oog hierop stoorde Paulus zich enorm aan gelovigen in de gemeente van Thessalonica die er een ongeregeld leven op nahielden. Kortgezegd ging het hier over mensen die niet wilden werken en hun tijd vulden met nutteloze dingen, maar die wel graag onderhouden wilden worden door hun broeders en zusters. Al bij zijn eerste bezoek aan Thessalonica had Paulus hier iets van gezegd (2Thess.3:10). In zijn eerste brief aan hen verwijst hij er ook twee keer naar (1Thess.4:11-12 en 5:14). Het mag echter niets baten. De betreffende personen blijven gewoon volharden in hun verkeerde manier van leven. Voor Paulus is de nu maat vol. Hij gaat instructies geven hoe dit probleem aangepakt moet worden.

 

Niet willen werken, maar wel willen eten

Het woord wat vertaald wordt met ‘ongeregeldheid’ (ataktoos – 814) kan zowel vertaald worden met ‘ordeloos’ als met ‘nalatig’. In vers 11 wordt duidelijk dat Paulus mensen bedoelt die niet willen werken (met nadruk op ‘niet willen’) en hun tijd vullen met andere dingen die geen vrucht afwerpen, ijdele dingen.

 

Als de meest gangbare verklaring voor dit gedrag wordt vaak gezegd dat deze ongeregelde mensen zo in de ban waren van de spoedige wederkomst, dat ze gestopt zouden zijn met werken. Men onderbouwt dit door erop te wijzen dat Paulus in zijn tweede brief aan Thessalonica (men name in hoofdstuk 2) de overtrokken verwachtingen vanwege de eerste brief moet corrigeren.

Een moderne variant hierop zou de houding kunnen zijn dat christenen de gewone dingen van het leven (werk, gezin) gaan verwaarlozen omdat ze alleen maar bezig willen zijn met het ‘echte’ werk. Hiervan kunnen we rustig stellen dat dit niet naar Gods wil is. Paulus zou er zeker wat van gezegd hebben.

 

Zelf denk ik dat we hier meer moeten denken aan ‘gewone’ ongeregeldheid, los van ‘geestelijke motieven’ zoals het uitzien naar de spoedige wederkomst. Belangrijke argumenten hiervoor zij deze:

-          Al voor het schrijven van zijn eerste brief kaartte Paulus de ongeregeldheid in de gemeente van Thessalonica aan (2Thess.3:10). Dat was in de periode dat hij daar voor het eerst was (Hand.17). Al op dat moment, als hij nog nauwelijks onderwijs heeft kunnen geven over de wederkomst (vandaar ook de aanvulling in zijn brieven), constateert en benoemt hij de ongeregeldheid.

-          Het is bijbels gezien onmogelijk dat mensen die enerzijds vol van God zijn en verlangend naar de komst van Christus uitzien, anderzijds op een heel liefdeloze manier omgaan met hun broeders en zusters. Wie vol van liefde tot God is, is (of raakt) ook vol van liefde tot de naaste.

-          In zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen (1Thess.5:6) maakt Paulus duidelijk dat de verwachting van de spoedige wederkomst een heel andere levenshouding tot gevolg zou moeten hebben: ijver, wakker zijn.

Het gaat hier dus om mensen (gelovigen) die al langere tijd de gewoonte hebben om zich met nutteloze zaken bezig te houden en te leven op kosten van anderen. Welke motieven ze hiervoor hadden, krijgen we niet helemaal duidelijk.

 

Eén van de redenen waarom Paulus dit probleem aansnijdt, is dat een christen geen nemende, maar een gevende houding behoort te hebben. Iemand die niet werkt, kan ook niet meedelen aan mensen die dat nodig hebben (Gal.6:10; Ef.4:28). Het zorgen voor elkaar is de meest praktische uiting van liefde (1Thess.3:12).

 

Het voorbeeld van Paulus

Paulus, Silas en Timotheüs hebben tijdens hun verblijf in Thessalonica in hun eigen onderhoud voorzien. Hoewel ze ongetwijfeld gemerkt hebben dat ze door de broeders en zusters met liefde omringd werden, gingen ze er niet vanuit dat anderen hen wel - gratis - zouden onderhouden. Het zou heel goed kunnen zijn dat Paulus broeder Jason heeft betaald voor zijn gastvrijheid (Hand.17:5). Het zelf werken voor de kost was een zware bijkomstigheid voor deze broeders, die al de tijd die ze over hadden besteedden in het verkondigen van het evangelie. Toch was het dit waard, om het principe van zelfvoorziening, waarop Paulus is deze brief teruggrijpt, te bekrachtigen. Hij wist toen al dat er mensen waren die leefden op de zak van een ander.

 

Paulus kon zich, als hij dat wilde, beroepen op het recht om zich te laten dienen. De Bijbel geeft deze ruimte nog steeds (1Kor.9; Luk.10:7; Rom.12:13; 1Tim.5:17-18). Hij maakte echter van dit recht geen gebruik, in tegenstelling tot andere rondreizende predikers, die de mensen vaak tot last waren. Paulus wilde zijn hoorders absoluut niet tot last zijn (2Kor.11:7; 12:13; 1Thess.2:9).

Hij heeft wel eens giften aangenomen (2Kor.11:9; Fil.4:15-19), maar dit doet niets af aan zijn gewoonte om de mensen onder wie hij werkte niet tot last te zijn. Bovendien is een gift een verrassing; niet iets waar je bij voorbaat van uitgaat dat je het ontvangt.

 

Nu hij deze situatie in Thessalonica ziet, kan hij streng optreden tegen deze ongeregelden. Hij heeft namelijk steeds het goede voorbeeld gegeven. We zien hier een relatie tussen je eigen houding en het kunnen vermanen van anderen. In lijn met dit bijbelgedeelte zouden we kunnen stellen dat je alleen iemand kunt vermanen als je zelf niet over het zelfde vermaand zou moeten worden.

 

Algemene ongeregeldheid

Waarschijnlijk zegt de manier waarop sommige gelovigen in Thessalonica hun tijd verdeden ons, hardwerkende calvinisten, niet zo veel. Het zit ons vaak wel in het bloed om hard te werken en niet afhankelijk te zijn van anderen. Misschien neigt dat naar een ander ongezond uiterste…

 

Ik zie ruimte om het begrip ‘ongeregeldheid’ wat breder te trekken. In zijn eerste brief heeft Paulus het er ook al over gehad (1Thess.4:10-12). Zoals hij het daar presenteert, staat ongeregeldheid tegenover broederliefde en tegenover het geven van een goed getuigenis. De mensen die niet meer werkten werden parasieten, die het leven van hun hardwerkende broeders onnodig zwaarder maakten. Daardoor was het ook een anti-getuigenis tegenover hen die ‘buiten’ stonden.

Anti-broederliefde en anti-getuigenis staan in 1Thess.4 lijnrecht tegenover het geestelijke groeiproces in je leven (1Thess.3:12-13); tegenover wat wij doorgaans ‘heiliging’ noemen.

Hier ligt dus een algemeen verband tussen ongeregeldheid en heiliging. Onder ongeregeldheid kunnen we feitelijk alles scharen wat Gods doel met Zijn kinderen en Zijn Koninkrijk, nu op aarde en straks bij de wederkomst, in de weg staat. In lijn met het gedeelte kunnen we dan over ongeregeldheid spreken als iemand hiervoor al meerdere keren gewaarschuwd is en toch niet tot verandering komt. Het gevaar bestaat dat gelovigen die bij zichzelf constateren dat er in hun leven nog veel veranderd moet worden, zichzelf automatisch als iemand met een ongeregeld leven beschouwen. Paulus zegt dit echter alleen van sommige broeders en niet van alle gelovigen in Thessalonica. Zij zijn echter ook niet volmaakt en staan voluit in het proces van de heiliging (vgl. 2Thess.3:5).

 

Een gelovige die ongeregeld leeft, doet daarmee niet alleen zichzelf te kort, maar ook allen die met hem te maken hebben en bovendien ook de Heere God, die zo enorm veel in hem geïnvesteerd heeft.

 

Zich onttrekken

Gezien de waarschuwingen die Paulus al gegeven had en gezien de schade die ongeregeldheid toebrengt aan Gods Koninkrijk en eer, moet het ons niet verbazen dat Paulus hiermee korte metten wil maken. In vers 6 zegt hij dat de broeders zichzelf moeten onttrekken (stello – 4724 – verwijderen, onthouden van omgang) aan iedereen die leeft in ongeregeldheid. In vers 14 en 15 maakt hij duidelijk wat hij hier onder verstaat:

-          teken zo iemand

-          ga niet met hem om

-          wijs hem terecht

De persoon in kwestie moet allereerst getekend (semeion – 4593 – onderscheiden door een merk) worden. De Joden kenden dit gebruik ook, in het geval dat iemand zich niet aan de regels van de wet hield. Van zo iemand werd de naam voorgelezen in de synagoge, zodat iedereen kon horen om wie het ging en wat de voorgestelde aanpak was. Zo beveelt Paulus hier dat het voor iedereen duidelijk moet zijn om wie het gaat.

Het gevolg van dit ‘tekenen’ moest zijn dat niemand de persoon in kwestie meer zou voorzien van goederen, eten of onderdak. Deze persoon mag niet meer uitgenodigd worden voor maaltijden of andere ‘gezellige momenten’ waarbij hij op kosten van de gastheer zijn buik kan vullen. Hij ondervindt zo de gevolgen van het feit dat hij geen geld heeft om te eten. Het devies van Paulus is simpel: ‘Wie niet werkt, zal ook niet eten’.

Het feit dat de terechtwijzing (zo het lijkt verbaal) moet doorgaan, geeft aan dat bepaalde contacten nog zullen blijven bestaan. Te denken valt hier aan de onderlinge bijeenkomsten rondom het Woord.

Het uiteindelijke doel is om de broeder of zuster te winnen voor de eer en opbouw van Gods Koninkrijk (vgl.Gal.6:1) en vandaar dat er ook een bepaalde vorm van contact moet blijven.

NB. In het geval van hoererij beval Paulus tot een andere aanpak (1Kor.5). Wie zich hieraan schuldig maakte, moest uit de gemeente weggedaan worden (1Kor.5:13).

 

Pastoraal

Dit is een heftige aanpak, vooral in de cultuur van het Midden-Oosten, waarin gastvrijheid hoog aangeschreven stond en staat. Toch kan het ook een heel heilzame behandeling zijn, die ertoe leidt dat de persoon beschaamd wordt, zich gaat schamen voor zijn gedrag en terugkeert op zijn schreden.

Het lijkt er op dat Paulus gelooft in het positieve effect van deze aanpak. Als alle mensen om je heen een stapje achteruit doen, dan blijft voor een afgedwaalde gelovige de Heere, aanwezig door Zijn Geest, over om je te laten zien wat je te doen staat.

 

Als we de liefde die achter deze aanpak schuilt, zichtbaar willen maken, moeten we van elk aspect van de aanpak het tegenovergestelde bekijken.

 

De aanpak die Paulus beveelt staat ten eerste tegenover besluiteloosheid. Het is goed mogelijk dat Paulus ondermeer zulke stevige regels geeft, omdat de gemeenteleden er samen nog niet uit zijn over hoe ze met de ongeregelden moeten omgaan. Wellicht waren er verschillende meningen over: geduld hebben, aanpakken, iemand afschrijven als broeder of zuster. Er was in ieder geval nog geen plan van aanpak en dat mag ons best verbazen als we weten dat deze gemeente door Paulus de voorbeeldgemeente van Macedonië genoemd wordt (1Thess.1:7). Deze misstand bestaat al geruime tijd en is nog steeds niet aangepakt. Hij geeft hen nu een bevel.

 

Met deze aanpak komt er ook een einde aan het voortdurende waarschuwen van mensen. Er wordt nu een daad gesteld. Het steeds maar opnieuw kansen geven aan iemand die zijn leven niet op orde heeft, kan dan wel liefdevol lijken, maar heeft vaak niet het gewenste effect. Het iemand steeds weer de hand boven het hoofd blijven houden heeft misschien wel veel meer met eigenliefde te maken; je kunt het niet aanzien dat de ander bijvoorbeeld weer eens geen eten op de plank heeft. Liefde voor de ander is in dit geval echter dat diegene eens echt ‘door de bodem zakt’ en teruggeworpen wordt op zichzelf en zo tot bezinning komt. Ongeregeldheid brengt nooit echt geluk. Je moet er van verlost worden en om dat te bewerken kan een stevige ‘prikkel’ heel heilzaam zijn.

 

Paulus spreekt hier de hele gemeente aan. Samen moeten zij zich op de zelfde manier opstellen tegenover het betreffende gemeentelid. Als slechts enkelen dit zouden doen, zou het probleemgedrag niet stoppen, omdat er altijd wel anderen mensen te vinden zouden zijn waarbij de persoon aan tafel kon schuiven. Hoe meer eenduidigheid er is in aanpak, hoe heilzamer dat is voor degene die tot bezinning moet komen.

 

Het ‘tekenen’ heeft de functie van ‘openbaar maken’. Dat staat tegenover bedekken, iets wat ook nog veel te vaak gedaan wordt. De mantel der liefde… Een ernstig probleem los echter je niet op door het te bedekken, maar door het open te gooien. Het mes moet erin; de wond moet open en daarna kan er pas sprake zijn van genezing. Jacobus en Petrus hebben het in hun brief beiden over ‘het bedekken van zonde / door liefde’ (Jac.5:20; 1Petr.4:8), maar in beide gevallen maakt de context duidelijk dat we deze teksten niet mogen gebruiken om de voorgestelde aanpak van Paulus af te zwakken.

 

Paulus geeft ons in dit stuk inzicht in pastorale problematieken. Zijn aanpak, die wellicht hard en liefdeloos lijkt, blijkt in werkelijkheid effectief en dus liefdevol te zijn.

 

Laat je niet van de wijs brengen

Paulus heeft niet alleen oog voor de ‘zondaar’, maar ook voor de gelovigen die met deze mensen moeten omgaan. Hij bemoedigt hen om door te gaan (niet moe te worden) met goed doen. Als mensen misbruik van je maken en zelf rond blijven dobberen in hun halfslachtige leven, dan kun je de neiging hebben om te stoppen met alle goedigheid. Je kunt, hoe begrijpelijk ook, doorschieten naar liefdeloos gedrag. Zo krijgt de satan dubbel zijn zin. Het lijkt wel op de situatie waarvoor Paulus gebed vroeg. Hij wilde graag op dezelfde manier doorgaan met het verkondigen van het evangelie, en mocht zich daarom niet lam laten leggen door de tegenstanders. Paulus roept de gelovigen van Thessalonica op om hun drang om goed te doen niet te laten beïnvloeden door het misbruik wat sommigen daarvan zouden kunnen maken. Blijf goed doen…ook aan de ongeregelden. In dit geval is dat wel op een speciale manier: goedheid die pas veel later gewaardeerd zal worden.

 

Broeders

Over één ding wil Paulus de broeders nog onderwijzen: over hoe ze de ongeregelde broeder of zuster moeten zien. Paulus benadrukt dat het hier gaat over ‘broeders’, gelovigen. Een prachtige afkadering van deze ‘tuchtmaatregel’. Het onttrekken moet, in het geval dat het gelovigen betreft, altijd in het teken staan van herstel. We moeten zonden afwijzen, maar mensen niet. Het is veel simpeler om mensen die een ongeregeld leven leiden gemakshalve maar aan de kant van de ‘vijanden’, de ongelovigen te zetten en de mensen die het allemaal wel op orde hebben in het rijtje van gelovigen te plaatsen. Er is er echter maar Eén die het hart kan beoordelen en dat is God zelf. Het is nog niet de tijd om te oordelen. Het is de tijd om tot geloof en bekering te komen. Wij mogen, moeten (1Thess.5:11) elkaar duidelijk, maar tegelijk ook in alle bescheidenheid vermanen. En laten we vooral niet vergeten dat we zelf ook vermaning moeten accepteren als we zelf in ongeregeldheid vervallen.

 

Algemene aanpak van ongeregeldheid

Ik heb hiervoor de lijn van specifieke ongeregeldheid (niet willen werken, maar wel willen eten) doorgetrokken naar algemene ongeregeldheid. Hier valt mijns inziens alles onder wat het doel van God met gelovigen en de uitbreiding van Zijn Koninkrijk in de weg staat. Ongeregeldheid blokkeert de persoonlijke geloofsgroei, de liefdevolle omgang met je geloofsgenoten en het getuigenis naar buitenstaanders.

 

Echter, het doorvertalen van de specifieke aanpak van Paulus naar een algemene aanpak van ongeregeldheid in onze tijd, is niet eenvoudig. De oplossing voor iemand die niet wil werken, platgezegd: zorgen dat hij nergens meer kan eten, zodat hij vanzelf tot bezinning komt, is goed passend in die situatie. Maar wat kun je voor richtlijnen uit dit gedeelte afleiden voor alle andere situaties die vallen onder ongeregeldheid in de meest algemene zin?

 

Vanuit de informatie onder het kopje ‘pastoraal’ kunnen we een aantal algemene ‘regels’ afleiden:

-          Het is belangrijk dat zoveel mogelijk mensen om de betrokkene heen het zelfde signaal afgeven. Dat zou in principe mogelijk moeten zijn als ze de zelfde Bijbel lezen en door de zelfde Geest geleid worden. De persoon moet a.h.w. maar één kant op kunnen. Vaak zie je dat mensen gaan ‘shoppen’ van de een naar de ander.

-          Blijf niet eindeloos de gevolgen oplossen die iemand ondervindt door het maken van foute keuzes, vooral niet als blijkt dat de persoon daardoor niet voldoende geprikkeld wordt om terug te komen van het verkeerde pad. De persoon moet op een gegeven moment de gevolgen van zijn eigen keuzes ten volle kunnen beseffen, zodat hij hopelijk ‘de goede kant uit schrikt’.

-          Laat je niet wijsmaken dat het stevig aanpakken van iemand liefdeloos is. De liefde zoekt het beste voor de ander. Dat is ook jouw doel, maar de weg daarheen kan lang en zwaar zijn.

-          Omgeef de persoon die weer ‘op de rails moet komen’ met gebed en wijze raad.

-          Zet de omgang met de persoon op een lager pitje als blijkt dat er niets in de situatie verandert. Hiervan gaat een signaalfunctie uit naar de betreffende persoon, maar het helpt je ook om voor jezelf helder te houden wat goed en fout is. Het gevaar bestaat dat je door omgang met iemand een vertroebelde blik krijgt op de situatie.

 

Ongeregeldheid valt feitelijk onder zonde. Als er zonde is in het leven van een gelovige, dan wijst de Bijbel daar maar één weg voor aan. De zonde moet beleden worden naar God toe en naar elkaar en als er daarna een breuk komt met de zonde, is de weg naar God en naar elkaar toe weer open (Joh.8:11 1Joh.1:9). Gelovigen om deze persoon heen kunnen een grote rol vervullen in het bewust maken van de persoon van zijn probleem. Dit kan door de bovengenoemde aspecten toe te passen.

 

Van groot belang is of de persoon ‘gered’ is of niet. Het is goed om te weten of er bij de persoon zekerheid is over de eeuwige bestemming. Heeft iemand die zekerheid niet, dan is redding de eerste stap. Levensverandering zonder geloof in het offer van Jezus is onmogelijk. Heeft iemand die zekerheid wel, dan kan de ongeregelde levenswandel ook te maken hebben met een stuk onkunde. Begin daarom dus altijd met onderwijzen en neem daar geduldig een poos / periode de tijd voor. Paulus kwam ook niet gelijk aan met deze maatregelen.

 

Het is een zegen als je zelf een levend voorbeeld voor een ander kunt zijn. Je kunt dan het probleem aanwijzen, maar ook de ander helpen om tot verandering te komen. Als je zelf je eigen leven niet op orde hebt, is het niet gemakkelijk om vol overtuiging de ander de goede weg te wijzen. Wil je een instrument zijn in handen van God voor de mensen, gelovigen om je heen, laat je dan allereerst zelf vormen door de handen van de grote Dokter (Luk.5:31-32).

 

De hand in eigen boezem

We trekken de lijnen door naar ons eigen leven en dat van de gelovigen waartussen we ons bevinden. Ik denk dat dit gedeelte een aantal stevige vragen voor ons in petto heeft.

 

-          Leiden wij een geregeld leven, een leven wat dienstbaar is aan het grote doel van God, liefdevol en wervend? Kunnen we vermanen, of moeten we vermaand worden?

-          Durven we de aanpak die Paulus beveelt (!) nog toe te passen in onze gemeente, in de kring van gelovigen waartoe we behoren? We beseffen dat dit grote consequenties met zich meebrengt voor hoe we met andere gelovigen omgaan. Niet iedereen zal ons dat in dank afnemen. Zijn we bereid deze ‘prijs’ te betalen (het verwijt dat je liefdeloos bent), met het oog op echt herstel van de gelovige, met het oog op de eer van glorie van Gods Koninkrijk?

-          Zijn we zelf bereid om ons te laten vermanen als dat nodig zou zijn?

-          Schrijven we gelovigen die in ongeregeldheid verzinken af, of kunnen we iemand blijven zien als broeder of zuster. Blijven we deze persoon ook omringen met gebed?

 

De beste wensen

In 2Thess.3:16 lezen we de derde wens die Paulus in de brief opschrijft. Hij wenst gelovigen die willen leven met God, iets toe: voortdurende vrede, in elk opzicht. Deze vrede is onlosmakelijk verbonden met dat wat hij daar achteraan zegt: ‘De Heere zij met u allen’. Vrede is een kenmerk voor je leven met God, hier op aarde (Fil.4:6-7; Kol.3:15). De Heere wil je met Zijn aanwezigheid innerlijke rust en stabiliteit geven.

 

Opvallend vind ik wel, dat Paulus alle drie de keren de wens laat vooraf gaan door opdrachten. Omdat we aan het begin staan van een nieuw jaar, wil ik daar nog het volgende van zeggen: een wens compenseert niet de verkeerde keuzes die je maakt. De Heere wijst je in Zijn Woord steeds weer op je verantwoordelijkheden, maar Hij wil je ook zegenen: met kracht en met Zijn aanwezigheid.

Je wenst iemand iets toe om dat je graag wilt dat het goed met hem gaat. Laten we onze wensen gepaard laten gaan met vermaning als dat nodig is. Ook dat is heilzaam voor de ander.

 

Gesprekspunten

 

N.a.v de inleiding

 

1.       Wat voor invloed heeft jouw kennis over straks op het leven wat je nu leeft? 1/2:12-13, 2/1:10+12

Probeer vanuit het beoogde doel eens tot concrete leefregels voor jezelf te komen.

 

N.a.v. vers 1-5

 

2.       Doe jij mee in de gebedsstrijd rondom Gods Woord? Hoe?

 

3.       Doorgang van Gods Woord in je leven? Geen stilstand, maar vooruitgang?

 

4.       Ervaar jij tegenstand? Wat is de juiste weg hierin? Hoe kunnen we je helpen?

 

N.a.v. vers 6-16

 

5.       Heb jij een geregeld leven met God? Hoe stel je dat vast? Wat zijn criteria?

 

6.       Als je leven niet geregeld is, waarom is dat dan nog niet veranderd?

 

7.       Ben je wel eens vermaand en wat heb je daarmee gedaan?

 

8.       Ben je in de positie om te vermanen?

Zijn je woorden en daden in overeenstemming, net zoals bij Paulus het geval was?

Kun je elkaar wat tips geven m.b.t. het vermanen in liefde?

 

9.       Wat vind je van de pastorale aanpak die Paulus voorstelt?

Herken je de processen die er kunnen spelen bij betrokkenen?

 

Voor het gebed

 

Welke stappen moet jij gaan nemen?

Wat moet je belijden tegenover God?

Waarin heb je (gebeds)steun nodig?