Vrijheid en dienstbaarheid
|
|
|
Romeinen 14
Nevenpassages:
1 Korinthe 8:8-13; 1 Korinthe
10:23-33; Galaten 5:1-13 Inleiding
Romeinen 14 wordt door veel
christenen gebruikt als stok om (de ander) mee te slaan of om hun
‘territorium’ ermee af te bakenen. De een zegt dat het gaat om ‘geven en
nemen’. Een ander toont ermee aan dat gelovigen inderdaad geen aanstoot
moeten geven en zich dus moeten blijven schikken in de aloude structuren. Weer
een ander blijft maar hameren op het feit dat niets slecht is en dat je
gewoon niet moeilijker moet doen dan God zelf..... Menige christen heeft zich
er in doffe berusting bij neergelegd dat enige helderheid of desnoods een
compromis hierin niet te realiseren is. Voor de zoveelste keer lijkt weer
waar te worden dat de Bijbel een Boek vol verborgenheden is, waaraan de mens
persoonlijk veel houvast kan ontlenen, maar waaruit heel moeilijk waarheden
afgeleid kunnen worden die door een meerderheid van christenen geaccepteerd
worden. Gelukkig is het waar dat de Bijbel een Boek vol verborgenheden is,
een onuitputtelijke Bron van wijsheid en kennis. De Bijbel bewijst onder
andere hierdoor zelf haar Goddelijk karakter. Anderzijds is het niet de opzet
van God om het rondom belangrijke zaken mistig te houden. En Paulus, schrijver van de reeds
genoemde schriftpassages, hield er niet de gewoonte op na om lange brieven
vol wazigheid de wereld in te sturen. Willen we verder komen in
deze materie, dan komen we in zekere zin dus toch
weer terecht bij onszelf. Zijn we (opnieuw) bereid om onze mening voor de Heere neer te leggen en te toetsen aan Zijn maatstaven?
Zijn we leerbaar? Kan de Heilige Geest aan ons nog wat kwijt? En zijn we, na dingen
geleerd te hebben, vervolgens ook bereid om de consequenties te aanvaarden
van wat we ontdekt hebben? Het horen moet immers gevolgd worden door doen. Zowel het eerste als het
laatste is niet altijd even aangenaam voor ons vlees! Hierdoor wordt echter
wel inhoud gegeven aan zaken als ‘overgave’, ‘sterven aan jezelf’,
‘geestelijke groei’. OBT (Observeren – Begrijpen - Toepassen)
Ik wil een poging wagen om,
met Romeinen 14 als uitgangspunt, helderheid te verschaffen in de wijze
waarop de Bijbel spreekt over persoonlijke vrijheid (van een christen) in
combinatie met een inschikkelijke (dienstbare) houding t.o.v. mede-christenen. Het is goed om niet te snel
tot interpretatie over te gaan, maar eerst uitvoerig te observeren. Op basis
daarvan moeten conclusies getrokken worden. Daarna moeten we constateren in
hoeverre dit alles ons leven kan of moet veranderen. Om het overzicht zo veel
mogelijk te behouden zal ik me bij het beschrijven van de tekstinhoud richten
op datgene wat voor dit onderwerp relevant lijkt. Uiteraard valt er veel meer
te zeggen over dat wat in Romeinen 14 aan bod komt. Deze studie heeft daarom
ook niet de status van volledigheid en onfeilbaarheid. Persoonlijke
bijbelstudie blijft noodzakelijk. Historische context De visie van de Romeinse christenen
op de leefwijze van hun Joods-christelijke broeders en zusters (in dit
hoofdstuk wordt dit toegespitst op de vragen die er bestonden ten aanzien van
voedsel) staat centraal. Waarschijnlijk waren er in de gemeente in Rome
problemen op dit gebied; men vond het moeilijk om elkaar vrij te laten in
keuzes. Paulus vervolgt daarom zijn uiteenzetting
over de mens in zijn persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God (Rom.1 t/m 8), toespitst op het omgaan met verschillen. Tekstuele context, heilshistorische context Naast de historische
context zijn ook de verhouding tussen de teksten onderling en de betekenis
van de Romeinenbrief binnen haar tijd (in het heilsplan van God) van belang.
Hier wil ik op in gaan nadat ik de inhoud van de teksten afzonderlijk
beschreven heb. Vers 1-12
Hoofdgedachte = oordeel elkaar niet, maar neem elkaar onvoorwaardelijk aan. Vers 1-3
Paulus spreekt degenen aan die niet zwak in het geloof
zijn. Hij gebruikt echter niet het woord ‘sterk’ (1Kor.16:13-14). Paulus
geeft het begrip ‘zwakheid in het geloof’ o.m.
inhoud in de Galatenbrief. Zwak zijn in geloof =
gebonden blijven aan wetten in plaats van te leven in vrijheid (Gal.5:13).
Zwak = kwetsbaar. Zwak = regelmatig in geloofsconflict zijn (Rom.14:23). Neem elkaar (specifiek de
zwakke in het geloof) aan, maar niet met het doel om te beoordelen
(iemand eens even te zeggen hoe het zit). Strong
1252 = ‘onderscheiden’, ‘schiften’, ‘voorkeur geven aan’, met als
mogelijke consequentie ‘(af)scheiden’. Minacht elkaar niet om wat de ander doet. Strong 1848 = ‘geringschatten’,
‘verachten’. Motivatie voor dit alles:
God heeft iedere gelovige aangenomen. Meningsverschillen staan
dus los van het elkaar al dan niet aannemen / accepteren. Vers 4
Het oordelen van een
ander past je niet! Strong 2919 =
‘onderscheiden’, ‘goedkeuring hechten aan’, ‘beslissen dat’, ‘vonnissen’,
‘heersen’. Het gaat je niet aan. Je bemoeit je met de zaken van de Heere. Hij houdt zelf Zijn eigendom in het oog en is
capabel genoeg om daar Herder en Heerser over te zijn. Vers 5-8
Iedereen zij in zijn eigen
denken ten volle verzekerd. Wat je ook doet, bepalend is of je God ervoor
kunt danken (= relationeel). We leven immers niet voor onszelf, maar voor de Heere. Vers 9
Christus heeft, vanuit Zijn
positie (Kurios) de bevoegdheid om te heersen en te
oordelen (Strong 2919). Hij
heerst over alle mensen, doden en levenden (letterlijk en figuurlijk) en
maakt op dat punt geen onderscheid in Zijn heerschappij in die zin dat Hij iemand
zou benadelen ten koste van een ander. Waarom zouden wij dat dan wel doen? Als wij oordelen, gaan we
op de verkeerde stoel zitten. Die plaats komt Jezus toe. Zie ook Joh.8:15-16; 2Tim.4:1 (in beide teksten Strong 2919). Vers 10-11
Waarom zouden wij dan
oordelen of minachten? We zullen immers allen voor de rechterstoel van
Christus gesteld worden en staan wat betreft het oordeel op gelijke voet.
Tussen God en de gelovige is een positieverschil, maar tussen gelovigen
onderling niet. De wijze waarop hier over
het oordeel van Jezus gesproken wordt, refereert aan de visie die er tijdens
de Handelingenperiode bestond ten aanzien van het oordeel. Het feit dat de
Gemeente met Christus in heerlijkheid zal verschijnen (Kol.3:4) was toen nog
onbekend. Vers 12
Iedereen zal dus voor
zichzelf rekenschap geven aan God. Strong
3056 = (Logos) = ‘verantwoording afleggen’. Vers
13-23
Hoofdgedachte = geef elkaar
geen ergernis. Vers 13
Oordeel dus niet elkaar, maar constateer (stel vast – Strong 2919) dat je voor een andere broeder
geen obstakel plaatst of een aanleiding tot zonde. Aanstoot = Strong 4348 = ‘struikelblok’, ‘obstakel’,
‘iets om over te vallen’, ‘iets om door te zondigen’. Ergernis = Strong 4625 = (‘skandalon’)
‘val’, ‘strik’, ‘hindernis waardoor iemand valt, zondigt of dwaalt’. Vers 14
Niets is op zichzelf
genomen onrein; je kunt er wel (terecht of onterecht) die betekenis aan
geven. Vers 15-16
Je kunt door iets te doen
waarin je zelf geen kwaad ziet in zekere zin een
ander schaden. Paulus licht dit toe in 1Kor.8:8-13.
Je ontneemt iemand de relatiebasis (in je eigen gemoed verzekerd zijn) waarop
God wil dat hij of zij handelt. Zie vers 22-23 “Alles wat niet uit geloof is,
is zonde”. Je kunt zelfs door goed te doen (wat jezelf betreft) toch kwaad
doen (als het voor een ander tot zonde lijdt). Niet je eigen beleving is het
criterium, maar het welzijn van je broeder of zuster. Agapè-liefde
= op de ander gericht (onbaatzuchtig). Vers 17-18
Kenmerkend voor het
koninkrijk van God is niet onze mening en ons omgaan met zaken waarover
verschillen mogen bestaan, maar basale zaken als: rechtvaardigheid, vrede en
blijdschap in de Heilige Geest. Wie God zo dient is
bij God welbehaaglijk (Rom.12:1-2) en bij mensen in
achting (aanvaardbaar) Vers 19-21
Laten we jagen naar wat tot
vrede (Rom.12:18) en onderlinge opbouw (Rom.15:2) dient. Breek ter wille van bijzaken het werk
van God niet af. Herhaling: niets is op zich
verkeerd of onrein. Het is wel verkeerd als je door dat wat je zelf prettig
vindt voor een ander een struikelblok bent. Vers 22-23
Heb je geloof bij alles wat
je doet? Houd het tussen jou en God. Je bent zalig als je bij
alles wat je doet rust hebt en jezelf niet steeds beoordeelt en twijfelt. Wie echter twijfelt is veroordeeld.
Strong 2632 = ‘schuldig’. Alles wat niet op grond van
geloof is, dat is zonde. Samenvatting Romeinen 14 Een christen is door God
geroepen tot vrijheid en niet tot gebondenheid. Wie zich (binnen Gods
kaders) steeds bezig houdt met de vraag wat wel en wat niet mag, staat zwak
omdat hij niet bij alles wat hij doet geloofsrust zal (kan) ervaren. Belangrijk is dat je God
bij alles kunt danken; dat je handelt op grond van geloof en in
overeenstemming met je geweten. Wie leeft vanuit de
vrijheid mag genieten van de keuzes die hij maakt, zo lang als hij daarmee
maar het welzijn van andere (zwak-) gelovigen en
daarmee van Gods koninkrijk in het geheel dient. Niet de vraag ‘hoe ver kan
ik gaan?’ is belangrijk, maar ‘is het nuttig voor het geheel?’. Onze hoofdtaak is dienen en
niet oordelen. Aanvullende
opmerkingen
Toch lijkt deze conclusie
niet helemaal bevredigend, want het lijkt alsof de mensen die in de vrijheid
leven het risico lopen om steeds hun vrijheid in te leveren. We hoeven deze
frustratie niet te negeren, maar mogen haar ook niet koesteren. Daarom de
volgende aanvulling. Tekstuele context
De wijze waarop het bewuste
hoofdstuk tot ons komt (en dus ook de volgorde waarin deze twee onderwerpen
door Paulus gepresenteerd worden) is de minimale
context waarmee je te maken hebt. In het eerste gedeelte benadrukt Paulus de vrijheid van de individuele
christen (het gaat alleen tussen jouw geweten en God) en pas daarna
introduceert hij het 'geen aanstoot geven', het dienen
van elkaar (inschikkelijkheid) en het niet altijd op je strepen
willen staan. Paulus wil ons eerst leren (vooraf
aan het onderwerp 'geen aanstoot geven') dat God ons roept tot vrijheid. Hieruit vloeit voort dat
niet alleen zij die teveel vrijheid nemen, maar ook
degenen die elkaar (weer opnieuw) wetjes willen opleggen aangesproken moeten
worden op hun houding. Ook die mensen hebben bepaalde facetten van de rijkdom
van genade niet begrepen. Zij worden door Paulus
niet voor niets de ‘zwakken in het geloof’ genoemd. Heilshistorische
context
De wijze waarop Paulus in zijn brief ingaat op de misstanden in de
gemeente van Rome, toegespitst op de verhouding tussen vrijheid en
dienstbaarheid, past binnen het zicht wat de apostel toendertijd
had op Christus en Zijn werk. Door de openbaring die hij tijdens zijn
gevangenschap in Rome gehad heeft, is hem na het schrijven van de
Romeinenbrief door de Heere meer bekend gemaakt
over de rijkdom van Gods genade en de wijze waarop wij christenen daaruit
kunnen leven. In de brieven die Paulus vanaf dat
moment geschreven heeft (o.a. de Efeze-, Filippenzen- en de Kolossenzenbrief)
is dat diepere inzicht merkbaar aanwezig. Paulus’
argumentatie in Romeinen 14 sluit aan bij de situatie zoals die in de Handelingen-periode beschreven wordt: de mogelijkheid van
de spoedige wederkomst van de Heere stond nog open
en de problematiek ten aanzien van de regelgeving voor bekeerde Joden en
bekeerde heidenen was nog uitvoerig aan de orde. We weten dat Paulus zich sterk heeft gemaakt voor een zo groot
mogelijke beperking van Joodse leefregels voor bekeerde heidenen, maar de
thema’s waarmee men toendertijd worstelde blijven
wel het referentiekader van waaruit hij, ook in Romeinen 14, een antwoord
formuleert op de gang van zaken in Rome. De eerste brief die hij na zijn
bijzondere openbaring in Rome schrijft is de (rondzend)brief aan Efeze. Daarin deelt hij zijn vernieuwde inzicht aangaande
Gods bedoeling met de Gemeente (Lichaam van Christus) mee. Vanuit zijn
veranderde referentiekader is zijn boodschap als het gaat over verschillen in
de gemeente nog rechtlijniger en eenvoudiger dan daarvoor: al de dingen
waarover we als individuele christenen kunnen verschillen (binnen de kaders
die God stelt) staan in schril contrast met dat waarop de Heere
onze aandacht in deze tijd (aion, periode) wil richten: ‘Wandel waardig de roeping
waarmee je geroepen bent’ (Ef.4:1). Paulus’ nieuwe referentiekader wordt gekenmerkt door het
feit dat de Gemeente in Christus één is en dat haar positie niet een aardse,
maar een hemelse is. Wij moeten stoppen met het bezig zijn over wat wel en
niet mag, over verschil in gewetensvrijheid, over hoe de Heere
dit of dat zal beoordelen... Het gaat om Hem, om Zijn eer en over Zijn
verlangen om met ons tot Zijn doel te komen. Over deze materie zou veel meer
te zeggen zijn, maar dat werk ik hier verder niet uit. E.e.a. bij elkaar
voegend zou je kunnen stellen dat Paulus na zijn
gevangenschap in Rome weer anders gereageerd zou hebben op de geschetste
situatie in de gemeente aldaar. Hierin ligt voor ons
de boodschap om alle situaties die we tegenkomen te bezien vanuit het
perspectief wat de Heere ons (nu) gegeven heeft. In
de volgende paragraaf probeer ik dit handen en voeten te geven. Dienen als opdracht
Als je niet het gevaar wilt
lopen om voor een andere gelovige een struikelblok te zijn, ontkom je er niet
aan om te dienen, in dit geval door inschikkelijkheid. Deze houding van
dienstbaarheid is echter veel meer dan iets wat je aan je medegelovigen
verplicht bent. Het is een keus, een levenshouding! Het maakt een groot
verschil of je dient uit angst (de makkelijkste weg nemen, waardoor je
verstrikt blijft in gebondenheid en niet kunt genieten van de rijkdom van
Gods genade) of dat je de keus om te dienen maakt vanuit de vrijheid die je
van God gekregen hebt. Je bent groepen tot dienstbaarheid. Het moet een
vreugde voor je zijn om bezig te zijn in dezelfde geest waarmee ook Jezus
bezig was (agapè)! Je kunt deze vorm van dienstbaarheid ervaren als beknotting van je vrijheid; je ervaart het wellicht zo dat inschikkelijkheid jou belemmert om de vrije persoon te worden die je graag wilt worden (en / of die God van je wil maken). Deze redenering is echter niet gegrond op dat waar Paulus in Romeinen 14 zo op hamert: je bent namelijk vrij omdat God je in vrijheid gezet heeft! “IK BEN VRIJ!” Door het ervaren hiervan wint dit feit alleen maar in waarde, maar van deze onomstotelijke waarheid kan nooit een greintje afgedaan worden. De innerlijke worsteling
die je kunt ervaren bij het ‘inleveren’ van je vrijheid wordt ook beïnvloed
door de factor ‘lust’. Het ‘opofferen’ van een stuk vrijheid valt ons
zwaarder als dat bepaalde stukje vrijheid ook nog eens verbonden is met de aardsgerichtheid van ons vlees. Het is belangrijk dat we
onze behoefte naar de ervaring van vrijheid ook eerlijk aan de Heere voor durven leggen en Hem vragen of Hij inzicht wil
geven in de werkelijke motieven die er aan ten grondslag liggen. Van de vrijheid die God ons
schenkt kunnen we daarentegen, zonder daar zelf
schade van op te lopen, rustig iets ‘afstaan’. Onze benamingen hierbij
(‘beknotting’, ‘opoffering’, ‘afstaan’) staan niet in verhouding tot dat wat
werkelijk belangrijk is: hoe God ons ziet (zie de Efeze-brief).
Hoe zouden de gevolgen van aardse gebrokenheid ooit de aard van het volmaakte
werk van God kunnen aantasten? Onze vrijheid wordt van het dienen niet
kleiner! We kunnen echter vanuit deze houding wel een doorgeefluik zijn van
de liefde van Christus en zullen zo uitstralen wat Hij zelf in praktijk
bracht. Vrijheid
binnen gezagsrelaties
Tot slot nog een opmerking die van belang is als het
gaat over het omgaan met deze materie binnen gezagsrelaties, zoals het gezin.
Paulus spreekt in Romeinen 14 gelovigen aan die
zich in een gelijkwaardige positie bevinden, als volwassenen. Het omgaan met
deze materie binnen het gezin vraagt een nadere doordenking. Ouders stellen
namelijk kaders waarvan zij vinden dat het de opvoeding van hun kinderen ten
goede komt. Christenouders zullen hierin zeker de
Bijbel willen betrekken. Of de kaders die uiteindelijk gesteld worden
(Bijbels) juist zijn, dat is de vraag waarover de ouders moeten nadenken. Het
kan echter zo gaan (en hopelijk gaat het ook zo) dat kinderen tot geloof
komen en zelf ook gaan nadenken over dat wat ze willen of mogen doen. In hun
positie als christen zijn dan zowel de ouders als het kind voor God gelijk,
terwijl er binnen de gezagsrelatie nog steeds een verschil is. Niet zelden
leidt dit tot moeilijke situaties binnen het gezin: kinderen veroorloven zich
meer vrijheden dan ouders fijn vinden of toestaan en beroepen zich hierbij
ook op de Bijbel. De Bijbel is echter nooit met zichzelf in tegenspraak. Als
God enerzijds stelt dat gehoorzaamheid belangrijk is en anderzijds dat het
gaat tussen ons geweten en tussen Hem zelf, mag dit nooit tegen elkaar
uitgespeeld worden. Beide feiten zijn waar(devol).
De christelijke vrijheid vervult de brugfunctie tussen deze ogenschijnlijke
uitersten: de vrijheid die God je geeft raak je namelijk niet kwijt als je
haar niet ten volle kunt ‘benutten’. God wil tevens dat ouders hun kinderen
voorgaan in geloof (geloofsopvoeding). Als hun handelen
voortvloeit uit het zicht op de genade die God schenkt, zal dat onuitwisbare
sporen achterlaten in het leven van de kinderen. 1. Losse flodders Denk eens na over de
volgende gedachten: -
Sterk of zwak zijn in het geloof. De
leefwijze die Paulus aanduidt als ‘zwak geloof’
wordt door sommigen juist gezien als een ‘nauw leven met de Heere’. -
De neiging tot beoordeling, minachting
van anderen. Denken vanuit Gods houding. Mijn plaats kennen. -
God kunnen danken voor en bij de
dingen waarvan ik overtuigd ben. -
Niet voor mezelf leven, maar totaal
voor de Heere. -
Ik kan (in zekere
zin) mezelf schade berokkenen, ik kan God schade berokkenen, maar ook
mijn broeder of zuster in het geloof. En soms doe ik dat terwijl ik het niet
doorheb! -
De vraag wat goed is kan ik niet
afdoende beantwoorden door alleen naar het feit wat ter discussie staat te
kijken, maar kan beoordeeld worden op grond van wat het oplevert / betekent voor de voortgang van het koninkrijk van God. Hoofdzaken en
bijzaken vanuit Gods perspectief. -
Voor God welbehaaglijk zijn is een
hoofddoel. Het gaat er niet allereerst om dat ik er een fijn gevoel bij heb,
hoewel als ik tot Gods doel kom dat ook voor mij een positief gevolg heeft. -
Ik leef niet alleen voor mezelf, maar
ook voor een ander. Ik functioneer in een Lichaam. 2. Vrijheid Hoe vrij ben ik (al)? 3. God Wat vind ik ervan dat God het christenleven niet
‘dicht timmert’ met geboden (binnen kaders; Gal.5 / Ef.5)? 4. Meningsverschil Hoe los ik in de regel
meningsverschillen die een relatie hebben met de Bijbel op? 5. Hoofdzaken Hoe ziet mijn lijstje van
hoofdzaken en bijzaken wat betreft het geloof er uit? 6. Probleem delen Ken ik een situatie waarin
de spanning die Romeinen 14 blootlegt aanwezig is en hoe kan ik er voortaan
anders / beter mee om te gaan. 7. Jezus Geeft de handelswijze van
Jezus mij richting / steun in het zoeken naar een weg in bovengenoemde
materie? 8. Tegendraads Welke redenen vind ik
steekhoudend om af en toe toch niet te doen wat een andere christen zou
willen dat ik deed? 9. Verantwoording Is de motivatie die ik nu
heb voor de keuzes die ik maak ook bevredigend voor God? 10. Voornemens Welke voornemens heb ik na
deze bijbelstudie? |