Voorbeeldgemeente

Bijbelstudie 1 over de brieven aan Thessalonica

Index

 

Achtergrondinformatie

Paulus en de Thessalonicenzen – het verhaal uit Handelingen

Tijdpad van de tweede zendingsreis

De stad Thessalonica

De brieven aan Thessalonica

Een voorbeeldgemeente

1Thess.1:1-10

- Bespreking

- Gesprekspunten

1Thess.2:13-16

- Bespreking

- Gesprekspunten

2Thess.1:1-5

- Bespreking

- Gesprekspunten

Tot slot

 

Achtergrondinformatie

 

Paulus en de Thessalonicenzen – het verhaal uit Handelingen

In Handelingen 16 wordt beschreven hoe tijdens de tweede zendingsreis van Paulus een nieuw gebied geopend wordt voor het evangelie: Macedonië. Paulus gaat daar samen met Silas (15:40), Timotheüs (16:3) en Lukas (16:11) heen.

De eerste stad waar Paulus zijn werk doet, is Filippi. Na het gebeuren rondom de slavin, de gevangenneming van Paulus en Silas en de aardbeving in de nacht, wordt hen verzocht om de stad te verlaten. Via Amfipolis en Appolonia gaan ze naar Thessalonica (17:1-9).

Paulus begint in de synagoge met zijn gebruikelijke onderwijs over Christus. Hij legt aan de Joden drie sabbatten lang de Schriften uit. Enkele Joden laten zich overtuigen en daarnaast een grote groep van Grieken (die God vereerden – wsch. als één van hun goden) en veel voorname vrouwen.

De jaloerse Joden veroorzaken een oproer en willen Paulus en Silas voor de volksvergadering brengen. Lees de reden van hun afkeer in 1Thess.2:15-16. Ze kunnen hen niet vinden en sleuren daarom Paulus’ gastheer Jason en een paar andere broeders voor het stadbestuur. De beschuldiging luidt:

-          Zij die de wereld in opschudding brengen, zijn ook hier gekomen en logeren bij Jason.

-          Ze handelen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren dat er geen andere koning dan Jezus is.

Net als in de tijd van Jezus’ veroordeling en kruisiging, zie je ook hier dat de vijandige Joden via de wereldlijke rechter hun gelijk proberen te krijgen. Ze camoufleren echter hun eigenlijke beweegredenen.

De bevolking en stadsbestuurders raken door deze berichten ongerust en laten Jason en de anderen vrij op borgtocht. De broeders sturen Paulus en Silas ’s nachts naar Berea (17:10-14). Daar gaan zij aan het werk op dezelfde wijze als in Thessalonica (eerst de Jood, dan de Griek – Rom.1:16), maar met ander resultaat. De Joden van Berea nemen het woord van Paulus aan en onderzoeken ook dagelijks de Schriften. Vele Joden komen tot geloof en daarbij ook veel aanzienlijke Griekse mannen en vrouwen.

De Joden uit Thessalonica horen van het werk van Paulus in Berea en komen daarheen om de mensen tegen Paulus op te zetten. De broeders van Berea laten Paulus vertrekken richting de zee, maar Silas en Timotheüs blijven nog in Macedonië. Paulus gaat naar Athene (17:15) en daarna naar Korinthe, waar ook Silas en Timotheüs weer bij hem komen (18:5).

Over het achterblijven van Timotheüs in Macedonië wijdt Paulus uit in 1Thess.3:1-6. Timotheüs is (naar we mogen aannemen samen met Silas) terug gegaan naar Thessalonica, om daar de gelovigen te versterken in de verdrukking, die ook na Paulus’ vertrek blijft. We moeten hier denken aan een combinatie van verdrukking door de Joodse stadsgenoten, maar ook door de Romeinen. De christenvervolging kwam rond het jaar 50 op gang.

 

Het is niet bekend hoe lang Paulus in Thessalonica is geweest. We weten dat hij drie sabbatten lang gepreekt heeft in de synagoge, maar we weten niet hoe lang de tijd tussen Hand.17:3 en 5 geduurd heeft. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat hij na de drie sabbatten wel verder heeft gepreekt op andere plaatsen. 1Thess.2:1-12 geeft aanleiding om te denken dat Paulus wel iets langer dan vier weken aanwezig is geweest in deze stad.

 

Paulus wekt in 1Thess.3:1-6 de indruk dat hij Timotheüs vanuit Athene terug gestuurd heeft naar Thessalonica, terwijl we dat uit Hand. 17:14-15 niet op kunnen maken. Het kan gezien de chronologie van Paulus’ reizen en brieven niet anders of het gaat hier over de zelfde gebeurtenis, maar toch lijken de verhalen niet te kloppen. Mogelijke verklaring is dat Lukas er rond de periode Thessalonica-Berea niet bij was en het verhaal achteraf van Paulus gehoord heeft. In 16:16 en 20:6 komen de wij-vorm tegen, terwijl in 17:1 over ‘zij’ gesproken wordt. In zijn eerste brief aan Thessalonica vertelt Paulus echter zijn eigen verslag. Veel uitleggers menen dat Lukas op de tweede zendingsreis in Filippi gebleven zou zijn en weer met Paulus is meegetrokken vanaf het moment dat Paulus daar op zijn derde zendingsreis weer langskomt. Dit zou dan de bovenstaande uitleg onderstrepen, hoewel we dan tegelijk moeten constateren dat Timotheüs bij zijn terugkomst in Thessalonica blijkbaar niet zo’n nauwkeurige weergave van het verhaal heeft gegeven aan Lukas. Overigens is het onder theologen algemeen bekend dat het relaas van het boek Handelingen wel vaker voor hoofdbrekens zorgt, als we het bijvoorbeeld vergelijken met informatie uit de brieven van Paulus. Het boek Handelingen is geschreven rond het jaar 63 en het is de vraag in hoeverre Lukas gebruik heeft gemaakt (kunnen maken) van de brieven van Paulus bij het opschrijven van zijn reiservaringen. Hij moest het waarschijnlijk grotendeels doen met informatie die hij zelf onthouden had.

 

Tijdpad van de tweede zendingsreis

In Hand.15:40-18:22 lezen we het verslag van Lukas over de tweede zendingsreis van Paulus. Het grootste gedeelte van deze reis (18 maanden lang) heeft hij doorgebracht in Korinthe.

 

Reis door Macedonië en Achaje (Griekenland)

-

Troas

-

Filippi

-

Thessalonica

Berea

Athene

Korinthe

-

 

Hd.16:11

 

Hd.16:13-40

 

Hd.17:1-10

Hd.17:10-14

Hd.17:15-34

Hd.18:1-18

 

 

 

 

1Th.2:1-2

 

 

T. en S. blijven;

P. gaat al naar Athene. 17:14-15

T. bezoekt Thessalonica.

1Th.3:1-2

T. en S. komen weer bij P. terug. 18:5; 1Th.3:6

 

 

De stad Thessalonica

Deze stad, die nu Thessaloniki heeft, was vroeger al een belangrijke stad in Macedonië. De koning van Macedonië stichtte de stad in 315 voor Chr. en noemde haar naar zijn vrouw, de zus van Alexander de Grote. In de Romeinse tijd kwam de stad tot bloei door de gunstige ligging aan de Egeïsche Zee en aan de Via Egnatia, de doorgaande weg naar Byzantium. Thessalonica werd toen de eerste stad van Griekenland en telde in de tijd van Paulus ongeveer 100.000 inwoners, waaronder veel Joden. Na Athene is Thessalonica nu nog steeds de belangrijkste stad van Griekenland.

 

 

De brieven aan Thessalonica

Beide brieven zijn geschreven door Paulus, Timotheüs (Hand.16:1-3) en Silas (Hand.15:40) (= Silvanus) tijdens de tweede zendingsreis, tussen 51-53, vanuit Korinthe. Het zijn, voor zover ons bekend, de eerste twee brieven die Paulus schrijft.

De eerste brief schrijft Paulus n.a.v. de berichten die hem door Timotheüs overgebracht zijn vanuit Thessalonica (Hand.18:5; 1Thess.3:6). Paulus prijst hen daarin voor hun volharding in het geloof en geeft hen onderwijs (vermaning) over een aantal onderwerpen die in de gemeente spelen.

In de tweede brief, die kort na de eerste geschreven wordt, weidt Paulus uit over een aantal punten die hij in de eerste brief ook al heeft aangestipt.

Tijdens zijn derde zendingsreis heeft Paulus de gemeente van Thessalonica nog een keer bezocht (Hand.20:1-4). Zie voor het bewijs hiervan ook Fil.4:16.

 

Nog een paar keer wordt er in de Bijbel gesproken over Thessalonica. Op Paulus’ reis naar Rome wordt hij vergezeld door Aristarchus, de Macedoniër uit Thessalonica (Hand.27:2). In zijn brief aan de Filippenzen bedankt Paulus hen voor het feit dat ze hem meer dan eens gaven gestuurd hebben om hem te onderhouden toen hij in Thessalonica verbleef (Fil.4:16). Aan het einde van zijn leven deelt Paulus ons mee dat één van zijn medewerkers, Demas, hem verlaten heeft en vertrokken is naar Thessalonica (2Tim.4:10).

 

Een voorbeeldgemeente

De gelovigen van Thessalonica worden aan het begin van beide brieven geroemd om hun leven met God en het getuigenis wat daarvan uitgaat naar andere gelovigen. Het zijn christenen om een voorbeeld aan te nemen, ondanks het feit dat ze nog maar kort geleden tot geloof gekomen waren. Maar waarin zijn ze – ook voor ons – een voorbeeld?

 

 

1Thess.1:1-10

 

1 Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, (welke is) in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, <onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.>

2 Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;

3 Zonder ophouden gedenkende:

·         het werk uws geloofs,

·         en den arbeid (inspanning) der liefde,

·         en de verdraagzaamheid (volharding) der hoop op onzen Heere Jezus Christus,

voor (tegenover) onzen God en Vader;

4 Wetende, (door God) geliefde broeders, uw verkiezing van God (dat u uitverkoren bent);

 

5 Want: ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den

Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.

 

6 En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;

 

7 Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje.

8 Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken.

9 Want zijzelven verkondigen van ons,

§         hoedanigen ingang wij tot u hebben (hadden),

§         en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen.

§         10 En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.

 

 

Bespreking

Paulus dankt in zijn gebeden voor de gelovigen van Thessalonica, als hij denkt aan het werk van hun geloof, de inspanning van de liefde en de volharding in de hoop op Jezus Christus. Hij dankt hiervoor en gedenkt dit in gesprek met God de Vader, wetende dat ze door Hem uitverkoren zijn.

Paulus leidt dit af uit het volgende:

-          Het feit dat hij destijds heel krachtig de boodschap van het evangelie heeft kunnen brengen. Het spreken van ‘logos’ was voor Paulus altijd een bevestiging dat God op die plaats werkzaam wilde zijn (zie studie over Handelingen en Hand.16).

-          Het feit dat ze navolgers van hemzelf (1Thess.3:7; 2Kor.7:5) en van de Heere (Hebr.12:2) geworden zijn, doordat ze het Woord hebben aangenomen in veel verdrukking (1Thess.3:4) en met veel blijdschap van de Heilige Geest.

Hierin zijn de gelovigen van Thessalonica een voorbeeld geworden voor de gelovigen in Macedonië en Achaje (het noorden en zuiden van het huidige Griekenland). Dit getuigenis kent de volgende elementen:

-          De plaats die ze geven aan de persoon en het onderwijs van Paulus.

-          De radicale omkeer van afgodendienst naar de het dienen van de waarachtige God.

-          Het feit dat ze de Zoon van God uit de hemelen verwachten.

Dit getuigenis werkt aanstekelijk (is het omdat mensen behoefte hebben aan levende voorbeelden?) en zo fungeren deze gelovigen zelfs als wegbereiders voor Paulus zelf.

 

Samengevat is de reden van Paulus’ dankzegging:

-          Het aannemen van het Woord van God in een situatie van verdrukking en het behouden van de blijdschap daarin.

-          Het werk van geloof en liefde, wat in hun leven te zien is.

-          Het getuigenis (en daarmee een stimulans) die daarvan uitgaat naar andere gelovigen.

-          Het erkennen van de positie van Paulus en het navolgen van zijn voorbeeld en onderwijs.

-          Een radicale breuk met de afgodendienst.

-          Het vooruitzien naar de komst van de Zoon uit de hemelen.

 

Gesprekspunten

1.       Welk van de ‘kenmerken’ van deze gelovigen is volgens jou het meest vanzelfsprekend?

2.       Leg je leven eens naast de ‘kenmerken’ van de deze gelovigen.

-          Welke van deze elementen kenmerken ook jouw leven met God?

-          Waarin schiet je te kort? Hoe ga je daar (voortaan) mee om?

-          Wat is het getuigenis wat er van jouw leven en dat van gelovigen om je heen uitgaat? Hoe stel je dat vast?

-          Hoe reageer je op het feit dat er een verband ligt tussen het leven van een gelovige en de mate waarin het getuigenis van God daardoor ondersteund wordt?

3.       Wat voor uitwerking heeft het getuigenis van andere gelovigen (mensen die dicht bij God leven) op jouzelf?

4.       Hoe radicaal is jouw bekering geweest? Waarom is het gegaan zoals het gegaan is?

5.       Wat kunnen wij hier leren over verdrukking in relatie tot de evangelieprediking en het leven met God?

 

 

1Thess.2:13-16

 

13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet  als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.

14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;

15 Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn (tegen alle mensen zijn);

16 En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde (ten volle).

 

 

Bespreking

Het aannemen van het woord van Paulus prediking (1:6), Gods Woord, is de start geweest van het nieuwe leven wat deze gelovigen zijn gaan leiden. Ze kregen te maken met de mens Paulus (2:1-12), maar hoorden daarin de stem van Zijn Zender. Het Woord wat ze aannamen, werd vervolgens werkzaam in hun leven. Het blijft hen voeden en leiden in hun leven met God en mensen.

Deze gelovigen zijn niet alleen navolgers van Paulus en Jezus geworden (1:6), maar ook van de gelovigen in Judea. Het punt van overeenkomst is dat beiden veel geleden hebben van hun eigen medeburgers. De Joden, die het leven van hun gelovige medebroeders zwaar maken, hebben (als collectief) ook Jezus, Gods profeten en ook Paulus en zijn reisgenoten vervolgd.

In Handelingen 17 lezen we over de vijandige houding van de Joodse stadsgenoten van de nieuwe gelovigen in Thessalonica. Paulus legt hier uit wat de reden van deze houding is: deze Joden hebben niet een gunnend hart voor niet-Joden, maar willen koste wat het koste verhinderen dat de boodschap van behoudenis tot hen gesproken zal worden.

Kunnen de Joden dit straffeloos doen? Nee. Zij maken de maat van hun zonden vol (Matth.23:32-33) en Gods toorn is ten volle over hen gekomen. Paulus doelt hiermee op de (tijdelijke) verwerping van Gods volk, waarover hij later in de brief aan de Romeinen uitvoerig schrijft (Rom.9-11).

Het is aangrijpend om te beseffen dat de houding van de Joden die Paulus hier beschrijft, het compleet tegenovergestelde is van wat God van Zijn volk zou mogen verwachten. Hij had hen apart gezet om hen te vormen en een ‘priesterschap’ te zijn voor de volken om hen heen (Ex.19:5-6), zodat Gods genade in de hele wereld zou doordringen.

 

Gesprekspunten

1.       Het Woord wat gebracht wordt kan krachtig (en door de Geest gevuld) zijn, maar je moet het wel aannemen. Waarom?

2.       Wat kunnen we leren van de Joden in Berea (Hand.17:10-12) als het gaat om hen aannemen van het Woord van God?

3.       Is Gods Woord werkzaam in jouw leven? Hoe stel je dat vast?

4.       Denk je er wel eens over na waarom niet alle mensen in jouw omgeving positief reageren op jouw relatie met God? Wat kunnen hun redenen zijn?

 

 

2Thess.1:1-5

 

1 Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, (welke is) in God den Vader, en den Heere Jezus Christus:

2 Genade zij u, en vrede, van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

3 Wij moeten God te allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is (zoals het betaamt), omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen jegens elkander overvloedig wordt;

4 Alzo dat wij zelven van u roemen in de Gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid (volharding) en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt;

5 Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods, voor hetwelk gij ook lijdt;

 

 

Bespreking

Ook aan het begin van zijn tweede brief beschrijft Paulus de dank die hij uit tegenover God, vanwege het toenemende geloof en de liefde van de gelovigen in Thessalonica.

Niet alleen vertellen gelovigen in andere gemeenten aan Paulus over het getuigenis wat van de gelovigen in Thessalonica uitgaat (1/1:9), maar ook Paulus zelf gebruikt dit getuigenis als illustratie bij zijn rondgang door de gemeenten. Specifiek noemt hij hier de volharding en het geloof te midden van vervolging en verdrukking. De aanvallen van de boze, uitgevoerd door medemensen, worden verdragen en men blijft volharden in het volgen van Jezus.

Paulus is niet alleen blij over deze volharding en verdraagzaamheid, omdat daardoor een krachtig getuigenis ontstaat, maar kan ook oprecht verheugd zijn omdat hij de afloop van het verhaal kent. Hier op aarde regeert de ongerechtigheid en lijkt het soms alsof God machteloos vanaf de zijlijn moet toekijken hoe Zijn kinderen moeten lijden, maar in werkelijkheid is het slechts een kwestie van tijd voordat God zal ingrijpen. Wie nu verdrukt, zal eens te maken krijgen met Gods vergelding en wie nu verdrukt wordt, zal eens verkwikt worden (1:6-7). God is recht-vaardig; Hij doet recht en Hij is daar ook vaardig in. Het is slechts een kwestie van tijd… Hij die op Gods tijd kan wachten en ondertussen doorgaat met het dienen van God, is het koninkrijk van God waard. Paulus verbindt in deze twee brieven het ‘waardig wandelen’ (1/2:12) met het ‘waardig geacht worden’ om bij Gods Koninkrijk te horen. Ik denk hierbij aan de ernstige woorden van Jezus in Matth.10:37-38.

 

Gesprekspunten

1.       We ruimen in onze gebeden vaak veel tijd in voor mensen waarmee het niet goed gaat; mensen waar je zorgen over hebt. In hoeverre dank je ook voor anderen die je ziet groeien in geloof, zoals Paulus dat ook doet? Waarom zou dat belangrijk kunnen zijn?

2.       Het toenemen van geloof en liefde zijn voor Paulus graadmeters voor de geestelijke groei van een gelovige. Leg je leven en dat van je gemeente er eens naast… Hoe zou het meer kunnen gaan lijken op dat van de gelovigen uit Thessalonica?

3.       Welke redenen zijn er voor een gelovige om verdrukking en vervolging te verdragen?

 

Tot slot

De jonge gelovigen uit Thessalonica geven ons te denken over ons eigen staan in het geloof en de wereld om ons heen. Ik hoop dat hun getuigenis ook jou zal inspireren om weer vol goede moed verder te gaan en je ogen op niemand anders te richten dan Jezus Christus alleen. Het mooie is dat we zo (alleen zo) ook een voorbeeld kunnen worden voor andere mensen en gelovigen om ons heen. Tot aan het einde der dagen blijven er mensen nodig die het licht in deze donkere wereld verspreiden.