Toeleven naar de komst van de Heere Jezus

Bijbelstudie 6 over de brieven aan Thessalonica

Inleiding

Centraal in deze bijbelstudie staat het gedeelte van 1Thess.4:13 t/m 5:11.

 

De vorige keer dat we een OBT-studie deden (bijbelstudie 3), zijn we met de structuur bezig geweest aan de hand van een visualisatie (eigenlijk meer een samenvatting) die door mij gemaakt was.

Deze keer beginnen we met het zelf maken van een visualisatie. We knippen de teksten of fragmenten daarvan los en plakken die vervolgens weer op een blad, maar dan zo gerangschikt dat de tekststructuur die Paulus hanteert zichtbaar wordt.

Gezien het belang van de inhoud lijkt het misschien een onnuttige bezigheid om zo aan de slag te gaan met schaar, lijm en stiften, maar het zal blijken dat juist door het bezig zijn met de structuur als vanzelf de uitlegvragen (de weg naar het begrijpen van de bedoeling) duidelijk worden.

Daar waar we de Schrift (ook contextueel) laten spreken, ontstaat ook de basis voor goede persoonlijke toepassingen.

 

Een visualisatie maken

 

Werkopdracht

Voer de volgende opdracht met z’n tweeën of drieën uit.

Knip de stroken los en plak ze op een groot vel (zie bijlage).

Geef d.m.v. pijlen of verspringing (tabs) aan hoe de zinnen zich tot elkaar verhouden. Let op de voegwoorden.

Probeer het verschil tussen hoofd- en bijzaken te visualiseren (zie voorbeeld).

 

  

 

Voegwoorden

Want    : verklaring, uitwerking, reden

Opdat   : doel

Zoals    : vergelijking (vaak met een voorbeeld)

Maar    : geeft een tegenstelling aan

Dus      : vaak een conclusie

 

Noteer terwijl je bezig bent de uitlegvragen die opkomen.

 

Uitlegvragen formuleren

Hieronder wil ik de uitlegvragen noemen die bij mij opkwamen door het werken met de visualisatie.

 

1.       Paulus schrijft de boodschap van 4:13-18 vanwege droefheid bij de lezers en sluit af met de conclusie dat ze elkaar voortaan kunnen vertroosten met dat wat hij net heeft uitgelegd. Wat is de reden van deze droefheid en wat is de troost die Paulus hen biedt?

 

2.       In 4:14-17 beschrijft Paulus de wederkomst van de Heere Jezus. Hoe zal dat allemaal precies in z’n werk gaan?

 

3.       In 4:16-17 wordt alleen gesproken over ‘zij die in Christus gestorven zijn’ (de gelovigen die ontslapen zijn) en de gelovigen (‘wij’) die dan nog leven zullen. Wat zal er gebeuren met de andere doden en met hen die dan nog leven, maar die niet gelovig zijn?

 

4.       In 4:13 wordt over de ‘anderen’ gezegd dat zij ‘bedroefd zijn en geen hoop hebben’. Wie zijn die anderen en wat bedoelt Paulus met ‘bedroefd zijn geen hoop hebben’? Zijn deze ‘anderen’ dezelfden als waarover Paulus spreekt in 5:6?

 

5.       In 4:15 heeft Paulus het over de ‘toekomst des Heeren’ (SV) en in 5:2 over de ‘Dag des Heeren’. Gaat het hier over de zelfde gebeurtenissen en wat wordt er mee bedoeld?

 

6.       In 5:2-4 wordt twee keer over een dief gesproken. Wat is het verschil tussen wat hij in vers 2 en in vers 4 over de dief zegt? Komt de Dag des Heeren wel of niet onverwachts?

 

7.       Wat bedoelt Paulus is 5:5-10 met de begrippen ‘licht’ en ‘duisternis’; ‘nuchter zijn’ en ‘dronken zijn’; ‘waken’ en ‘slapen’?

 

8.       In 5:9 lijkt het net alsof het verkrijgen van de zaligheid voor de gelovigen nog geen zekerheid is. Hoe zit dat precies?

 

9.       Wie bedoelt Paulus met degenen die ‘slapen’ in 5:10?

 

Antwoorden zoeken

Hieronder bij elke uitlegvraag een kort antwoord.

 

1.       De droefheid en <het tegenovergestelde daarvan> de troost (4:13 en 18) hebben alles te maken met de toekomstverwachting van de gelovigen in Thessalonica. Zij verwachtten levend de (toe)komst van de Heere Jezus mee te maken (1Thess.1:10 en 3:13). Paulus onderwees hen erover hoe ze de resterende tijd van hun leven op aarde zo moesten inkleden, dat ze de Heere een ‘waardige ontvangst’ konden geven (1Thess.3:12; 5:23 en 2Thess.1:10). Het SAMEN de komst van de Heere LEVEND meemaken was de verwachting van deze gelovigen.

Het probleem was echter dat er af en toe toch broeders en zusters ontsliepen, zonder dat ze inlevende lijve Christus hadden zien komen. Daardoor ontstond er droefheid bij de achterblijvers, om hun ontslapen broeders en zusters die zo iets moois zouden missen, maar wellicht ook omdat het hen zelf ook zou kunnen overkomen. De uitleg die Paulus in 4:14-17 geeft maakt in ieder geval duidelijk dat, voordat de ontmoeting met de wederkerende Jezus zal plaatsvinden, de ontslapen gelovigen verenigd zullen worden met de dan nog levende gelovigen. En dat is de reden waarom er voortaan geen droefheid meer over dit punt hoeft te zijn.

 

2.       Paulus beschrijft in 4:14-17 wat er rondom de wederkomst van Christus zal plaatsvinden. Samengevat komt het hier op neer:

-          de neerdaling van de hemel met een duidelijk hoorbare aankondiging: geroep, de stem van een aartsengel, de bazuin van God

-          de opstanding van de ontslapen gelovigen

-          de opgestane gelovigen zullen samen met de andere gelovigen opgenomen worden in de wolken en de Heere tegemoet gaan

-          alle gelovigen zullen voor altijd met de Heere zijn

 

Uit deze beschrijving wordt in ieder geval duidelijk dat de ontmoeting met de Heere niet op aarde zal zijn, maar ergens in de lucht. Van de fase daarna (het altijd met Hem zijn) wordt niet duidelijk waar dit zal zijn: in de hemel, of op aarde, of eerst op aarde en dan in de hemel?

 

Op meerdere plaatsen in Gods Woord vinden we beschrijvingen van de wederkomst (Matth.24-25; 1Kor.15; Openb.19-20). Als we deze beschrijvingen over elkaar heen leggen, valt het op dat er moeilijk één geheel van te maken is. Er zijn overeenkomsten, bijvoorbeeld tussen 1Thess.4 en 1Kor.15, maar ook grote verschillen. Denk alleen maar aan Matth.24:31. De meest voor de hand liggende conclusie die we hieruit kunnen trekken is, dat er rondom de komst van Christus meerdere gebeurtenissen (na elkaar) zullen plaatsvinden. Het gaat niet om een kort moment waarin alle afsluitende dingen tegelijk zullen plaatsvinden (het beeld wat onze belijdenisgeschriften lijken op te roepen omdat er zo weinig over gezegd wordt).

In 1Thess.4:15 wordt het woord ‘toekomst’ (parousia) gebruikt, wat het beste vertaald kan worden met ‘aanwezigheid’; de zichtbare aanwezigheid van de Heere.

 

3.       Elke wederkomstpassage in de Bijbel moet gelezen worden in zijn eigen context. Paulus stelt zich in 1Thess.4 tot doel om de gelovigen te troosten en legt daarom aan hen uit hoe hun verwachting toch realiteit zal worden. Over wat er zal gebeuren met de andere doden (die niet in Christus ontslapen zijn) en met de andere levenden (die niet gelovig zijn) schrijft Paulus hier niets. In 1Kor.15 zien we iets dergelijks. In 1Thess.5 krijgen we echter nog wel een stukje nieuwe informatie: de generatie gelovigen waartegen Paulus hier spreekt, zal ook in levenden lijve de Dag des Heeren meemaken. En over deze Dag wordt in de verzen daar omheen wel het één en ander gezegd.

 

De Bijbel is er duidelijk over dat álle doden zullen opstaan (Joh.5:27-29; Hand.24:15), maar eveneens wordt duidelijk dat dit niet op één moment hoeft te gebeuren (Joh.5:27-29; Op.20:5-6). Alle mensen zullen het oordeel ondergaan (2Kor.5:10; Hebr.9:27), maar het is zeer de vraag of dat allemaal op één moment zal gebeuren, of dat er verschillende oordelen zullen zijn op een verschillend moment, met wellicht zelfs verschillende criteria. De Bijbel spreekt over het oordeel over de werken van de gelovigen, het oordeel over de volken, het oordeel over Israël, het oordeel van de grote witte troon… Een studie op zich.

 

4.       Het ‘bedroefd zijn en geen hoop hebben’ van de ‘anderen’ in 4:13 staat in verband met de boodschap waarmee Paulus hier de gelovigen mag bemoedigen. Paulus spreekt in de twee brieven aan Thessalonica een aantal keren over ‘hoop’:

 

-          het volharden in de hoop op Jezus Christus toen Paulus bij hen was (1Thess.1:3)

-          de gelovigen van Thessalonica maken deel uit van Paulus’ eigen hoop bij de toekomst van de Heere Jezus Christus (1Thess.2:19)

-          de hoop op de zaligheid / behoudenis waartoe Paulus oproept (1Thess.5:8)

-          de goede hoop die gelovigen hebben door genade (2Thess.2:16)

 

Voordat we kunnen bepalen over welke ‘hoop’ Paulus hier spreekt, moeten we eerst weten wie hij met ‘de anderen’ bedoelt. We vinden deze manier van schrijven ook terug in 5:6. Uit de verzen daarvoor (5:3-5) wordt duidelijk dat deze ‘anderen’ mensen zijn die bij de duisternis horen; mensen voor wie de Dag des Heeren als een ‘donderslag bij helder hemel’ zal komen. Het zijn mensen die ‘slapen’ en hun leven vullen met allerlei dingen, terwijl hun verschrikkelijke einde per dag dichterbij komt.

Het lijkt me dat Paulus met de ‘anderen’ van 5:6 de zelfde bedoelt als in 4:13.

Of dit ook dezelfde mensen zijn als de verdrukkers (1Thess.2:14; 3:3-4) weten we niet. Het kunnen wel goed de mensen zijn die Paulus in 1Thess.4:12 ‘hen die buiten zijn’ noemt.

 

Hij die de Heere Jezus niet kent en afscheid moet nemen van hen die ongelovig ontslapen, heeft niet de hoop en troost die de gelovigen na het lezen van Paulus’ woorden wel hebben. Zij zijn ‘onwetend’, zegt Paulus (4:13), en daarmee bedoelt hij dat ze geen zicht hebben op dat wat er verder zal volgen.

In het geval dat de ongelovigen elkaar zullen weerzien, zal het geen gelukkig weerzien zijn, zoals bij de gelovigen.

 

5.       Met de ‘toekomst des Heeren’ (parousia – 1Thess.2:19; 3:13; 4:15; 5:23; 2Thess.2:1; 2:8; 2:9) bedoelt Paulus de zichtbare aanwezigheid van de Heere Jezus Christus. Er zullen zich in die periode verschillende zaken afspelen: oordelen, opstandingen. De ‘Dag des Heeren’ (1Thess.5:2) is een omschrijving die we in de Bijbel vaak tegenkomen. Als we alle gegevens hierover op een rij zetten, blijkt het hier te gaan om een periode van oordeel, die zich zal afspelen aan het begin van de parousia. De Dag des Heeren wordt in de Bijbel zonder uitzondering verbonden met oordeel en wraak van de Heere. Het is een periode (dus niet een dag) van oordeel over de volken, maar ook over Israël (Jesaja 13:9-14:3; Ezech.30:2; Joël 2-3; Am.5:18; Ob.1:15-17; Zef.1:7-15; Mal.4:5-6; Hand.2:17-21; 40). De Dag des Heeren vindt dus plaats ten tijde van de parousia. Beiden beginnen ze gelijk, maar het grote verschil is dat wat voor de één een dag van verschrikking is, voor de ander een dag van grote vreugde zal zijn.

 

6.       De Dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht (5:2). Voor ongelovigen zal het aanbreken van deze Dag een verschrikking zijn: het plotseling ervaren van verderf en verwoesting in een periode waarin men zich van geen gevaar bewust is. Het ‘verderf ‘ waarover gesproken wordt, slaat op de gevolgen van Gods oordelen die dan zullen aanbreken.

 

De gelovigen zijn er volgens Paulus van op de hoogte dat deze Dag zal komen als een dief in de nacht (‘gij weet’ - 5:2), maar toch zal deze Dag hen niet als een dief overvallen (‘gij zijt niet’ - 5:4). Het moment waarop deze Dag zal aanbreken is hen niet bekend, maar ze zullen wel voorbereid zijn. Wel onverwachts, maar niet onvoorbereid (onverwacht). Hun leven heeft steeds in het teken gestaan van de ontmoeting met de Heere Jezus Christus en ze zijn er klaar voor om Hem te ontmoeten (1Thess.3:12-13).

 

7.       Gelovigen worden in 5:5 door Paulus ‘kinderen van het licht genoemd’, of ‘kinderen van de dag’. Ze leven niet, zoals de anderen, in de duisternis. Een leven mét God is compleet verschillend van een leven zonder God; een verschil van dag en nacht. Het gaat hier om de positie van een gelovige. Hij hoort bij het licht en niet meer bij de duisternis. Het niet meer horen bij de duisternis heeft als gevolg dat de Dag des Heeren hen niet zal overvallen. Ze zullen er klaar voor zijn. Het is echter meer dan dat. Wie behoort tot het licht, wordt niet meer geacht een leven te leiden wat behoort bij de duisternis. Paulus wil zeggen: ‘Leef naar je positie. Wees geen nachtwandelaar.’ Adeldom verplicht.

 

Paulus noemt dit niet voor niets. Helaas komt het voor dat gelovigen het leven leiden van een ongelovige. Zo’n leven is te herkennen aan de kenmerken van een nachtleven. Wie echter een nachtleven leidt, kan niet tegelijk ook bezig zijn met de voorbereiding op de ontmoeting met Jezus Christus. Zal zo iemand wél overvallen worden door de komst van Christus?...

 

8.       Een leven in duisternis kan zo z’n voordelen hebben; bijvoorbeeld het ontlopen van strijd. Een leven in het licht is namelijk een leven van strijd. Paulus maakt dit duidelijk aan de hand van strijdtermen (5:8). Geloof, hoop en liefde zijn dagelijks nodig om in deze strijd te kunnen staan. Geloof om het Woord van God steeds weer aan te nemen (1Thess.2:13); liefde als hoofdopdracht van een christenleven (1Thess.3:12) en hoop in verband met de vooruitblik op de behoudenis (1Thess.5:8-9).

 

De wijze waarop Paulus in 5:8-9 over de zaligheid / behoudenis schrijft, is typerend voor de heilsperiode waarin hij zich bevindt. Behoudenis heeft betrekking op dat wat in de laatste dagen rondom Israël gebeuren zal (Jes.33:22; Joël2:32).

Behoudenis is echter ook het einddoel van het proces wat zich voltrekt in het leven van een gelovige. Op dit laatste doelt Paulus hier. Jezus Christus kwam om mensen te behouden (Joh.3:17). Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld (Joh.3:18). Behoudenis is een feit (Joh.3:36). De Bijbel spreekt echter ook over behoudenis als een proces; het is een feit wat tot stand gebracht moet worden (Rom.5:9-10) door een leven wat in het teken staat van Gods doel. Op het moment van de ontmoeting met Jezus (2Thess.1:10) zal de behoudenis voltooid zijn.

 

Het verkrijgen van deze zaligheid is voor gelovigen een zekerheid (5:9). Zij zijn ‘niet bestemd tot toorn’. De toorn waarover hier gesproken heeft allereerst betrekking op de ongelovigen, die met de toorn van God geconfronteerd zullen worden (2Thess.1:8-9).

 

Laten we echter niet vergeten dat ook gelovigen met Gods toorn geconfronteerd kunnen worden. In 1Kor.3:12-17 (een brief die heilshistorisch in de zelfde context staat) lezen we dat Gods toorn zal gaan over hen die Zijn werk schenden; niet het gewenste doel in hun leven behalen. Deze toorn van God staat los van de behoudenis (1Kor.3:15). Het gaat hier om een wegschroeien van alle werken die voor God waardeloos geweest zijn.

 

9.       Vandaar ook Paulus’ waarschuwing aan hen die een nachtleven leiden. Dit zijn degenen van wie hij in 5:10 zegt dat ze ‘slapen’. Sommige uitleggers denken dat het hier gaat om gelovigen die ‘ontslapen zijn’. De grondwoorden in 1Thess.4:14 en 5:10 zijn echter niet identiek (koimethentaskathendontos). Ik denk dat de verzen hierboven voldoende ruimte laten om hier bij de ‘slapers’ te denken aan gelovigen die onder de maat leven.

Wie een nachtleven leidt, verliest zijn wapens (5:8), zijn persoonlijke hoop op de toekomst van de Heere Jezus Christus. In dit geval is vermaning noodzakelijk, met als doel de opbouw van elkaar.

 

Gesprekspunten

 

·         Wat is jouw hoop?

·         Welke gedachten spelen er door je hoofd als je denkt aan hen die je moest verliezen?

·         Ben je voorbereid op de onverwachte komst van de Heere?