|
Voorbeeldgemeente Bijbelstudie 1 over de
brieven aan Thessalonica |
|||||||||
|
|
|||||||||
|
Index Achtergrondinformatie Paulus en de Thessalonicenzen – het verhaal uit Handelingen Tijdpad van de tweede
zendingsreis Een voorbeeldgemeente - Bespreking - Gesprekspunten - Bespreking - Gesprekspunten - Bespreking - Gesprekspunten Achtergrondinformatie Paulus en
de Thessalonicenzen – het verhaal uit Handelingen In Handelingen 16 wordt beschreven
hoe tijdens de tweede zendingsreis van Paulus een nieuw gebied geopend wordt
voor het evangelie: Macedonië. Paulus gaat daar samen met Silas (15:40),
Timotheüs (16:3) en Lukas (16:11) heen. De eerste stad waar Paulus
zijn werk doet, is Filippi. Na het gebeuren rondom de slavin, de
gevangenneming van Paulus en Silas en de aardbeving in de nacht, wordt hen
verzocht om de stad te verlaten. Via Amfipolis en Appolonia gaan ze naar Thessalonica (17:1-9). Paulus begint in de
synagoge met zijn gebruikelijke onderwijs over Christus. Hij legt aan de
Joden drie sabbatten lang de Schriften uit. Enkele Joden laten zich
overtuigen en daarnaast een grote groep van Grieken (die God vereerden –
wsch. als één van hun goden) en veel voorname vrouwen. De jaloerse Joden veroorzaken een oproer en willen Paulus en Silas voor de
volksvergadering brengen. Lees de reden van hun afkeer in 1Thess.2:15-16. Ze
kunnen hen niet vinden en sleuren daarom Paulus’ gastheer Jason
en een paar andere broeders voor het stadbestuur.
De beschuldiging luidt: -
Zij die de
wereld in opschudding brengen, zijn ook hier gekomen en logeren bij Jason. -
Ze handelen in
strijd met de geboden van de keizer door te beweren dat er geen andere koning
dan Jezus is. Net als in de tijd van
Jezus’ veroordeling en kruisiging, zie je ook hier dat de vijandige Joden via
de wereldlijke rechter hun gelijk proberen te krijgen. Ze camoufleren echter
hun eigenlijke beweegredenen. De bevolking en
stadsbestuurders raken door deze berichten ongerust en laten Jason en de anderen vrij op borgtocht. De broeders sturen
Paulus en Silas ’s nachts naar Berea (17:10-14). Daar gaan zij aan het werk
op dezelfde wijze als in Thessalonica (eerst de Jood, dan de Griek – Rom.1:16), maar met ander resultaat. De Joden van Berea
nemen het woord van Paulus aan en onderzoeken ook dagelijks de Schriften.
Vele Joden komen tot geloof en daarbij ook veel aanzienlijke Griekse mannen
en vrouwen. De Joden uit Thessalonica
horen van het werk van Paulus in Berea en komen daarheen om de mensen tegen
Paulus op te zetten. De broeders van Berea laten Paulus vertrekken richting
de zee, maar Silas en Timotheüs blijven nog in Macedonië. Paulus gaat naar
Athene (17:15) en daarna naar Korinthe, waar ook Silas en Timotheüs weer bij
hem komen (18:5). Over het achterblijven van
Timotheüs in Macedonië wijdt Paulus uit in 1Thess.3:1-6. Timotheüs is (naar
we mogen aannemen samen met Silas) terug gegaan naar Thessalonica, om daar de
gelovigen te versterken in de verdrukking, die ook na Paulus’ vertrek blijft.
We moeten hier denken aan een combinatie van verdrukking door de Joodse
stadsgenoten, maar ook door de Romeinen. De christenvervolging kwam rond het
jaar 50 op gang. Het is niet bekend hoe lang Paulus in Thessalonica
is geweest. We weten dat hij drie sabbatten lang gepreekt heeft in de
synagoge, maar we weten niet hoe lang de tijd tussen Hand.17:3 en 5 geduurd
heeft. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat hij na de drie sabbatten wel
verder heeft gepreekt op andere plaatsen. 1Thess.2:1-12 geeft aanleiding om
te denken dat Paulus wel iets langer dan vier weken aanwezig is geweest in
deze stad. Paulus wekt in
1Thess.3:1-6 de indruk dat hij Timotheüs vanuit Athene terug gestuurd
heeft naar Thessalonica, terwijl we dat uit Hand. 17:14-15 niet op kunnen
maken. Het kan gezien de chronologie van Paulus’ reizen en brieven niet
anders of het gaat hier over de zelfde gebeurtenis, maar toch lijken de
verhalen niet te kloppen. Mogelijke verklaring is dat Lukas er rond de
periode Thessalonica-Berea niet bij was en het
verhaal achteraf van Paulus gehoord heeft. In 16:16 en 20:6 komen de wij-vorm tegen, terwijl in 17:1 over ‘zij’ gesproken
wordt. In zijn eerste brief aan Thessalonica vertelt Paulus echter zijn eigen
verslag. Veel uitleggers menen dat Lukas op de tweede zendingsreis in Filippi
gebleven zou zijn en weer met Paulus is meegetrokken vanaf het moment dat
Paulus daar op zijn derde zendingsreis weer langskomt. Dit zou dan de
bovenstaande uitleg onderstrepen, hoewel we dan tegelijk moeten constateren
dat Timotheüs bij zijn terugkomst in Thessalonica blijkbaar niet zo’n nauwkeurige weergave van het verhaal heeft gegeven
aan Lukas. Overigens is het onder theologen algemeen bekend dat het relaas
van het boek Handelingen wel vaker voor hoofdbrekens zorgt, als we het
bijvoorbeeld vergelijken met informatie uit de brieven van Paulus. Het boek
Handelingen is geschreven rond het jaar 63 en het is de vraag in hoeverre
Lukas gebruik heeft gemaakt (kunnen maken) van de brieven van Paulus bij het
opschrijven van zijn reiservaringen. Hij moest het waarschijnlijk grotendeels
doen met informatie die hij zelf onthouden had. Tijdpad
van de tweede zendingsreis In Hand.15:40-18:22 lezen we
het verslag van Lukas over de tweede zendingsreis van Paulus. Het grootste
gedeelte van deze reis (18 maanden lang) heeft hij doorgebracht in Korinthe. |
|||||||||
|
Reis door Macedonië en Achaje
(Griekenland) |
|||||||||
|
- |
Troas |
- |
Filippi |
- |
Thessalonica |
Berea |
Athene |
Korinthe |
- |
|
|
Hd.16:11 |
|
Hd.16:13-40 |
|
Hd.17:1-10 |
Hd.17:10-14 |
Hd.17:15-34 |
Hd.18:1-18 |
|
|
|
|
|
1Th.2:1-2 |
|
|
T. en S. blijven; P. gaat al naar Athene.
17:14-15 |
T. bezoekt Thessalonica. 1Th.3:1-2 |
T. en S. komen weer bij P.
terug. 18:5; 1Th.3:6 |
|
|
Deze stad, die nu
Thessaloniki heeft, was vroeger al een belangrijke stad in Macedonië. De
koning van Macedonië stichtte de stad in 315 voor Chr. en noemde haar naar zijn
vrouw, de zus van Alexander de Grote. In de Romeinse tijd kwam de stad tot
bloei door de gunstige ligging aan de Egeïsche Zee
en aan de Via Egnatia, de doorgaande weg naar Byzantium. Thessalonica werd toen de eerste stad van
Griekenland en telde in de tijd van Paulus ongeveer 100.000 inwoners, waaronder veel Joden. Na Athene is Thessalonica nu nog
steeds de belangrijkste stad van Griekenland.
Beide brieven zijn
geschreven door Paulus, Timotheüs (Hand.16:1-3) en Silas (Hand.15:40) (= Silvanus) tijdens de tweede zendingsreis, tussen 51-53,
vanuit Korinthe. Het zijn, voor zover ons bekend, de eerste twee brieven die
Paulus schrijft. De eerste
brief schrijft Paulus n.a.v. de berichten die hem door Timotheüs overgebracht
zijn vanuit Thessalonica (Hand.18:5; 1Thess.3:6). Paulus prijst hen daarin voor hun volharding in het
geloof en geeft hen onderwijs (vermaning) over een aantal onderwerpen
die in de gemeente spelen. In de tweede brief, die
kort na de eerste geschreven wordt, weidt Paulus uit over een aantal punten die hij in de eerste brief ook al heeft aangestipt. Tijdens zijn derde
zendingsreis heeft Paulus de gemeente van Thessalonica nog een keer bezocht
(Hand.20:1-4). Zie voor het bewijs hiervan ook Fil.4:16. Nog een paar keer wordt er
in de Bijbel gesproken over Thessalonica. Op Paulus’ reis naar Rome wordt hij
vergezeld door Aristarchus, de Macedoniër uit
Thessalonica (Hand.27:2). In zijn brief aan de Filippenzen bedankt Paulus hen
voor het feit dat ze hem meer dan eens gaven gestuurd hebben om hem te
onderhouden toen hij in Thessalonica verbleef (Fil.4:16).
Aan het einde van zijn leven deelt Paulus ons mee dat één van zijn
medewerkers, Demas, hem verlaten heeft en
vertrokken is naar Thessalonica (2Tim.4:10). Een voorbeeldgemeente De gelovigen van
Thessalonica worden aan het begin van beide brieven geroemd om hun leven met
God en het getuigenis wat daarvan uitgaat naar andere gelovigen. Het zijn
christenen om een voorbeeld aan te nemen, ondanks het feit dat ze nog maar
kort geleden tot geloof gekomen waren. Maar waarin zijn ze – ook voor ons –
een voorbeeld? |
|||||||||
|
1 Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de
Gemeente der Thessalonicensen, (welke is) in God
den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God,
<onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.> 2 Wij danken God altijd
over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; 3 Zonder ophouden
gedenkende: ·
het werk uws geloofs, ·
en den arbeid
(inspanning) der liefde, ·
en de
verdraagzaamheid (volharding) der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor (tegenover) onzen God
en Vader; 4 Wetende, (door God)
geliefde broeders, uw verkiezing van God (dat u uitverkoren bent); 5 Want: ons
Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en
in den Heiligen
Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen
wij onder u geweest zijn om uwentwil. 6
En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele
verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes; 7
Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie
en Achaje. 8
Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook
in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet
van node hebben, iets daarvan te spreken. 9
Want zijzelven verkondigen van ons, §
hoedanigen ingang wij
tot u hebben (hadden), §
en hoe gij tot
God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en
waarachtigen God te dienen. §
10 En Zijn Zoon
uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de
doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn. |
|||||||||
|
Bespreking Paulus dankt in zijn gebeden
voor de gelovigen van Thessalonica, als hij denkt aan het werk van hun
geloof, de inspanning van de liefde en de volharding in de hoop op Jezus
Christus. Hij dankt hiervoor en gedenkt dit in gesprek met God de Vader,
wetende dat ze door Hem uitverkoren zijn. Paulus leidt dit af uit het
volgende: -
Het feit dat
hij destijds heel krachtig de boodschap van het evangelie heeft kunnen
brengen. Het spreken van ‘logos’ was voor Paulus altijd een bevestiging dat
God op die plaats werkzaam wilde zijn (zie studie over Handelingen en
Hand.16). -
Het feit dat ze
navolgers van hemzelf (1Thess.3:7; 2Kor.7:5) en van
de Heere (Hebr.12:2) geworden zijn, doordat ze het
Woord hebben aangenomen in veel verdrukking (1Thess.3:4) en met veel
blijdschap van de Heilige Geest. Hierin zijn de gelovigen
van Thessalonica een voorbeeld geworden voor de gelovigen in Macedonië en Achaje (het noorden en zuiden van het huidige
Griekenland). Dit getuigenis kent de volgende elementen: -
De plaats die
ze geven aan de persoon en het onderwijs van Paulus. -
De radicale
omkeer van afgodendienst naar de het dienen van de waarachtige God. -
Het feit dat ze
de Zoon van God uit de hemelen verwachten. Dit getuigenis werkt
aanstekelijk (is het omdat mensen behoefte hebben aan levende voorbeelden?)
en zo fungeren deze gelovigen zelfs als wegbereiders voor Paulus zelf. Samengevat is de reden van
Paulus’ dankzegging: -
Het aannemen
van het Woord van God in een situatie van verdrukking en het behouden van de
blijdschap daarin. -
Het werk van
geloof en liefde, wat in hun leven te zien is. -
Het getuigenis
(en daarmee een stimulans) die daarvan uitgaat naar andere gelovigen. -
Het erkennen
van de positie van Paulus en het navolgen van zijn voorbeeld en onderwijs. -
Een radicale
breuk met de afgodendienst. -
Het vooruitzien
naar de komst van de Zoon uit de hemelen. Gesprekspunten 1. Welk van de ‘kenmerken’ van deze gelovigen is
volgens jou het meest vanzelfsprekend? 2. Leg je leven eens naast de ‘kenmerken’ van de deze
gelovigen. -
Welke van deze
elementen kenmerken ook jouw leven met God? -
Waarin schiet
je te kort? Hoe ga je daar (voortaan) mee om? -
Wat is het
getuigenis wat er van jouw leven en dat van gelovigen om je heen uitgaat? Hoe
stel je dat vast? -
Hoe reageer je
op het feit dat er een verband ligt tussen het leven van een gelovige en de
mate waarin het getuigenis van God daardoor ondersteund wordt? 3. Wat voor uitwerking heeft het getuigenis van andere
gelovigen (mensen die dicht bij God leven) op jouzelf? 4. Hoe radicaal is jouw bekering geweest? Waarom is het
gegaan zoals het gegaan is? 5. Wat kunnen wij hier leren over verdrukking in
relatie tot de evangelieprediking en het leven met God? |
|||||||||
|
13 Daarom danken wij
ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons
ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk
het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. 14
Want gij, broeders, zijt navolgers geworden
der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus
Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw
eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden; 15
Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben
vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen
tegen zijn (tegen alle mensen zijn); 16
En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden;
opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn
is over hen gekomen tot het einde (ten volle). |
|||||||||
|
Bespreking Het aannemen van het woord
van Paulus prediking (1:6), Gods Woord, is de start geweest van het nieuwe
leven wat deze gelovigen zijn gaan leiden. Ze kregen te maken met de mens
Paulus (2:1-12), maar hoorden daarin de stem van Zijn Zender. Het Woord wat
ze aannamen, werd vervolgens werkzaam in hun leven. Het blijft hen voeden en
leiden in hun leven met God en mensen. Deze gelovigen zijn niet
alleen navolgers van Paulus en Jezus geworden (1:6), maar ook van de
gelovigen in Judea. Het punt van overeenkomst is dat
beiden veel geleden hebben van hun eigen medeburgers. De Joden, die het leven
van hun gelovige medebroeders zwaar maken, hebben (als collectief) ook Jezus,
Gods profeten en ook Paulus en zijn reisgenoten vervolgd. In Handelingen 17 lezen we
over de vijandige houding van de Joodse stadsgenoten van de nieuwe gelovigen
in Thessalonica. Paulus legt hier uit wat de reden van deze houding is: deze
Joden hebben niet een gunnend hart voor niet-Joden,
maar willen koste wat het koste verhinderen dat de
boodschap van behoudenis tot hen gesproken zal worden. Kunnen de Joden dit straffeloos doen? Nee. Zij maken de
maat van hun zonden vol (Matth.23:32-33) en Gods toorn is ten volle over hen gekomen. Paulus doelt hiermee
op de (tijdelijke) verwerping van Gods volk, waarover hij later in de brief
aan de Romeinen uitvoerig schrijft (Rom.9-11). Het is aangrijpend om te
beseffen dat de houding van de Joden die Paulus hier beschrijft, het compleet
tegenovergestelde is van wat God van Zijn volk zou mogen verwachten. Hij had
hen apart gezet om hen te vormen en een ‘priesterschap’ te zijn voor de
volken om hen heen (Ex.19:5-6), zodat Gods genade in de hele wereld zou
doordringen. Gesprekspunten 1. Het Woord wat gebracht wordt kan krachtig (en door
de Geest gevuld) zijn, maar je moet het wel aannemen. Waarom? 2. Wat kunnen we leren van de Joden in Berea
(Hand.17:10-12) als het gaat om hen aannemen van het Woord van God? 3. Is Gods Woord werkzaam in jouw leven? Hoe stel je
dat vast? 4. Denk je er wel eens over na waarom niet alle mensen
in jouw omgeving positief reageren op jouw relatie met God? Wat kunnen hun
redenen zijn? |
|||||||||
|
1 Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de
Gemeente der Thessalonicensen, (welke is) in God
den Vader, en den Heere Jezus Christus: 2 Genade zij u, en vrede,
van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. 3 Wij moeten God te allen
tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is (zoals het betaamt), omdat uw
geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken
van u allen jegens elkander overvloedig wordt; 4
Alzo dat wij zelven
van u roemen in de Gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid (volharding) en
geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt; 5 Een bewijs van Gods
rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk
Gods, voor hetwelk gij ook lijdt; |
|||||||||
|
Bespreking Ook aan het begin van zijn
tweede brief beschrijft Paulus de dank die hij uit tegenover God, vanwege het
toenemende geloof en de liefde van de gelovigen in Thessalonica. Niet alleen vertellen
gelovigen in andere gemeenten aan Paulus over het getuigenis wat van de
gelovigen in Thessalonica uitgaat (1/1:9), maar ook Paulus zelf gebruikt dit
getuigenis als illustratie bij zijn rondgang door de gemeenten. Specifiek
noemt hij hier de volharding en het geloof te midden van vervolging en
verdrukking. De aanvallen van de boze, uitgevoerd door medemensen, worden
verdragen en men blijft volharden in het volgen van Jezus. Paulus is niet alleen blij over
deze volharding en verdraagzaamheid, omdat daardoor een krachtig getuigenis
ontstaat, maar kan ook oprecht verheugd zijn omdat hij de afloop van het
verhaal kent. Hier op aarde regeert de ongerechtigheid en lijkt het soms
alsof God machteloos vanaf de zijlijn moet toekijken hoe Zijn kinderen moeten
lijden, maar in werkelijkheid is het slechts een kwestie van tijd voordat God
zal ingrijpen. Wie nu verdrukt, zal eens te maken krijgen met Gods vergelding
en wie nu verdrukt wordt, zal eens verkwikt worden (1:6-7). God is recht-vaardig; Hij doet recht en Hij is daar ook vaardig
in. Het is slechts een kwestie van tijd… Hij die op Gods tijd kan wachten en
ondertussen doorgaat met het dienen van God, is het koninkrijk van God waard.
Paulus verbindt in deze twee brieven het ‘waardig wandelen’ (1/2:12) met het
‘waardig geacht worden’ om bij Gods Koninkrijk te
horen. Ik denk hierbij aan de ernstige woorden van Jezus in Matth.10:37-38. Gesprekspunten 1. We ruimen in onze gebeden vaak veel tijd in voor
mensen waarmee het niet goed gaat; mensen waar je zorgen over hebt. In
hoeverre dank je ook voor anderen die je ziet groeien in geloof, zoals Paulus
dat ook doet? Waarom zou dat belangrijk kunnen zijn? 2. Het toenemen van geloof en liefde zijn voor Paulus
graadmeters voor de geestelijke groei van een gelovige. Leg je leven en dat
van je gemeente er eens naast… Hoe zou het meer kunnen gaan lijken op dat van
de gelovigen uit Thessalonica? 3. Welke redenen zijn er voor een gelovige om
verdrukking en vervolging te verdragen? De jonge gelovigen uit
Thessalonica geven ons te denken over ons eigen staan in het geloof en de
wereld om ons heen. Ik hoop dat hun getuigenis ook jou zal inspireren om weer
vol goede moed verder te gaan en je ogen op niemand anders te richten dan
Jezus Christus alleen. Het mooie is dat we zo (alleen zo) ook een voorbeeld
kunnen worden voor andere mensen en gelovigen om ons heen. Tot aan het einde
der dagen blijven er mensen nodig die het licht in deze donkere wereld
verspreiden. |
|||||||||